Tutu PUOANE & Ewout PIERREUX in Arscene te Hansbeke op 10 november 2018.

Zie ook http://www.rootstime.be.

Tutu PUOANE & Ewout PIERREUX in Arscene te Hansbeke op 10 november 2018, organisatie Arscene in samenwerking met de lokale 11.11.11 actie: ‘…topduo, bestaande aan een all round zangeres met een gouden stem en een onberispelijke technische beheersing, en een pianist van eerste orde…’

 

Verleden jaar had de lokale werking van 11.11.11 Bai Kamara Jr. uitgenodigd voor een overigens zeer gewaardeerd concert. Voor dit jaar dacht men aan Tutu Puoane, niet alleen één der beste jazz zangeressen van onze lage landen, maar tevens iemand wier levensloop nauw aansluit bij waar de actie voor staat: Tutu verliet immers haar vertrouwde omgeving omdat ze er zich niet meer welkom en veilig voelde om elders, bij ons, in Nederland en België, een nieuw leven op te bouwen, met talenten die een verrijking betekenen voor haarzelf en vooral voor haar nieuwe leefwereld. Ze demonstreerde die talenten in een volgepakt Arscene, en dat onder begeleiding van haar partner, jazzpianist Ewout Pierreux.

Eerst was er in de foyer een mini-concert, dat nog duidelijker het migratievraagstuk belichtte. Zangeres Nerous Nassif (niet gans zeker van de voornaam…) gaf muzikaal onderwijs in Aleppo, maar werd verjaagd door de schrijnende oorlogsomstandigheden De sombere berichten daarover bombardeerden tot voor een jaar dagelijks onze media. Nassif bracht een (denkelijk Koerdisch) lied over smachtende liefde en daarmee samenhangend het gemis van dierbaren, die ze moest achterlaten. Zij werd begeleid door 11.11.11-comitéleden (akoestische gitaar, klarinet en een vierkoppig dameskoor) Het spreekt vanzelf dat dit al te korte optreden ons met de neus op de realiteit drukte.

Nonthuthuzelo Puoane, in het kort Tutu Puoane werd in 1979 geboren in Atteridgeville, een township nabij Pretoria. Apartheid zou pas in 1990 afgeschaft worden, wat inhoudt dat ze zelf niet zo veel herinneringen aan het vernederende systeem van rassenscheiding. Ze was er te jong voor en het leven was voor haar toen nog één lange plezierreis. Maar omdat haar ouders scheidden toen ze twee was, herinnert ze zich vooral haar grootmoeder (of is het toch overgrootmoeder?) die haar eigen manier had om de apartheid te omzeilen, aan de kost kwam met naaiwerk dat ze verkocht. Dat was echter verboden en de taaie dame kwam dan ook af en toe in aanvaring met de overheid, maar toch slaagde ze erin om tijdens haar hele leven maar één halve dag in dienst van een blanke familie te werken. Tutu vertelt je de hele hilarische geschiedenis met de nodige humor en relativering, én met uitgesproken bewondering voor haar inventieve vrijheidsliefde. En op die manier beantwoordde Tutu het verzoek van de organisatie om toch iets prijs te geven van een leven onder een systeem dat ons hier zo onwezenlijk overkomt, maar keiharde werkelijkheid was in Zuid-Afrika.

Tutu deed studies in Zuid-Afrika (University Of Cape Town) maar waagde de oversteek naar Den Haag in 2002 om haar studies verder te zetten. In 2004 verhuisde ze naar Antwerpen. We vermoeden dat ze ook een tijd in Genk woonde, omdat ze dat in een lied zijdelings aanraakte. In onze streken vindt ze echter niet het kleurrijke, spontane, levenslustige en warmhartige van het leven in haar thuisland, iets wat ze duidelijk mist. Maar hier vond ze wel veiligheid en kon ze zich naast de studie wijden aan zingen. Al kort na haar aankomst in 2002 ontdekte ze, tijdens een repetitie in Leuven, in pianist Ewout Pierreux de ideale tegenhanger. Het was geen geval van liefde op het eerste gezicht, maar de twee gingen een muzikaal verbond aan dat finaal resulteerde in meer. Tutu en Ewout werden stilaan ook een koppel. Ze hebben samen een dochter en een zoon. Sinds een hele poos treden ze, door beider drukke bezigheden, nauwelijks nog op als duo, maar het concert in Arscene was een gelukkige uitzondering.

Het zou oneerbiedig zijn Pierreux enkel te bestempelen als haar ‘begeleider’ want de man is een uitmuntend pianist met klassieke scholing en een ruime ervaring in de jazz. Tijdens de nummers gaat hij geregeld zijn gangen en neemt daarbij vaak een hoge vlucht. Door de projecten waaraan Tutu haar stem leende sinds een jaar of vijftien is wat ze doet intussen een perfecte synthese geworden van het beste van (Zuid-)Afrika, Europa en via de jazz ook Amerika. Dat weerspiegelt zich ook in het repertoire dat je als een eclectische kruisbestuiving mag bestempelen. We kennen Puoane intussen van hommageprojecten als ‘Writing Billie‘ (aan Billie Holdiay) en ‘Goddamn! A Tribute To Nina Simone’, waar haar stem zich uitstekend toe leent. Ze deed vele concertreizen in diverse Europese landen, vaak als deelneemster in een groter geheel. Ze werkte samen met een hele rist geweldige musici, van Toots Thielemans over Dré Pallemaerts tot Bart Peeters.

Ze heeft uitstekende eigen platen: ‘Song’ (2007), ‘Quiet Now’ (2009), ‘Breathe’ (2012), ‘Ilanga’ (2014) In 2010 verscheen ‘Mama Africa’, cd op naam van Tutu Puoane & Brussels Jazz Orchestra. Verleden jaar was er ‘The Joni Mitchell Project. Tutu Puoane Sings Joni Mitchell Live’, opgenomen tijdens twee concerten in een jazzclub, met een kwartet muzikanten o.l.v. Pierreux. Recent is er ook ‘We Have A Dream’, zoals de titel aangeeft, een programma ter herdenking van de 50e verjaardag van de tragische dood van Martin Luther King. Tutu en het Brussels Jazz Orchestra staan in voor dit muzikaal project rond mensenrechten, met bestaande uit bewerkingen van songs uit rock, soul en jazz. ‘We Have A Dream’ is zowel een aanklacht als een oproep tot rechtvaardigheid, zowel een eerbetoon aan verdedigers van de vrijheid als een boodschap naar de wereld toe. Op 14 en 15 december is er een uitvoering van het project in symfonische vorm, samen met het Orchestre Philharmonique Royal de Liège o.l.v. Charles Hazlewood, in de Salle Philharmonique de Liège.

Het duurt maar heel even vooraleer het knusse Arscene verandert in een jazzclub, zo round midnight, al is het daar op dat moment nog vier uur van af: na de puntige intro van Ewout, trekt Tutu vocaal alle registers open, doorspekt met enkele rondjes scatting om ‘u’ tegen te zeggen. Het is duidelijk haar specialiteit. Pierreux komt een paar keer tussen, waarbij het opvalt hoe goed het paar op mekaar is ingespeeld. Ze voelen mekaar blindelings aan. Tutu is na die lekker lang uitgesponnen lied vol lof over de … shakers die ze van de (intussen grote) kinderen van programmasamensteller en soundman Wouter Labarque geleend heeft. Het duo neemt wat gas terug. De hondsfraaie piano ballad ‘Us’ (van Tutu en Ewout zelf) krijgt een vervolg met het melancholische ‘Cape Town’, een mijmering die op de koop toe een liefdesverklaring is aan ‘the fairest city of them all’. Tutu bootst plots een koperblazer na. De song krijgt een leuk uptempo coda mee.

Zowel in het Engels als het Nederlands geeft ze bij diverse songs commentaar, een keer zelfs in de song. Geheel in lijn met het thema van de avond brengt het duo als slot van het eerste deel ‘Respect Life’. Dat zingt ze volledig in haar eigen taal (We weten niet dewelke… Zuid-Afrika heeft heel wat officieel erkende talen!) Daarom geeft ze duiding bij dit lied met zijn prangende boodschap: waar sta je als mens als je alles wegdenkt wat je als je ‘bezit’ beschouwt? Hoe zien mensen je dan? Vanzelfsprekend kan je dat in de context zien van de vluchteling, die alles kwijt is en ‘naakt’ overgeleverd is aan de al dan niet goede wil van de mensen waar hij of zij belandt. Toch verdient ook die mens onverminderd alle respect. Het is gene vrijblijvend statement, want Tutu heeft het aan den lijve ondervonden en het liet sporen na. Je merkt dat het haar zelf diep raakt. Stukken van dit lied zingt ze in een tweede micro die haar stem vermenigvuldigt, alsof ze plots een koor geworden is. Het verstilde einde is prachtig… en net als je denkt dat het gedaan is, fluistert ze in de fade out ‘we take a break’… Na dat eerste deel weet je het zeker: met zo’n stem en zulk technisch meesterschap is deze dame geboren om te zingen…

In 1997 (via Janet Jackson en Q-Tip, dan nog! Ze vindt het nu zelf verwonderlijk dat het langs die weg ging…) en 1998 (via haar muziekleerkracht) maakte Tutu kennis met de muziek van Joni Mitchell: ze geraakte geboeid, ja, betoverd door Joni, een zangeres en componiste ‘who never lies’, een fascinatie die haar nooit meer zou loslaten. Na de pauze brengt ze dan ook Joni’s ‘All I Want’. Het wordt een heuse one woman symphony. Het scatten wisselt ze af met zingen zonder micro en gaandeweg wordt het ‘Wanna make you feel better, wanna make you feel free’ een grandioze ode aan de vrijheid, haast een mantra: ze herhaalt met de juiste emfase het ‘Wanna be free’ en aarzelt niet te citeren van wie en wat ze vrij wil zijn, eindigend met ‘Wanna be free of bullshit’, wat ze meteen preciseert als ‘nobody is illegal, nobody is illegal’…

Ook het volgende lied is een hommage, meer bepaald aan trompettist Bert Joris, die ze mateloos bewondert. Ze zag deze veelzijdige rasmuzikant, bigband leider en componist ongetwijfeld aan het werk met het Brussels Jazz Orchestra. We volgen haar volledig in die bewondering, want Joris is, dat weten niet alleen jazz liefhebbers, niets minder dan een fenomeen. Een mooi vraag en antwoord spel met Ewout volgt op de piano solo. Volgt de hierboven deels beschreven familiale anekdote als intro op een erg geslaagde anti-apartheidssong. Ze wil ons laten zingen met de typische tongslagen, maar het resultaat laat op zich wachten… We blijven oefenen, Tutu! Ze sluit het concert af met een uitgewerkte versie van ‘Brother (of: Buddy), Can You Spare A Dime’, één van de bekendste songs uit de Great Depression, geschreven in 1930 door ‘Yip’ Harburg en componist Jay Gorney.

De song werd toen gesaboteerd door de Republikeinen die er anti-kapitalistische propaganda in zagen! Per toeval werd Franklin Delano Roosevelt op dat moment verkozen als president en dat zorgde ervoor dat de plannen om de song te boycotten weer werden opgeborgen… Bing Crosby, Rudy Vallee en veel later George Michael hebben er bekende versies van gemaakt. Opnieuw haalt Tutu haar volledige vocale kunnen boven en in het begin gebruikt ze eventjes zelfs looping. Gans aan het einde wordt het nummer zowaar een township feest met handgeklap en opnieuw het éénvrouwskoor. Het is een knappe apotheose, maar men blijft om een bisnummer vragen. Daarin gaat ze bijzonder hoog, letterlijk een climax in het concert. Maar het kan evenzeer symbool staan voor de uitzonderlijke kwaliteiten van een topduo, bestaande aan een all round zangeres met een gouden stem en een onberispelijke technische beheersing, en een pianist van eerste orde…

 

Antoine Légat (14 11 18)

Advertenties
Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

‘BEYOND THE FLAGS’ in Cultuurkapel de Schaduw in Ardooie op vrijdag 9 november 2018.

Zie ook http://www.rootstime.be, sectie ‘LIVE’

BEYOND THE FLAGS in Cultuurkapel de Schaduw in Ardooie op vrijdag 9 november 2018: ‘Ondanks dit vrolijke, uitgelaten einde was er bij sommigen toch het weeë gevoel dat hiermee een einde kwam aan een wereldreis die negen jaar duurde, die vele mensen uit vele culturen voor even bijeenbracht in naam van vrede en wederzijds begrip. Er zal onvermijdelijk wel een nieuw ‘Beyond The Flags’ opstaan…

 

De achtste editie van het ‘Beyond The Flags‘-vredesconcert was meteen de allerlaatste, dat was het allereerste waar de traditionele concertmeester, schrijver en stand up comedian A. Whitney Brown ons mee confronteerde. Je voelde de droefheid in het publiek, dat voor het merendeel bestond uit de trouwe bezoekers van deze concertreeks. Jaar na jaar hadden muzikanten het beste van zichzelf gegeven met slechts één sabbatical, in 2017, met de bedoeling er tegen dit jaar met des te meer goesting aan te beginnen. Zo pakte het inderdaad uit, maar voortaan zullen we deze internationale afspraak missen, die aangekondigd werd als ‘Peace concert with an amazing international line-up in honor of Remembrance Day, November 11th 1918’. Internationaal kon je het gebeuren wel noemen: ze kwamen van heinde en ver, de dames en heren die hun afschuw van wapengeweld kwamen vertolken in zoetgevooisde klanken. Van in den beginne was er de as Vlaanderen-Texas, dankzij Carolyn Wonderland, blues- en rockartieste, die men vaak betitelt als een kruising van Bonnie Raitt en Janis Joplin. Maar de contacten reikten tot de andere kant van de planeet. Dat gold ook voor de muziek (en de poëzie!) die al die tijd aan bod kwam.

Beyond The Flags’ werd ingericht door de jonge en dynamische vzw Cultuurkapel De Schaduw in het kleine Ardooie. Zij wilde de diversiteit in het West-Vlaamse cultuurleven stimuleren. Maar de initiatiefnemer is Conrad De Mûelenaere die met niet-aflatende ijver getalenteerde musici van zeer verschillend pluimage samenbracht en met elkaar verbond. Hij had ook een grote inbreng in de songkeuze. Alles wel beschouwd vormde deze achtste editie een mooie hommage aan de vorige edities, met een aantal klassiekers die men hernam, en met de namen die zelden of nooit afwezig waren in het verleden: naast Carolyn en echtgenoot A(lan) Whitney Brown, waren dat Kimberly Claeys, beter bekend als Little Kim, één van onze fijnste zangstemmen, zoals Guido Belcanto en Ray Benson (van western swing iconen Asleep At The Wheel) beamen, en Luiz Márquez, de Mexicaanse tovenaar op saxen, harpen en fluiten (de schelpen, ocarina’s en andere exotische instrumenten, versta: instrumenten van voor de komst van de Spanjaarden in het begin van de 16e eeuw, had hij thuisgelaten) Ook viool- en mandolinewizzard Nils De Caster gaf present, maar de grote afwezige was vanzelfsprekend Nils’ vaste gezel van in de dagen van The Pink Flowers, Bruno Deneckere.

Die zat nl. in een drukke concertronde met Brendan Croker, ook de betreffende avond, vrijdag 9 november. De rol van Bruno over de jaren heen kan men niet onderschatten, wat het gezelschap niet naliet in het zonnetje te zetten. Een meer persoonlijke tegenvaller was het feit dat Carolyn ziek was, al hebben de toeschouwers daar nauwelijks iets van gemerkt, toch niet tijdens haar performances. Zij had haar band bij, met ouwe getrouwe slagwerker Kevin Lance, die met zijn welgemikte meppen de hele avond waar nodig van ritmes in alle geluidsvolumes voorzag. Nieuw was sympathieke elektrisch bassist Greg Zrab, maar die voelde zich alras als een vis in het water en wellicht was hij even bedroefd als de ‘ervaren ratten’ aan het eind van een avond die we toch weer als memorabel mogen boekstaven. Ook de andere nieuwe namen kweten zich uitstekend van hun taak.

Zeer opvallend in zijn rol was bluesgitarist en -zanger Arne Demets, die menigeen zich nog herinnert als de jonge god van powertrio The Blues Vision, maar sindsdien in vele blues gerichte combinaties schitterde. Al meteen na de intro en de voordracht van ‘Duizend Soldaten’, de tot symbool van de oorlogsgruwel geworden tekst van Willem Vermandere, met het prangende ‘altied iemands voader, altied iemands kind’, mocht Arne de registers opentrekken in een nietsontziende versie van ‘Machine Gun’ van Jimi Hendrix. Zo heftig zou het daarna niet meer worden, maar als wake-up call zowel voor doden als levenden kon dit tapijtbombardement tellen. Dat was allicht de bedoeling: met oorlog valt niet te spotten! Arne zou daarna uitgebreid tonen dat hij uitgegroeid is tot een veelzijdig gitarist die onder anderen ook weet wat begeleiden is.

Ook nieuw was zangeres Sara De Smedt die kleinkunst studeerde aan Herman Teirlinck en met Mary’s Bleeding Heart een boeiend project opstartte. Haar stem sloot uitstekend aan op die van Kim. Ook voor blues en roots singer-songwriter Ed De Smul (Ed De Smul Band; Ed And The Gators) was dit een ‘vuurdoop’ maar met zijn gekend enthousiasme en tomeloze inzet nam hij waar mogelijk en wenselijk het voortouw. Vooraf niet aangekondigd was de inbreng, net na de pauze, van Eds dochter Silke Catteeuw-De Smul (voor Alan een perfect onuitspreekbare naam, al probeerde hij het meer dan eens) Ze liet een opname horen die ze maakte van ‘Welterusten, Meneer de President’, bekende protestsong uit 1966 van Boudewijn De Groot op tekst van Lennart Nijgh. Die opname werd gelijkgeschakeld met tekeningen die de veelzijdige Silke speciaal hiervoor had gemaakt. Dat zorgde voor een bijzonder gesmaakt moment.

Een deel van de songs kwam al eerder in ‘Beyond The Flags’ aan bod, maar ze kwamen opnieuw langs als oude vrienden die nooit te vroeg en altijd te laat langskomen. En de liederen die voor het eerst (en laatst) langskwamen, sloten goed aan bij het thema, dat ruim genoeg bemeten was om uit te rijzen boven het sloganeske en het eng anti-oorlogskarakter. We lichten er enkele songs uit, niet chronologisch en zonder specifieke voorkeur, want ondanks de eens te meer erg korte tijd om het repertoire in te studeren kregen ze alle een gepaste uitvoering. ‘Terre de mère’ is de ver- of hertaling door Lieven Tavernier van het machtige ‘Motherland’ van Natalie Merchant (van het gelijknamige album dat ze enkele dagen voor 9/11 afwerkte, maar dat inhoudelijk wonderwel past in het tijdsgewricht) Later zou ook ‘Dis-moi si la vie vaut la vie’, de bewerking die Lieven Tavernier maakte van ‘Ik zou eens willen weten’, dat Jules Decorte in 1957 ons collectieve geheugen inzong. Kim, Nils, Sara en Arne zongen elk een stuk zoals bij wel meer nummers gebeurde. Het gezelschap bracht een heel eigen versie van ‘War’ van Edwin Starr (‘War… What is it good for? Absolutely nothing!’; de hit dateert van 1970 en valt dus te begrijpen binnen de Vietnamoorlog) ‘Last Letter Home’ van Roland en ‘Soldiering On’, opener van de meest recente cd van Mary Gauthier, ‘Rifles And Rosary Beads’, een werkstuk met een bijzonder merkwaardige ontstaansgeschiedenis. Carolyn bracht met band ‘Come Together’, dat ze samen met Ruthie Foster schreef, song die ook telkenmale aan bod kwam in de vredesconcerten. Ze droeg ook haar steentje bij in het bundeltje songs over het vluchtelingenprobleem in ‘Room At The Inn’.

De poëzie bleef ditmaal beperkt, wat de flow van het concert beslist geen kwaad deed en tegelijk de aandacht richtte op de gedichten zelf. A. Whitney Brown droeg voor wat vorige maal door merg en been ging, onder meer een pakkende tekst over de oorlog in Afghanistan, die zinspeelt op het overbekende, zeg maar archetypische ‘In Flanders Fields’ van Canadese legerarts John McCrae. Het instrumentale en virtuoze stuk op rietfluit door Luiz Márquez leek op het eerste gezicht dan wel geen connotatie met het spook van de oorlog te hebben, maar de weidse rust die dit lied over de Mexicaanse bergen uitstraalde, vertolkte al evenzeer de weldoende gedachte aan vrede. De problemen aan de grens tussen de States en Mexico mocht niet ontbreken. Nils en Sara brachten ‘Tijuana’ van J.J. Cale, met Luiz op soprano sax, en dat ging verder met ‘Across The Borderline’ dat Ry Cooder pende samen met Jim Dickinson en John Hiatt (voor ‘Get Rhythm’, 1987), nu met Luiz op harp. Al even indrukwekkend was de uitvoering van het schrijnende ‘1917’ van David Olney, over wie Nils volkomen terecht zei dat hij één van de grootste singer-songwriters in de V.S. is. Kippenvel bij het herhaalde ‘Tonight the war is over’…

Carolyn en band zetten de finale in met ‘Nobody’s Fault But Mine’ dat gospel en blues pionier Blind Willie Johnson voor het eerst opnam in 1927. Net als zijn ‘Soul Of A Man’ werd het eindeloos opgenomen. Ondanks haar fysieke problemen gaat Carolyn erg diep in dit nummer, dat ze graag live speelt. Meteen volgt het klapstuk, wanneer allen het podium opkomen voor de klassieke uitvoering van ‘Masters Of War’ van Bob Dylan, gemixt met de vertaling ervan door Wannes Van de Velde, ‘Oorlogsgeleerden’. Om beurten zingen Nils, Sara, Carolyn, Arne, Kim, Ed afgewisseld met solo’s. Er is de bandpresentatie en Ed zingt de laatste strofe nog eens. Bissen kunnen niet uitblijven en dat zijn, in lijn met eerdere edities, de meezingbare negro spiritual ‘Down By The Riverside (Ain’t Gonna Study War No More)’, heel populair in het sixties tijdperk van de protestsongs, en het afrondende ‘Let’s Work Together’. Oorspronkelijk heette dat ‘Let’s Stick Together’. Bluesman Wilbert Harrison schreef het in 1962 en maakte het enkele jaren later tot een hit, maar men kent het vooral van de versies van Canned Heat (1970) en vooral Bryan Ferry (1976/1988) Ondanks dit vrolijke, uitgelaten einde was er bij sommigen toch het weeë gevoel dat hiermee een einde kwam aan een wereldreis die negen jaar duurde, die vele mensen uit vele culturen voor even bijeenbracht in naam van vrede en wederzijds begrip. Rallies als deze zijn een noodzaak, zelfs niet alleen in onze bewogen tijden. Er zal dus onvermijdelijk ooit ergens wel een nieuw ‘Beyond The Flags’ opstaan.

 

Antoine Légat.

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Commentaren bij ‘FIND’

Comments on songs, CD’s and artists pending – De commentaren zitten nog in de pijplijn…

FIND. 1/ Find Love And Let It Kill You (CRAYON SUN, cd Crayon Sun) 2/ River Takes The Town (THE WOOD BROTERS, cd One Drop Of Truth) 3/ The Storm Won’t Come (Richard THOMPSON, cd 13 Rivers) 4/ Color Blind (THE MAGPIE SALUTE, cd High Water 1) 5/ Hunger (FLORENCE AND THE MACHINE, cd High As Hope) 6/ Radiator 110 (Boz SCAGGS, cd Out Of The Blues) 7/ Where Are You? (CRAYON SUN) 8/ Strange As It Seems (THE WOOD BROTHERS) 9/ The Rattle Within (Richard THOMPSON) 10/ Sister Moon (THE MAGPIE SALUTE) 11/ Patricia (FLORENCE AND THE MACHINE) 12/ Those Lies (Boz SCAGGS) 13/ Zombie (Camille BLOOM, cd Pieces Of Me) 14/ Wayfaring Stranger (CRAYON SUN) 15/ Can’t Look Away (THE WOOD BROTHERS) 16/ Bones Of Gilead (Richard THOMPSON) 17/ Hand In Hand (THE MAGPIE SALUTE) 18/ The End Of Love (FLORENCE AND THE MACHINE) 19/ Rock And Stick (Boz SCAGGS) (09 11 18)

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

SUGARAY RAYFORD in Banana Peel Blues Club (Ruiselede) Monday November 5th 2018 (English translation of introduction text)

English translation of the introduction text written for the site and mailings of Banana Peel Blues Club in Ruiselede (Belgium)

Sugaray Rayford

Monday November 5th 2018

 

Sugaray Rayford (currently 49) has been in the trade for some twenty years, and that trade is singing blues and soul. He simply was cut out for it, which was obvious from the moment he left the cradle, that stood in Smith County, Texas, in a place called Tyler, so to speak in the shadow of the church, the Bethel Temple Church of God in Christ, where singing was the most (super)natural thing to do. Oh, boy, Caron Nimroy Rayford (his real name) was keen on going to church when he was just a toddler, maybe four years ‘old’. Make an educated guess why! Of course he was and is deeply religious, but there they were, those heavenly sounds from the local choir. Of course he quickly sang along, but there and then he also played the… drums. Life wasn’t as friendly as it may sound, because Caron experienced poverty, something no one should. To make things worse his mother died when he was still very young.  Grandma took care of him, gave him enough to eat, so Caron could grow up to be the jolly giant he is now, ‘6 foot 5’, or as we Europeans say 1,95 m! This way he could go to church every day. Rayford mainly grew up on a diet of gospel and soul. His uncle, with whom he lived during summer, gave him the opportunity to listen to other kinds of music, Johnny Taylor amongst others.

Then Rayford moved to San Diego, California: he was just twelve when he sang in an R&B band. But music had to give way for a ‘normal’ life, for fifteen long years on. He did odd jobs, as a… bouncer, for instance: he could easily capitalize on his size. But his visionary wife encouraged him to go and sing again. ‘She believed in me long before I believed in myself’ Cherchez la femme! Sugaray sometimes joined in on a song in a club, where he used to pass by from time to time, and people were always impressed by his overpowering voice.  The blues came into his life when the bass player of the band in that venue, The Alley club, gave him a book with no less than 2500 blues artists, a volume he devoured in the months after that. It nurtured the idea that the blues in its authentic form was his thing. Nevertheless, Sugaray sang another five years in a big, trendy R&B outfit.

But the blues wasn’t ready to let him go. As lead singer of the Aunt Kizzy’s Boyz he made an album, ‘Trunk Full Of Blues’ (2004) With this record the Boyz represented San Diego in the IBC, the International Blues Challenge. In 2006 the Boyz were runner-up! A member of the jury, the influential Randy Chortkoff, wasn’t really convinced of Rayford’s talent before he heard him sing, much later, in a band with no one less than UK blues pope John Mayall. Chortkoff flew Rayford over to Spain to join the Mannish Boys (Chortkoff was in fact the one who started the band at the end of the nineties) The legendary Finis Tasby was, after an already fruitful and imposing career with many blues giants, the singer and frontman of the Mannish Boys, since the beginning, but his health started to let him down. A stroke would finally get the better of him in 2012. He died two years later. Tasby learned Sugaray all the tricks of the trade, the do’s and don’ts of showmanship, in particular the métier of the band leader. Therefore Rayford still speaks highly of Finis Tasby, a man he looks at with awe, admiration and immense gratitude.

In 2010 Sugaray self-released ‘Blind Alley’, but it’s follow-up ‘Dangerous’ (2013) that forces the breakthrough. Sugar Ray Norcia (who brought on songs like the masterful ‘Two Times Sugar’, which of course points at Rayford and himself!), Big Pete, Kim Wilson, Kid Andersen and ‘Monster’ Mike Welch do their bit in ‘Dangerous’. It’s an album as an uppercut, like the ones Sugaray’s namesakes in boxing so often devastatingly delivered, Sugar Ray Robinson and Sugar Ray Leonard. Oh, so you are wondering where Rayfords nickname comes000 from? There’s a simple explanation: he always seemed to come right of the wardrobe, always impeccably dressed. The ladies want something too… We don’t know about that, but…to our taste, Sugaray may come over and deliver his marvellous version of ‘Preaching Blues’ (Son House) anytime… To name but one gem in his repertoire…

To complete the discography, we have to mention the release of ‘Southside’ in 2015, while his most recent album is ‘The World That We Live In’ (2017; Blind Faith Records) In Banana Peel our likable giant will feature his regular American tour band, a posse of top musicians, with horns from London, but these often work with him too.

 

Antoine Légat.

Line-up: Sugaray Rayford zang – Alastair Greene gitaar – Drake Shining keys – Allen Markel bas – Lavell Jones drums – Aaron Liddard sax – Giles Straw trompet

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

ALAW, Dead Man’s Dance (Dawns y Gŵr Marw).

Dit stuk verscheen online op http://www.rootstime.be, sectie ‘CD/DVD RECENSIES’, op 7 november.

ALAW, Dead Man’s Dance (Dawns y Gŵr Marw).

 

Hoewel ze beide prat kunnen gaan op verwijzingen naar ‘roots’, een eigen worteling, is het water diep tussen de muziek die op Rootstime aan bod komt en wat met het label ‘folk’ kan gemerkt worden. We gaan hier bewust bijzonder kort door de bocht: er zijn natuurlijk raakpunten, bressen in de muur en cross-overs, noem maar op, maar je kan stellen dat in essentie de blues (de syncope, blauwe noten, …) staat tussen folk en wat we afgerond rootsmuziek kunnen noemen. Maar er is ook ‘loepzuivere’ folk die, zonder inbreuk op de traditie, maar eventueel wel met een interne vernieuwingsdrang, zo sterk van concept en uitvoering is dat ze ook een rootsfan met zin voor avontuur kan bekoren.

Afgelopen jaar rekenen we daar de liveplaat van The Gloaming bij, ‘Live At The NCH’. Deze Iers-Amerikaanse band maakt het je verdomd niet makkelijk, maar de beloning is driedubbel. The Gloaming serveert Ierse muziek van een bloedstollend superieure muzikale en vocale klasse. Genre-overschrijdend, mede dankzij de dwarse piano-accenten van (tegenwoordig) New Yorker Thomas Bartlett alias Doveman.  Al even enthousiast waren we in 2018 over de tweede soloplaat van Olivia Chaney, ‘Shelter’, die confirmeert wat we na ‘The Longest River’ (2015) konden vaststellen. Je mag Chaney gerust een folk singer-songwriter noemen in de lijn van wat de Schotse Karine Polwart al jaren doet (dit jaar ook weer present met ‘Laws Of Motion’) Bezige bij, die Chaney, die ook haar zeer geprezen medewerking verleende aan het prachtige ‘Folk Songs’ van het Kronos Quartet (net als Rhiannon Giddens, Natalie Merchant en Sam Amidon) en aan het Offa Rex project, ‘The Queen Of Hearts’, waarop Olivia Chaney wordt bijgestaan door The Decemberists (beide albums uit 2017)

Nog zo’n straffe madam is Schotse zangeres en multi-instrumentalist Julie Fowlis, die haar naam in het verleden verbond aan een hoop boeiende projecten. Dat haar naam voor kwaliteit staat, bewijst haar vijfde soloalbum ‘Alterum’, met ‘Shelter’ van Chaney het beste wat op dit vlak mocht verschijnen dit jaar, volgens onze helaas beperkte kennis toch. Al is er ook nog het ijzersterke ‘Between The Earth And Sky’ van Lankum, dat zich na het sublieme ‘Cold Old Fire’ uit 2014, toen nog onder de naam Lynched (te veel ongewenste associatie met racistisch geweld), hernoemden naar de oud Ierse ballade ‘False Lankum’, die handelt over een… kindermoordenaar. Het zegt niets over de muziek, die toont dat ‘traditie’ niet hoeft te staan voor ‘saai’. Alle vermelde platen verdienen meer aandacht en vooral luisterende oren, maar we willen hier even wat langer stilstaan over het Welshe folktrio Alaw.

Was u erbij op Brosella Folk 2018 op zaterdag 7 juli in het Groentheater aan het Atomium, dan kan u het getuigen: tussen het verrassend sterke aanbod behoorde Alaw, trio uit Wales, tot de uitblinkers: Dylan Fowler (gitaar, piano, mandocello, lap steel…), Jamie Smith (zang, accordeon) en Oliver Wilson-Dickson (zang, viool) vormen samen Alaw, als band nog pril, maar de leden hebben, soms apart maar ook vaak tezamen, flink wat weg afgelegd, o.a. met Jamie Smith’s Mabon. Dylan Fowler kennen folkfans als vaste gitarist van niemand minder dan Julie Murphy en als bezieler van Fernhill. Oliver Wilson-Dickson ontplooit ook al een drukke activiteit, zo met storyteller Daniel Morden, zowel in duo als in The Devil’s Violin. Je vindt Oliver ook met accordeonist Luke Carver Goss met sessies en workshops met kinderen en met dementen. Geregeld werkt hij zowel voor BBC 4 als voor de Welshe TV.

De Welshe traditie is het kloppende hart van Alaw, vertolkt of herschreven met een aanstekelijke passie. ‘Dead Man’s Dance (Dawns y Gŵr Marw)‘ (genoemd naar het openende ‘Dawn’s Soig – Dawns y Gŵr Marw’, een dans tune uit Alawon John Thomas’ ‘A Fiddler’s Tune Book From The Eighteenth-Century Wales’) is de opvolger van debuut ‘Melody’ (‘alaw’ betekent melodie in het Welsh!) Toen was het al traditie wat de klok sloeg. Op de nieuwe krijgt Alaw krijgt enkel assistentie van zangeres Georgia Ruth en zanger Gwilym Bowen Rhys, maar dat is dan ook de top van de Welshe zang. Ruth schittert bvb. in het sober gearrangeerde ‘Y G’lomen’. Alles wat Alaw doet op ‘Dead Man’s Dance’, getuigt van een ongelofelijke precisie en kunde, een fijnzinnige subtiliteit en een overrompelend enthousiasme, zoals op Brosella. Wat extra opvalt is de sterke verweving van het erfgoed met een handvol nieuw geschreven songs en herwerkingen.

De eigen, Engelstalige stukken blenden perfect in met het traditionele werk, dat blijkbaar zorgzaam werd geselecteerd. Het afsluitende ‘When It’s Gone’ van Oliver Wilson-Dickson moet één van de mooiste ballads zijn van 2018, al is het instrumentale ‘Iâr Fach yr haf’ van Dylan Fowler begiftigd met een al even zalige ‘oude’ melodie. Schitterend voorbeeld van versmelting is de herwerking in Welsh van sea shantySantiana’ van John Glyn Davies (1870-1953), een nummer met een geweldige drive, folk zonder rock, maar met een gelijkaardige spankracht. ‘Dead Man’s Dance (Dawns y Gŵr Marw)‘ van Alaw is een ontdekkingsreis doorheen een iets minder belichte kant van de traditionele muziek van de Britse eilanden met drie ervaren gidsen aan het roer. En tegelijk biedt ze een wissel op de toekomst van de Angelsaksische folk, net als de andere eerder vermelde werkstukken.

Antoine Légat (03 11 18)

http://www.alaw-band.com/

Volledige beluistering cd:  https://alaw.bandcamp.com/releases

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

MINYESHU, Daa Dee (English translation)

MINYESHU, Daa Dee, ARC EUCD2782 (appeared in Dutch on http://www.rootstime.be)

 

Minyeshu Kifle Tedla, commonly shortened to Minyeshu for the many friends, is an Ethiopian singer who makes music in tune with the well known Ethiopian grooves, as they were alive and kicking in the seventies… until the political climate practically shut down the music in 1978. Singer Aster Aweke went to the States to continue her career over there. Slowly climate changed for the better. Clearly she still appeared to be very popular at home. In 1997 she performed in the capital Addis Abeba… before 50.000 ecstatic fans. Mulatu Astatke is the father of Ethio-jazz. The vibraphone, organ and conga player, orgelist, composer and arranger, was all but forgotten at a certain point, but since ‘Broken Flowers’, movie by Jim Jarmush (2005), his merits are again recognised in full. Our own country nowadays has at least one excellent Ethio-jazz band, Black Flower, with amongst others  saxophone player Nathan Daems, cornet player Jon Birdsong and drummer Simon Segers.

 

With ‘Daa Dee’ (13 tracks, more than one hour of music) Minyeshu adds a new pearl to the crown of Ethiopian world music. The title tune ‘Daa Dee’, translated as ‘Baby’s First Steps’, points at the ‘daa dee’ cheers (in Amharic, an Ethiopian Semitic language) of mothers to their children, when the toddlers undertake their first steps. It is a typical ‘titiza’, the Ethiopian counterpart of what we call ‘blues’, a song full of longing and nostalgia. It’s standing out because it forms a tender resting point amidst the uptempo, jazz driven offering. But it is as typical as all the other tracks tunes in its mix of traditional instruments like the masenqo (one string luth) and the washint, wooden flute with (generally) four holes, and of western instruments.

 

In ‘Yikerta’ (‘Apologies’) Minyeshu refers to her youth as an adopted child and to the many unanswered questions coupled with this upbringing. But now she apologises to all the mothers that took care of her because of her inconsiderate rejection of their advice (we have to rely on what we read about it in the comments, as our Amharic is as ‘good’ as our Pasjtoe, Urdu or Tagalog…) After a restrained start, the song gets its catchy, contagious rhythm that does right to the term ‘groove’.  Minyeshu was born in the city of Dire-Dawa but went to Addis Abeba where she discovered ‘father’ Mulatu Astatke and choreographer Tadesse Worku. It allowed her to share the stage with the great Ethiopian stars as Astatke en singers, the likes of Bizunech Bekele and Mahmoud Achmed. As a member of showcase ‘People to People’ she toured in no less than 35 countries.

 

In 1996 Minyeshu moved to Europe, more precisely to… Belgium! She didn’t feel safe at home anymore and she simply stayed here after the tour in which she participated. From here she went to Holland, where she still lives today. In 1998 she was asked to join Africa-Unite, a band with musicians from Somalia, Soudan and Ethiopia. In Eindhoven she started her own band, Chewata. She often performs in Germany too. ‘Yetal’ (‘Where Is It?’) deals with repositioning yourself in a whole new cultural context. But ‘Even if I changed my house / Moving on to a different life / I can’t replace my home’, a thought that also goes for the many homeless people that land in our regions these days.  But in the process she understood that ‘Home is me!’, a very significant realisation, because it helped her to make this record, wherein not the gloomy thoughts prevail, but instead the joy of homecoming, wherever this may be. ‘Daa Dee’ thus became a record of mixed emotions, like in ‘Anteneh’ (‘It Is You!’), where sadness concerning a long lost lover is matched with feelings of deep joy and inner peace. Or in ‘Enchet Lekema’ (‘Collecting Wood’), a lament about the hard labour of the women, hauling wood of the mountains day after day. Minyeshu manages to deliver all this in a catching vocal setting. The quality of the soings does the rest.

 

The lyrics by Minyeshu are not the first thing that strike you when listening to ‘Daa Dee’, unless you know Amharic, of course, but it’s the music that sprang from the cooperation with keyboard player (in fact multi-instrumentalist) Eric van de Lest, owner of the Daltoon Studio in the centre of Eindhoven. It’s a good thing Minyeshu didn’t need to ‘sell’ her soul to make the record: ‘Daa Dee’ merges perfectly into the Ethiopian music of sixties and seventies. Just listen to the highly infectious ‘Yeselam Ayer’ (‘Peaceful Air’) She knows exactly what she’s doing. It is in fact her fourth release after ‘Africa Unite’ (1999), ‘Meba’ (2002and ‘Dire Dawa’ (2008) She was and is a frequently asked for guest on the European and African stages, as participant in all kinds of benefits and projects (for instance she performed at the reputed world music Sfinks Festival in Boechout near Antwerp in 2013 with  ‘Azalai’) She was on stage with, amongst others, Salif Keita, Youssou N’ Dour, Angélique Kidjo, Baaba Maal, Marco Borsato, the Metropool Orkest.

 

As an artist Minyeshu has to come to full maturity with ‘Daa Dee’, which is to our taste one of the nicest African records of this year, though it has been produced in Eindhoven. For the Ethio-jazz it is an all important asset.

 

Antoine Légat (original November 1st – this translation November 5th 2018)

 

Info: https://www.arcmusic.co.uk/http://minyeshu.nl/

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Steve HOWELL & THE MIGHTY MEN Featuring Katy HOBGOOD RAY, Good As I Been To You

Te lezen in het pas verschenen nr. 107 van Back To The Roots, november 2018, blz. 51…

STEVE HOWELL & THE MIGHTY MEN FEATURING KATY HOBGOOD RAY:

GOOD AS I BEEN TO YOU

Out Of The Past Music OOTP 009

 

Steve Howell werd in Texas geboren, maar de familie verhuisde op het einde van de sixties naar Shreveport, Louisiana. Toen al had de jonge gitarist Mississippi John Hurt ontdekt. Dat was een echte game changer.  Al snel verslond Steve het werk van al die boeiende zwarte akoestische gitaristen en zangers van de vroege blues. Maar zijn interesse overspande gaandeweg zowat alle Amerikaanse muziekstijlen. Hij reisde de States en de UK door, speelde voor, bij en met muzikanten van stand, en werd alzo zelf meester in de fingerpicking. Tegenwoordig leeft hij in geboorteplaats Marshall, Texas. Het label van ‘Good As I Been To You’, Out Of The Past Music, verraadt de opzet: nieuwe uitvoeringen van oudere songs, waar Howell bijzondere binding mee had. Die elf songs ontstonden tussen jaren twintig en sixties. De uitvoering is doorgaans laid back, aangepast aan het vocale kunnen van Steve. Een paar keer neemt Katy Hobgood Ray de leadzang waar (Memphis Minnie’s ‘New Dirty Dozens’, ‘Easy Rider’ van Leadbelly) The Mighty Men vullen sober maar trefzeker in. Arthur ‘Blind’ Blake (zijn ‘You Gonna Quit Me’ levert de cd-titel), maar ook hits voor Gene Pitney, The Walker Brothers, Frankie Valli (een ontraamd ‘The Sun Ain’t Gonna Shine Anymore’) komen aan bod. ‘Fat Bacon’ (van grapjurk Andre Williams; 1957) is een hilarische opener. We genieten van het ingehouden ‘Come Back Baby’ (Walter Davis; 1940), ‘Bad Luck Blues’ (Blind Lemon Jefferson; 1926) en a capella railroad gospel ‘Lining Track’.

 

Antoine Légat

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen