Emmylou HARRIS, Duets (Voor Folkcorner Den Appel 9×9 juni 2017)

Emmylou HARRIS, Duets.

Sinds die bloedmooie ode aan haar overleden vriend en mentor Gram Parsons, ‘Pieces Of The Sky’ (1975), staat Emmylou Harris synoniem voor kwaliteit. Superieure country vormt de basis, maar ze liet zich nooit beperken tot één invalshoek. Met dit talent hoeft het niet te verwonderen dat compilatie ‘Duets’ (1990) veel meer is dan het samengaan van Emmylou met een country- of rockzanger of groep. Wie kan zeggen dat ze prachtsongs met Roy Orbison, Neil Young, Willie Nelson, The Band, George Jones, John Denver of Don Williams (met Townes Van Zandts ‘If I Needed You’) inblikte? De vroege opname van ‘Love Hurts’ met Gram Parsons laat niemand onbewogen.

Antoine Légat.

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

‘LIFE III’ in twee versies

Comments pending – commentaren onderweg

LIFE III – Elena Ledda Version. 1/ Cantu a dillu (Elena LEDDA, cd Live At Jazzinsardegna; 2008) 2/ Train Conductor’s Friend (STROGRASS, cd Brother Earth) 3/ Cumberland Gap (OLD SALT, cd Up River Overseas) 4/ Gore (CLARINET FACTORY, cd Meadows) 5/ O Thermastîs (ZIVANIA ENSEMBLE, cd Zivania kè Tsamarella – disc A) 6/ Adezzi a Saa (TONDO, cd L’adorable leurre) 7/ Zoë (KV EXPRESS, cd Zafon) 8/ Kardiokleftra (Nikos PROTOPAPAS, cd Tempo; comp. Kostas SKARVÈLIS) 9/ Rhapsody à six cordes (Joachim IANNELLO – Samson SCHMITT – Johan DUPONT, cd Rire avec Charlie) 10/ Lay Low (OLD SALT) 11/ Apô xeno Topo (ZIVANIA ENSEMBLE, cd Zivania kè Tsamarella – disc B) 12/ Portland Town (STROGRASS, comp. Derroll ADAMS) 13/ Luky Zelené/Meadows (CLARINET FACTORY) 14/ Wayfaring Stranger (OLD SALT) 15/ Berceuse pour Marius (KV EXPRESS) 16/ To Minore tis Avjis (ZIVANIA ENSEMBLE, Zivania kè Tsamarella – disc B) 17/ Sienda (Elena LEDDA) 18/ Dave’s Farewell (STROGRASS) (AL; 27 05 17)

LIFE III. 1/ Train Conductor’s Friend (STROGRASS, cd Brother Earth) 2/ Rhapsody à six cordes (Joachim IANNELLO – Samson SCHMITT – Johan DUPONT, cd Rire avec Charlie) 3/ Cumberland Gap (OLD SALT, cd Up River Overseas) 4/ Luky Zelené/Meadows (CLARINET FACTORY, cd Meadows) 5/ Adezzi a Saa (TONDO, cd L’adorable leurre) 6/ Apô xeno Topo (ZIVANIA ENSEMBLE, cd Zivania kè Tsamarella – disc B) 7/ Arrano Fandangoa (Kepa JUNKERA & SORGINAK, cd Maletak) 8/ Zoë (KV EXPRESS, cd Zafon) 9/ Portland Town (STROGRASS, comp. Derroll ADAMS) 10/ Lay Low (OLD SALT) 11/ Rire Avec Charlie (Joachim IANNELLO – Samson SCHMITT – Johan DUPONT) 12/ I Dhio Chires (Nikos PROTOPAPAS, cd Tempo; comp. Kostas KARIPIS, singing: Agathon IAKOVÍDHIS & Yorgos XINDÁRIS) 13/ Gore (CLARINET FACTORY) 14/ Marea Zumaian (Kepa JUNKERA & SORGINAK) 15/ Wayfaring Stranger (OLD SALT) 16/ Jardins fragiles (TONDO) 17/ To Minore tis Avjis (ZIVANIA ENSEMBLE, Zivania kè Tsamarella – disc B) 18/ Dave’s Farewell (STROGRASS) (AL; 30 05 17)

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

ESTATE in Arscene te Hansbeke op zaterdag 27 mei 2017

Zie ook http://www.rootstime.be, sectie ‘LIVE’

ESTATE in Arscene te Hansbeke op zaterdag 27 mei 2017: ‘Was Arscene, wellicht wegens het verlengde en erg zomerse weekend, niet gans gevuld, dan was dat niet te horen in het stormachtige, zeg maar zuiderse applaus

 

Ervaringen kunnen parallel lopen. Voor de internationale naam en faam van de Braziliaanse muziek is vooral één feit van cruciaal belang: de release van de mythische jazz/bossa nova plaat ‘Getz/Gilberto’ uit 1964, waarop het tot een unieke samenwerking kwam tussen Amerikaans saxofonist Stan Getz, Braziliaans gitarist João Gilberto en pianist Antonio Carlos ‘Tom’ Jobim, die zijn meesterlijke songs aanbracht. Dat werd in het licht gezet via de wereldsuccessen die zangeres Astrud Gilberto had met ‘Corcovado’ en vooral ‘The Girl From Ipanema’, van die plaat afkomstig. Dat was allemaal ook hier heel bekend. Toch lezen we dat drummer Tony Gyselinck in 1966 een Braziliaanse elektroshock kreeg via het aanhoren van Sergio Mendes & Brasil 66. We hadden precies hetzelfde voor in tijden waarin de media anders in mekaar zaten dan nu. Het resultaat was hetzelfde: de magie van alvast dat segment van de Braziliaanse muziek was iets waar je als muziekliefhebber én -beoefenaar niet onderuit kon.

 

Tony is een slagwerker buiten categorie. Zijn metronomisch exacte, complexe roffels zijn niet alleen in de jazzmiddens zeer gegeerd. Denken we maar aan The Rhythm Junks, het trio met mondharmonicavirtuoos Steven De bruyn en bassist Jasper Hautekiet. Tony’s liefde voor Braziliaanse melodieën en ritmes is opvallend. Zo maakte hij deel uit van Aqui Vem O Sol (Portugees voor ‘Here Comes The Sun’), boeiend initiatief van docent jazzpiano Johan Sabbe met Braziliaanse classics in de bossa nova, project dat maar een kort bestaan beschoren was. Spijtig, want hun concert in Arscene toonde potentieel. Bassist Gene Wild richtte Estate (Engels voor onder anderen ‘landgoed, domein, groot eigendom’) op. Toen Tony de groep vervoegde, wist hij dat Gene de ideale bassist is voor bossa en aanverwanten.

 

Omdat Gene niet van plan was om de hele tijd de klassiekers te spelen, ging hij op zoek naar (althans hier) minder bekende songs, wat een serieuze zoektocht moet geweest zijn. Uiteraard moest de ritmesectie toch een melodische aanvulling krijgen. En waarom dan niet gaan voor het kruim van onze muzikanten? De oude garde wordt vertegenwoordigd door Rony Verbiest, een reus als saxofonist en accordeonist. In deze context haalde hij echter bandoneon, klarinet en mondharmonica boven. Maar ook de jonge garde speelt mee in de persoon van pianist en toetsenman Bas Bulteel, winnaar van de Klara Muziekprijs voor Beste Jazz Cd 2015. Estate is daardoor een kwartet dat de liefhebber doet watertanden.

 

Maar de theorie betekent niet veel, als het hart er niet in zit. Daarom was het zo… hartverwarmend te ervaren dat de drie iets oudere heren in vuur en passie niet moesten onder doen voor de ‘jonge snaak’. Niet alleen was er de tomeloze inzet op het eigen instrument (of de eigen instrumenten), maar je zag ze ook naar mekaar glimlachen, telkens er een vaardige, snedige solo passeerde, en dat was eigenlijk slag om slinger zo. Rony speelt in de opener bandoneon en, ja, dat associeert men natuurlijk niet meteen met samba, bossa of tropicalismo, maar wel met Buenos Aires en de Argentijnse tango. Het is meteen het eerste huzarenstuk van de avond. Rony slaagt erin er geen huzarensla van te maken, maar danst netjes op de scheiding van beide landen met zelfs een korte, maar onmiskenbare verwijzing naar Astor Piazzolla. Het nummer begin en eindigt met een heerlijke roffel van Tony. In dat verfijnde slot is er zelfs plaats voor klarinettoetsen: aan de zuiderse zwier van de bijna uitsluitend instrumentale muziek beantwoordt grote finesse. In elk geval is het letterlijk een magistrale start van het concert.

 

Bovendien laten deze mensen plaats aan andere genres en lichaamsvreemde composities: ‘Photographia’ is een heerlijk Zuid-Amerikaans muziekje (met een va et vient van solo’s van bas, harp en Bas. ‘Triste’ is net het omgekeerde van zijn titel: de klarinet stuurt dit haast vrolijke uptempo nummer. Maar er is ook een compositie van Bas, ‘Time To Slow Down’, dat zich wel aan zijn titel houdt… al laat Rony zich op het einde meeslepen in een frivool slot. En Gene zingt zich doorheen ‘Sunny Side Of The Street’ (gepend in 1930; er is wat twijfel over het ware auteurschap, maar het lied werd een jazz standard… en meer) Het slotnummer van deel één is ‘Estate’ dat rustig begint, maar op het einde danig versnelt. Tony tovert met de stokken en het voetenwerk, maar eigenlijk is dat doorlopend het geval.

 

Ook de tweede set begint met bandoneon, maar nu klinkt ze wel opvallend ‘Braziliaans’. ‘Sous le ciel de Paris’ lijkt ver verwijderd van het basisgegeven, maar de intro/approach van Tony, waar Rony naar verwijst, zorgt voor de juiste sfeer in deze klassieker, die men al snel aan Edith Piaf, Juliette Gréco of Yves Montand linkt. Maar dit chanson werd voor het eerst gezongen door Jean Bretonnière in de gelijknamige film van 1951. Ook in de States werd het bekend als ‘Under Paris Skies’ via ondermeer Bing Crosby, Paul Anka en Duke Ellington. Er zijn niet enkel schier onbekende parels uit de Braziliaanse liederschat, ook een evergreen mag an bod komen: ‘Agua de Beber (Drinkbaar Water)’ is zo’n topper waarvan Tom Jobim de muziek schreef en de ginds terecht als een grote poëet beschouwde Vinicius de Moraes de lyrics bedacht. Hoewel ze beiden de eerste opnames ervan hadden, was het Astrud Gilberto die het in 1965 tot buiten Brazilië groot maakte.

 

Seresta – Samba For Carmen’ zet ons op weg naar een passend slotakkoord, het iconische ‘Bluesette’, dat Toots Thielemans zijn ‘social security number’ doopte. Al eerder viel het hoge Tootsgehalte op in het harpspel van Rony, maar hier leeft hij zich uit in het spoor van de grootmeester. ‘Bluesette’ krijgt een fraai arrangement aangemeten. Was Arscene, wellicht wegens het verlengde en erg zomerse weekend, niet gans gevuld, dan was dat niet te horen in het stormachtige, zeg maar zuiderse applaus: de aanwezigen konden dit duidelijk naar waarde schatten. Een bisnummer? Jawel. Maar geen vuurwerk meer, wel een tedere verstilde uitvoering van ‘What A Wonderful World’, song die te vaak gebracht werd door (veel) mindere goden. Maar het is en blijft ondanks die overbelichting een schitterende ode aan het leven en de vriendschap. Dat liet de eerste uitvoering van Louis Armstrong (1967) al uitgebreid horen en dat is dan ook de definitieve versie. Dankzij Rony’s harp is ook dit een memorabele uitvoering, wat bij uitbreiding geldt voor het hele concert. Nu maar hopen dat dit schitterende programma op vele plekken te horen zal zijn, de komende tijd…

 

Antoine Légat (30 mei 2017)

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Commentaren bij ‘BRYN’

BRYN – ‘A Fool For You’ version. 1/ Soothing (Laura MARLING, cd Semper Femina) 2/ Irene (Courtney Marie ANDREWS, cd Honest Life) 3/ Rebel Man (Bryn HAWORTH, cd Rebel Man) 4/ A Fool For You (DAVID BROMBERG BAND, cd The Blues, The Whole Blues And Nothing But The Blues) 5/ The Boat Is In The Barn (GRANDADDY, cd Last Place) 6/ Traveller (Martha WAINWRIGHT, cd Goodnight City) 7/ This Little Town (ZULEMA, Sing And Dance; 2015) 8/ The Valley (Laura MARLING) 9/ Rookie Dreaming (Courtney Marie ANDREWS) 10/ Why Are People Like That (Bryn HAWORTH) 11/ Delia (DAVID BROMBERG BAND) 12/ I Don’t Wanna Live Here Anymore (GRANDADDY) 13/ Rabbit Eye Movement (DIE ANARCHISTISCHE ABENDUNTERHALTUNG, cd Hineininterpretierung. DAAU spielt DAAU) 14/ Always This Way (Laura MARLING) 15/ Not The End (Courtney Marie ANDREWS) 16/ Love Me Like You Used To Do (Bryn HAWORTH) 17/ This Is The Part (GRANDADDY) 18/ One Of Us (Martha WAINWRIGHT) 19/ Nothing, Not Nearly (Laura MARLING) 20/ Easy Come Easy Go (Jon GINDICK, cd When We Die, We All Come Back As Music) (AL; 12 05 17)

BRYN – ‘Move A Mile’ version. 1/ Soothing (Laura MARLING, cd Semper Femina) 2/ Irene (Courtney Marie ANDREWS, cd Honest Life) 3/ Rebel Man (Bryn HAWORTH, cd Rebel Man) 4/ Move A Mile (Amelia CURRAN, cd Watershed) 5/ The Boat Is In The Barn (GRANDADDY, cd Last Place) 6/ Traveller (Martha WAINWRIGHT, cd Goodnight City) 7/ This Little Town (ZULEMA, Sing And Dance; 2015) 8/ The Valley (Laura MARLING) 9/ Rookie Dreaming (Courtney Marie ANDREWS) 10/ Why Are People Like That (Bryn HAWORTH) 11/ Delia (DAVID BROMBERG BAND, cd The Blues, The Whole Blues And Nothing But The Blues) 12/ I Don’t Wanna Live Here Anymore (GRANDADDY) 13/ Rabbit Eye Movement (DIE ANARCHISTISCHE ABENDUNTERHALTUNG, cd Hineininterpretierung. DAAU spielt DAAU) 14/ Always This Way (Laura MARLING) 15/ Not The End (Courtney Marie ANDREWS) 16/ Love Me Like You Used To Do (Bryn HAWORTH) 17/ This Is The Part (GRANDADDY) 18/ One Of Us (Martha WAINWRIGHT) 19/ Nothing, Not Nearly (Laura MARLING) 20/ Easy Come Easy Go (Jon GINDICK, cd When We Die, We All Come Back As Music)

BRYN’ is genoemd naar Bryn Haworth, singer-songwriter, (slide)gitarist en mandolinespeler (°1948), die we leerden kennen via de kleine lettertjes op massa’s platen (op 33 1/3 toerenplaten waren die tenminste nog leesbaar), vinylschijven waarop hij de snaren mocht beroeren. Maar hij bleek ook soloplaten te maken. Uit nieuwsgierigheid schaften we ons ‘Let The Days Go By’ (1974) en ‘Sunny Side Of The Street’ (1975) aan. Dat heeft ons niet gespeten. Daarna verloren we hem uit het oog, maar toen we ons afvroegen waar de man gebleven was, en of we die LP’s ook als cd’s konden kopen, kwamen we uit op zijn site. Het bleek dat Bryn intussen in alle stilte meer dan twintig full albums had uitgebracht. Dat hij en zijn vrouw Sally intussen het geloof hadden omarmd en hun volledige leven daarvan doordrongen is, heeft totaal geen invloed op zijn muziek. In de teksten zijn er soms wel verwijzingen, maar Bryn & Sally hebben niet te behoefte te preken of te peroreren. Lekkere muziek maken, daar komt het op aan. De selectie van songs voor ‘BRYN’ laat dat horen! Trouwens, niets dan bewondering voor hun intense werk voor gevangenen, dat ze als een wezenlijk deel van hun opdracht zien. De up-tempo nummers van Bryn en van Grandaddy brengen de cd iets meer in balans… Heu, Grandaddy?! Ja, da’s een terugkeer in stijl van de indierockband. Hun vier cd’s en een handvol fijne concertjes ten lande zijn we niet vergeten, maar in 2006 leek het sprookje voorbij, sprookje dat begonnen was in 1992. Het kwartet viel vooral terug op het studiowerk van Jason Lyttle. Ze waren wel weer bijeen sinds 2012 maar dat ze met nieuw werk zouden komen, hadden we niet echt verwacht. ‘Last Place’ gaat voort waar de band elf jaar tevoren mee bezig was. Intussen is stichtend lid bassist Kevin Garcia schielijk overleden (op 1 mei 2017, amper 41) maar het zijn de ladies die hier het meeste gewicht in de schaal werpen, figuurlijk wel te verstaan: de zesde cd van Laura Marling is een mijlpaal in haar loopbaan. Vandaar dat er hier niet minder dan vier nummers te horen vallen. Over deze ‘Semper Femina’ schreven we voor Folkcorner Den Appel ((web)shop Asse) het volgende: ‘Het staat sinds jaren getatoeëerd op haar dij: ‘Semper Femina’. Romeins dichter Vergilius zette er in de Aeneis ‘varium et mutabile’ voor, om aan te geven dat het in de vrouwelijke kunne ingebakken is om af en toe van mening te veranderen. Das Ewig-Weibliche! Al weet ze dat te relativeren, ze komt op voor het recht om zo te zijn op ‘Semper Femina’, haar zesde cd op negen jaar tijd. Die zet de introspectie verder van ‘Short Movie’ en toetst die aan relaties, man-vrouw, maar vooral toch vrouw-vrouw (zie de clip voor opener ‘Soothing’!) Dat klinkt best ernstig, maar deze wereldwijze jongedame van amper 27 ademt muziek. Ze is sinds haar eerste levensjaren van huize uit gemarineerd in de (folk)muziek. Het leuke is dan ook dat ze die boeiende thematiek in briljante folksongs giet met fraai uitgewerkte, soms innoverende arrangementen (van Rob Moose die met Bon Iver werkte) Gitarist Blake Mills (productiewerk voor o.a. Conor Oberst, John Legend, Fiona Apple…) dipte ‘Semper Femina’ in een warm kleurenbad. Laura’s kristalheldere stem dwingt op elk moment de aandacht af.  Je denkt aan het raffinement van Jane Siberry en… Fiona Apple, maar Laura Marling is goed op weg om zelf een referentie te worden.’ De tweede dame is de zesentwintigjarige Courtney Marie Andrews, die op haar (ook al zesde!) cd met uitsluitend eigen werk vaak klinkt als de jonge Joni Mitchell (‘Irene’ is een blijver) Courtney Marie valt niet alleen te associëren met Damien Jurado (die ze bewondert en in wiens band ze gitaar speelt, al sinds 2011) en met Jim Adkins (van Jimmy Eat World), maar ook met ons land, want ze heeft een paar maanden gezongen en gitaar gespeeld bij Milow. Het is trouwens toen dat de songs voor ‘Honest Life’ vorm kregen… Martha Wainwright brengt twee songs aan van haar meest recente (let op de backings van broer Rufus!) en van de nieuwe Amelia Curran konden we nog één tune toevoegen (in de ultieme versie van ‘BRYN’) De rest zijn heren. Multi-instrumentalist (op bijna alles wat snaren heeft) David Bromberg, intussen 71, mag dan wel vooral bekend zijn als bluegrass en country (C&W) artiest (‘Amerikaanse folk’ dus), waarin hij zowat een Nationaal Monument is geworden, maar hij deed ook uitstappen naar rock, blues en jazz, en dat allemaal sinds 1960. Zijn fingerpicking stijl gaat terug op die van Reverend Gary Davis en zijn songteksten barsten van humor en milde ironie. Zijn nieuwste plaat staat gans in het teken van de blues. De songs met de grappigste teksten bewaarden we voor ‘BLUES 2017 – Volume II’. Maar niemand zal zeuren om deze selectie. Ook Jon Gindick vond op die cd meer plaats dan hier. Over hem schreven we: ‘Jon Gindick is niet zomaar een harmonicaspeler. Hij geniet grote bekendheid om zijn technisch kunnen, maar ook omdat hij een uitstekend lesgever is. Zijn boeken over de bluesharp zijn letterlijk millionsellers. Het door hem ingerichte Mississippi Delta Blues Harmonica Jam Camps gaat enkele malen per jaar door in het mythische Clarksdale, Mississippi, en in het aan de Stille Oceaan gelegen Ventura, Californië. (…) Hoewel hij vaker op de podia te horen was, naar verluidt meer dan honderd songs pende, en zelfs lesgaf in songschrijven, is ‘When We Die, We All Come Back As Music’ nog maar zijn debuut. Over het harpspel hoeven we niet te zeuren. Tien eigen nummers van brede variatie, onder de noemer ‘folk blues’, staan hem toe om zich ook als zanger te profileren, niet groots maar expressief (doet soms denken aan Ry Cooder, Nick Lowe…) De teksten lenen zich daartoe dankzij zinnige thema’s (…) ‘Easy Come, Easy Go’ is een fijne, verstilde uitsmijter. (…)’ En dan is er nog Zulema, de band van Frey Sturtewagen (zang, harp, gitaar, songschrijver) en Gerry D’Haeyer (drums, percussie, cajon) Die twee spelen al jaren samen, ook in bands als Catfish en The Suspects. Gerry was ooit nog de helft van Kuruki dat in 1981 een stevige Belpop hit had met ‘Crocodile Tears’. Later drumde Gerry nog bij Roland en Wim De Craene. Frey schreef tien freye, sorry, fraaie songs voor ‘Sing And Dance’ maar het emotievolle ‘This Little Town’ is een kroonjuweel. Oordeel zelf! (AL; 14 05 17; deze commentaren 23 05 17)

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

OLD SALT in Arscene te Hansbeke op zaterdag 13 mei 2017

OLD SALT in Arscene te Hansbeke op zaterdag 13 mei 2017: ‘… Volledig in de geest van ‘muziek van, door en voor het volk’, waar Old Salt model voor staat

Dan(iel) Wall nam in 2013 deel aan een wereldmuziek conferentie in Gracisce (Slovenië), voor de banjospeler, clawhammer style, ook een uitgelezen kans om eindelijk eens solo te performen. Dat was uiteraard een ideale gelegenheid voor extraverte en exuberante Dan, die zich toegelegd had op blue grass, ‘old timey tunes’, traditionals uit de Appalachen, maar ook eigen werk dat op de traditie aansluit, om andere horizonten te ontdekken. Hij botste er o.a. op Vlaming Johannes Wannyn. Johannes speelde bij zijn broer Joachim in folkband Strograss (wier tweede cd ‘Brother Earth’ korte tijd geleden uitkwam) maar had zich geprofileerd als Nederlandstalige singer-songwriter. Wannyn had een groep rond zich geschaard om zijn werk met meer opsmuk te brengen. Klassiek violiste Lotte Remmen, intussen Johannes’ eega, en (jazz)contrabassiste Lara Rosseel waren toen van de partij, net als drummer Jonathan Callens en gitarist/mandolinist Erik Schoepen. Ze wonnen de wedstrijd van Muziekmozaïek op de Gentse Feesten in 2013.

Om de zaken makkelijker te maken legden ze contact met de Zweed Anton Teljebäck (vijfsnarige altviool), waarop die tot de band toetrad. Op 31 januari 2014 zagen wij het hele gezelschap, minus Anton, in STAT68 (Aalter), hoofdzakelijk met het repertoire van Johannes. Daarmee zou hij enige tijd later trouwens derde worden in de NEKKA-wedstrijd. Een paar dagen na het Aalterse concert, in februari 2014, zaten Dan, Johannes en Lotte op een festival in Umeå in Zweden, waar ze percussionist Dave Barfoot uit Schotland inlijfden. Niet makkelijk om die bende bijeen te houden, maar ze stonden onder de nieuwe naam Old Salt als sextet (Dan, Johannes, Lotte, Lara, Anton, Dave) toch maar lekker op Dranouter en de Gentse Feesten, onder anderen. Eind 2016 waren ze klaar voor de volgende stap: de opname van een volledig akoestisch cd, deels met crowdfunding gefinancierd. Het zestal met de vier nationaliteiten nam ‘Up River Overseas’ op, in Umeå, Zweden, zes traditionals in eigen arrangementen, drie nummers van Wall, plus een afsluitende live versie van ‘Hobo’s Lullaby’. Intussen was Dan ook getrouwd met een Beierse schone, wat de afstand tussen hem en de rest van Old Salt toch wezenlijk verkleint.

Deze cd kwamen ze voorstellen in Arscene te Hansbeke op zaterdag 13 mei 2017. Het zou blijken dat die cd een goeie afspiegeling is van het repertoire en de sound van het podium… Maar de explosie van levensvreugde die Old Salt live genereert, kan je in een studio maar moeilijk vastleggen. Van een kickstart gesproken! Dan waren niet eens met zes, maar traden ze aan als kwartet, want Anton was belet en Dave is net vader geworden van een dochter. En bovendien hadden ze al het beste van zichzelf gegeven, die morgen in Sint-Amandsberg, Gent, toen ze er optraden met Gents volksmuzikant Wim Claeys. Toch hoeft het heilige vuur niet te verwonderen: Dan Wall, die in zijn jeugd in een vat toverdrank gevallen moet zijn, vuurt van in het begin zijn collega’s aan. Gezien zijn blue grass achtergrond, denk je al snel aan de dynamiek die bands stuwt als The Henhouse Prowlers, Chatham County Line, The Punch Brothers of onze eigen Sons Of Navarone. Na de spetterend uitgevoerde trads ‘Hang Me’ en ‘Church On Sunday’ (met een solo van Lara Rosseel) is het tijd voor een eigen song, ‘Lay Low’. Dan legt uit: ‘Ik schreef hem naar aanleiding van de ‘Occupy Wall Street’ beweging, maar ik merk dat de song nu actueler is dan ooit’. Iedereen zingt in de band, harmonie wel te verstaan, want Wall is de eeuwige solist. Nee, niet één micro zoals vaak bij blue grass gewoonte is. Dat zou in deze setting quasi onmogelijk zijn. Bovendien komen ook zoveel andere genres en stijlen aan bod.

Daniel speelt af een toe ook mondharmonica. Johannes houdt zich aan de akoestische gitaar, waarmee hij de belangrijke ritmische functie verzorgt. Lara vult passend in en laat op geregelde tijdstippen horen waarom ze één van ’s lands beste jazzbassisten is (een eerste cd van haar eigen gezelschap is onderweg) Lotte dient solistisch Dan van antwoord en ze heeft daar letterlijk en figuurlijk de handen mee vol. Bewonderenswaardig hoe ze meegaat in de snelheid van uitvoering. Je ziet bovendien aan haar expressieve gelaatsuitdrukking hoe ze meeleeft met de andere bandleden als er weer eens iets gebeurt dat niet voorzien was, als Dan zich in de aankondiging vergist van nummer bij voorbeeld, aanleiding tot hilariteit. Als in ‘Blues In A Bottle’ een snaar springt van de banjo (waarom verrast zoiets ons niet?!) ziet Dan zich verplicht over te schakelen op viool. Dat gooit de setlist wem overhoop, maar een bende die improvisatie hoog in het vaandel draagt maalt er niet om. Het unisono samenspel Dan-Lotte is indrukwekkend in het nieuw ingestudeerde ‘Nine Pound Hammer’, dat twee songs in mekaar draait, een mix die Old Salt wel vaker met succes maakt. Het eerste deel eindigt met een Schotse ballad, ‘The Blackest Crow’, meteen het hoogtepunt van de hele avond. Het schrijnende afscheid tussen geliefden toont een hele andere, lyrische kant van Dan Wall… In de foyer praat men na over dit pakkende lied. Of het op de komende plaat zal staan, weten we niet, maar die nieuwe komt er vlug aan, verzekeren de groepsleden.

De banjo heeft weer vijf snaren als deel twee start. Dan en Johannes steken van wal met een lied in een ons onbekende taal, maar het blijkt om een Sloveens visserslied te gaan, aangeleerd op het evenement in Gracisce in 2013. Het vormt de introductie tot het aloude, nooit te veel gecoverde ‘Wayfaring Stranger’ (of ‘(I Am A) Poor Wayfaring Stranger’; vroege negentiende eeuw), dat ook op de cd staat, en hier een prachtige uitvoering krijgt, voor ons een tweede hoogtepunt in het concert. Omdat Wall voelt dat dit publiek wil en kan zingen (er zitten ook een aantal muzikanten in het zaaltje), stelt hij ons danig op de proef, onder anderen in ‘Swing And Turn Jubilee’, dat onderdeel is van een set folksongs van diverse oorsprong. Rustiger gaat het eraan toe in ‘The Cherokee Trail’, een nieuwe compositie van Dan, dat een echo is van de trektocht van ondermeer de Cherokee indianen, halverwege de negentiende eeuw, niet echt een pleziereisje: deze ‘Trapper’s Trail’ werd soms ook ‘the trail of tears’ genoemd. Het nummer is zo nieuw dat Dan het nummer eerst nog op het toneel moet uitleggen aan zijn ‘leerlingen’. Het hoeft geen betoog dat dit weer aanleiding vormt tot joligheid en pittige publieksreacties. Maar je merkt daarna weinig of niets van deze ‘betaalde repetitie’, want het lied (hopelijk op de komende cd?) rààkt wel degelijk. Waarom geven droevige gebeurtenissen altijd aanleiding tot beeldschone liedjes? Lara rondt het solo af op de haar geëigende stijlvolle manier…

In love song ‘Yodel Waltz’ wordt er zowaar (mee)gejodeld op toneel en in de zaal. Opnieuw spelen twee violen (fiddles) een hoofdrol ‘Cumberland Gap’: instrumentaal en vocaal vuurwerk, want het gaat hier nog sneller dan op de plaat waar het de opener is. Bij het volgende ‘Oh Death’ is het, dat Dan even de mist ingaat: de song eindigt niet met een ‘Swedish polka’ maar een ‘Irish-American tune’. Dan lost de vergissing bijzonder elegant op. De solo van Lotte in dit nummer is straffe kost. Ook Johannes brengt een nieuwe song aan, ‘Thin Ice’. We hebben het vermoeden dat deze zowel lieflijke als aanstekelijke deun een vaste stek zal verwerven in de speellijst. Tijd om af te ronden. Na het dankwoord (waarin men eens te meer de lof van de kokkin des huizes uitgebreid bezingt… Arscene zal er een restaurant moeten bijbouwen, denken we) kondigt Dan het laatste nummer aan: ‘Ik hoorde dit traditionele ‘Boll Weevil’ in de versie van de fenomenale Punch Brothers, en ik was verkocht’. Dit insect, de zgn. ‘katoensnuitkever’, voedt zich met het blad van de katoenplant, maar was en is een bedreiging voor andere planten. Het moet intens bestreden worden want anders richt het een ware ravage aan. Zo boosaardig het insect, zo overrompelend de uitvoering. Old Salt haalt nog eens alles uit de kast, waarna, niet verwonderlijk, een staande ovatie volgt.

In het bisnummer horen we drie liederen kunstig in mekaar gewerkt, ‘Sail Away Boys’, ‘Let Me Fall’ (dat ook op de cd staat) en ‘Old Rocking Chair’. Daarna is het tijd voor een uitgebreide en erg langdurige verbroedering en verzustering in de foyer, volledig in de geest van ‘muziek van, door en voor het volk’, waar Old Salt model voor staat.

Antoine Légat.

P.S. Je kan de formatie aan het werk zien in het Arbeidershuis in Sint-Eloois-Winkel op zondag 21 mei, in de Missy Sippy Blues & Roots Club in Gent op dinsdag 23 mei, op het EWOB festival in Voorthuizen (NL; namiddag) op donderdag 25 mei, in de Brugse Stadsschouwburg (opnames DVD, Cultuurcentrum, Brugge) op vrijdag 26 mei, op de Sinksefeesten in Kortrijk op zaterdag 3 juni.

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

KATY TOO, Nine Lives.

Aanrader voor Folkcorner Den Appel, (web)shop te vinden bij ’t Smiske in het hart van Asse. Nu zaterdag 20 mei speelt Katy Too er met band…

KATY TOO, Nine Lives.

Donderslag bij heldere hemel? Schijnbaar uit het niets is er ‘Nine Lives’ van Katy Too, een uitstekende singer-songwriter plaat. Katy Too is de alias van Leen De Haes. Maar het laat zich raden: Leen is niet aan haar proefstuk toe. Ze gaf al een stevig visitekaartje af met ‘Quest Of Honey’ (2012), een cd die iets te veel onder de radar bleef. Voor ‘Nine Lives’ verruilde ze Toon Walgrave voor een andere topper, ebbenhouten Wigbert Van Lierde, om met een team ervaren studioratten de negen songs in goede banen te leiden. De schijnbaar overal presente Wouter Berlaen (bassist, singer-songwriter, arrangeur, studiorat, talentscout, clipmaker…) drukte bovendien zijn stempel op twee songs, niet toevallig de meest hitgevoelige uit het aanbod, ‘No Angel’ en ‘Darlin’ Tell Me Now’. Maar alle verdienste komt Leen De Haes toe. Ze is begiftigd met een warme, aangename en soepele stem, die overtuigt in swingende rocksongs zowel als in breekbare ballads. Ze kan er verfijnd uitdrukking mee geven aan een hele scala aan grote en kleine emoties. Die ze giet in fraai gedraaide songs, waarvan de teksten voor een meerwaarde zorgen, want Leen heeft haar Umwelt goed geobserveerd. Donderslag? Dat weten we nog zo niet, maar de hemel blikkert wel helder voor Katy Too!

Antoine Légat.

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

SHEEWAWAH in Arscene te Hansbeke op zaterdag 29 april 2017: ‘Kant brengt inderdaad loepzuivere blues… Maar in het Nederlands!’

Zie ook http://www.rootstime.be

 

Jeroen Kant is niet meer! Vooraleer er van alle kanten rouwbetuigingen binnenrollen: het is de artiest ‘Jeroen Kant’ die schielijk overleden is. Jeroen is niet meer. Vanaf nu is er het trio Sheewawah, We koesteren het hele sterke vermoeden dat het maar een tijdelijk verscheiden is en dat verrijzenis steeds mogelijk is, ja imminent is. En dat is zodra Jeroen opnieuw een stevige koerswending maakt. Het zou niet de eerste zijn van de rusteloze Nederlander met de zes handen en drie hoofden.

Vermoedelijk stellen vele rootsliefhebbers zich nu de vraag: ‘Maar wie is toch die Jeroen Kant? Nooit van gehoord!’ Wij ontmoetten hem voor het eerst in oktober 2010 bij het optreden van het Nederlands-Australische Big Low in Arscene, in Hansbeke, dat toen in zijn eerste werkingsjaar zat. Hij trad zelf niet aan maar was met de band mee omdat hij met hun label ging werken. Dan Tuffy van Big Low introduceerde ons. Het was moeilijk om hoogte te krijgen van de toen 27-jarige spichtige en op zichzelf wat teruggeplooide jongeman. Maar we zagen wel dat hij een GG was, ‘Gene Geweune’ dus. Dat bleek ook zo te zijn toen zijn eerste plaat verscheen, inderdaad op Big Lows Smoked Recordings, ‘Goud of op je Bek gaan’ heette die, en werd aangeleverd door Jeroen Kant & Ratten In De Schuur. Wat hoorden we nou?! Nederlandstalige rootsmuziek! Naast een grote taalvaardigheid viel het op hoe dwarse Jeroen geen onderwerp uit de weg ging en alles direct verwoordde, zeer direct, sans gêne, rechttoe rechtaan, klinkt het niet dan botst het maar. Klinken deed het wel… Soms als Dimitri Van Toren, maar toch veel meer als de scherpste Boudewijn De Groot, als een Hollandse Tom Waits. Bovenal waren er fijne songs zoals je die nergens elders hoort in ons taalgebied: ‘Engelengeduld’, ‘Spuuglelijke Baby’ (yep, dàt is de toon), ‘Laat De Wereld Buiten’.

Er staan nog een paar Ratten op de loonlijst van opvolger ‘De Lafaard Kapitein’ maar deze cd staat op naam van Jeroen Kant alleen. Opnieuw geen rem op de formulering (luister maar eens naar ‘Gehuld in Zonnestralen’ of ‘Halve Zolenpad’), maar wel weer nieuwe pareltjes met het breekbare, desolate ‘Fris en schoon’ en ‘De Haven van Rotterdam’. De plaat komt nu uit op het eigen Bastaard Platen label, waarbij Jeroen zich ontpopt als een talentscout die een reeks boeiende artiesten die soms vér buiten de mainstream evoluerende muzikanten een kans geeft, onder anderen Duijf, Filip Noorman, oud-voetballer Björn van der Doelen; ook de al even eigenzinnige Matthijs Leeuwis met wie hij vaak samenwerkt en optreedt. Er komt een derde cd ‘Nooit genoeg’, die vooral aangeeft dat Jeroens inspiratie nog niet opgedroogd is: niet dat alles in zijn oeuvre voor Vlaamse oren even pruimbaar is (onder de Moerdijk wordt ‘Wat de Boer niet kent’ nooit een publiekslieveling…) maar voor ‘Nooit genoeg’, ‘Als een Kind zo blij’, ‘De Hemel huilt’ en het geweldige ‘Huis voor mijn Helden’ nemen we spontaan onze hoed af… En wat het lied over zijn vader, ‘Een Zucht’, betreft… Net als bij de vele familieleden van Loudon Wainwright III is het bij de Kants met elke nieuwe song bibberen en beven, of er misschien opnieuw een verwante ‘behandeld’ wordt… Rootsmuziek, dat betekent invloeden van rock, folk, jazz, maar ook blues, zoals die in de titelsong naar voor komt.

Vanaf dan is het Jeroen Kant & De Sheriffs en in die combinatie doet hij mee aan de NEKKA wedstrijd. In februari 2016 wint hij met glans de NEKKA Nacht (de set van toen kan je op YouTube terugvinden) We gingen hem kort voor die finale bekijken in Nederland en enkele weken geleden gaf hij samen met de in zijn thuisland razend populaire maar bij ons schier onbekende Gerard Van Maasakkers een dubbelconcert in Ô Werkendam, in De Muide, Noord-Gent. Van Maasakkers (uit Nuenen, Brabant) is de pendant van onze Wannes, Willem en Walter. Bij dat ‘concert’ waren er exact twaalf aanwezigen, de hond inbegrepen, en we zaten gewoon in de rondte. Beide heren vuurden toen de ene prachtsong na de andere af, waarbij het ons opviel hoe vaardig Jeroen Kant is op de (bij dit optreden akoestische) gitaar. De climax was niet onverwacht het duet ‘As ge ooit’, dat LDVD en verlangen ontwapenend vertolkt.

Arscene zocht al lang een passende datum en kondigde fier de komst aan van ‘Jeroen Kant & De Sheriffs’ voor zaterdag 29 april 2017. Maar die avond bleek dat Jeroen opgegaan was in zijn trio Sheewawah en dat hij strikt… blues zou spelen. De schrik sloeg om ons om het hart, want wat zou dat geven?! Men mocht redelijk aannemen dat Kant ook met de elektrische gitaar overweg kan (zoals op ‘Nooit Genoeg’ meermaals blijk) en het vooruitzicht dat hij de vurige (contra)bassiste Judith Renkema mee zou brengen, deed balsem op de wonde. Maar Judith kon er niet bij zijn. De gelukkig ook al uitstekende contrabassist Joris Verborght verving haar. Gino Bombrini drumde bij Ratten in de Schuur (en speelde kortgeleden met SKIP&DIE op Pinkpop) en kent zodoende Jeroen al vele jaren.

Welke bedenkingen we ook hadden en hoe totaal onbekend de man ook was bij het publiek van Arscene, Jeroen Kant overtuigde op drie minuten de aanwezigen van het feit dat hij in wezen een bluesmuzikant is: daar is zijn verhaal mee begonnen en je merkt dat hij weer thuisgekomen is. Hij zegt er zelf ongeveer het volgende over: ‘Tien jaar geleden ben ik begonnen met het schrijven van liedjes. Eerst was dat louter en alleen om een betere bluesgitarist te worden. Maar B.B. King, Albert King, Albert Collins, Freddie King en al mijn gitaarhelden zongen zelf ook, dan nog in hun eigen taal en idioom. Dus schreef en zong ik voortaan ook in eigen tongval, met de Nederlandse zachte ‘g’! Mijn aandacht verschoof naar teksten. Maar in de zomer van 2016 realiseerde ik me dat mijn loopbaan een tredmolen was geworden en dat ik weer plezier wou vinden in de muziek… En zon kwam ik weer uit bij de elektrische blues!’

Kant brengt inderdaad loepzuivere blues. Alleen dat Nederlands geeft een unheimlich gevoel… tot gewenning optreedt natuurlijk. De symbiose valt op, er is een blindelingse samenwerking tussen Jeroen en Gino, twee handen op één buik. Het trio barst van de gretigheid. Maar hoe zit het met de songs? Het valt op hoe metrisch juist Jeroens teksten bekken, zeker in deze vrij strakke context. We horen inderdaad bekend werk: ‘Nooit genoeg’ past hier als een handschoen, ‘Terug bij af’ werkt zelfs beter binnen dit stramien. Maar er is ook nieuw. Er is immers totaal geen sprake van een writer’s block bij deze ommezwaai, want net omdat hij geen songs meer ‘moest’ schrijven, kwamen ze eruit gerold. Het trage ‘Weemoed Blues’ handelt over een hoogst gezellige bruine kroeg in Tilburg, waar we beslist eens heen trekken. Het tweede deel begint met een spetterende instrumental, die het midden houdt tussen Bo Diddley, Dick Dale en Hank Marvin & The Shadows en die ze prompt ‘Sheewawah’ hebben gedoopt. De onorthodoxe solo van Gino maakte dit feestje compleet. Maar we hoorden ook elders al dan niet verre echo’s van bekende bluesacts als Cream en Canned Heat. En in ‘Nachtegaal’ legde Bombrini een mooie second line neer.

Een potentiële hit hebben ze al: wanneer Joris het erg meezingbare ‘Bluespolitie’ van een onorthodoxe basintro voorziet, zegt Jeroen ‘’Ik ben geen zwarte’, een opmerking die je pas volledig begrijpt als de tekst van het nummer doordringt: ‘Ik zing recht vanuit mijn hart’, maar de criticasters en puristen staan klaar om hem neer te sabelen om die moerstaal: ‘Ik wist niet dat de blues van jullie was’ krijgen ze blueslick op stuk. De song swingt als de builenpest. Als uit het gespeelde een bis mag gekozen, wordt dat unaniem een herneming van dit ‘Bluespolitie’. Intussen heeft Jeroen een cd vol nieuwe blues deunen. Hij heeft zelfs al een naam voor het project: ‘Alles in Kleur’, maar omdat de financiën ontbreken, wil hij het project uitvoeren via crowdfunding. Hij zit met de financiering boven de helft, maar binnen pakweg een maand hoopt hij hiermee rond te zijn. Er zijn vanzelfsprekend interessante tegenprestaties voorzien (*)

Jeroen praat zijn songs op een geinige, interactieve manier aan mekaar (ook dan geen zelfcensuur!) en ondanks een grote wereldwijsheid brengt hij een positieve boodschap over: in ‘Niks moeilijks aan’ zegt hij zelfs: ‘Waarom houden we gewoon niet met zijn allen van elkaar?’ De aanwezigen hadden geen enkele moeite om deze Jeroen Kant en zijn Sheewawah aan de borst te drukken…

 

Antoine Légat.

(*) Alle info https://www.voordekunst.nl/projecten/5279-sheewawah-alles-in-kleur

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen