OLD SALT in Arscene te Hansbeke op zaterdag 13 mei 2017

OLD SALT in Arscene te Hansbeke op zaterdag 13 mei 2017: ‘… Volledig in de geest van ‘muziek van, door en voor het volk’, waar Old Salt model voor staat

Dan(iel) Wall nam in 2013 deel aan een wereldmuziek conferentie in Gracisce (Slovenië), voor de banjospeler, clawhammer style, ook een uitgelezen kans om eindelijk eens solo te performen. Dat was uiteraard een ideale gelegenheid voor extraverte en exuberante Dan, die zich toegelegd had op blue grass, ‘old timey tunes’, traditionals uit de Appalachen, maar ook eigen werk dat op de traditie aansluit, om andere horizonten te ontdekken. Hij botste er o.a. op Vlaming Johannes Wannyn. Johannes speelde bij zijn broer Joachim in folkband Strograss (wier tweede cd ‘Brother Earth’ korte tijd geleden uitkwam) maar had zich geprofileerd als Nederlandstalige singer-songwriter. Wannyn had een groep rond zich geschaard om zijn werk met meer opsmuk te brengen. Klassiek violiste Lotte Remmen, intussen Johannes’ eega, en (jazz)contrabassiste Lara Rosseel waren toen van de partij, net als drummer Jonathan Callens en gitarist/mandolinist Erik Schoepen. Ze wonnen de wedstrijd van Muziekmozaïek op de Gentse Feesten in 2013.

Om de zaken makkelijker te maken legden ze contact met de Zweed Anton Teljebäck (vijfsnarige altviool), waarop die tot de band toetrad. Op 31 januari 2014 zagen wij het hele gezelschap, minus Anton, in STAT68 (Aalter), hoofdzakelijk met het repertoire van Johannes. Daarmee zou hij enige tijd later trouwens derde worden in de NEKKA-wedstrijd. Een paar dagen na het Aalterse concert, in februari 2014, zaten Dan, Johannes en Lotte op een festival in Umeå in Zweden, waar ze percussionist Dave Barfoot uit Schotland inlijfden. Niet makkelijk om die bende bijeen te houden, maar ze stonden onder de nieuwe naam Old Salt als sextet (Dan, Johannes, Lotte, Lara, Anton, Dave) toch maar lekker op Dranouter en de Gentse Feesten, onder anderen. Eind 2016 waren ze klaar voor de volgende stap: de opname van een volledig akoestisch cd, deels met crowdfunding gefinancierd. Het zestal met de vier nationaliteiten nam ‘Up River Overseas’ op, in Umeå, Zweden, zes traditionals in eigen arrangementen, drie nummers van Wall, plus een afsluitende live versie van ‘Hobo’s Lullaby’. Intussen was Dan ook getrouwd met een Beierse schone, wat de afstand tussen hem en de rest van Old Salt toch wezenlijk verkleint.

Deze cd kwamen ze voorstellen in Arscene te Hansbeke op zaterdag 13 mei 2017. Het zou blijken dat die cd een goeie afspiegeling is van het repertoire en de sound van het podium… Maar de explosie van levensvreugde die Old Salt live genereert, kan je in een studio maar moeilijk vastleggen. Van een kickstart gesproken! Dan waren niet eens met zes, maar traden ze aan als kwartet, want Anton was belet en Dave is net vader geworden van een dochter. En bovendien hadden ze al het beste van zichzelf gegeven, die morgen in Sint-Amandsberg, Gent, toen ze er optraden met Gents volksmuzikant Wim Claeys. Toch hoeft het heilige vuur niet te verwonderen: Dan Wall, die in zijn jeugd in een vat toverdrank gevallen moet zijn, vuurt van in het begin zijn collega’s aan. Gezien zijn blue grass achtergrond, denk je al snel aan de dynamiek die bands stuwt als The Henhouse Prowlers, Chatham County Line, The Punch Brothers of onze eigen Sons Of Navarone. Na de spetterend uitgevoerde trads ‘Hang Me’ en ‘Church On Sunday’ (met een solo van Lara Rosseel) is het tijd voor een eigen song, ‘Lay Low’. Dan legt uit: ‘Ik schreef hem naar aanleiding van de ‘Occupy Wall Street’ beweging, maar ik merk dat de song nu actueler is dan ooit’. Iedereen zingt in de band, harmonie wel te verstaan, want Wall is de eeuwige solist. Nee, niet één micro zoals vaak bij blue grass gewoonte is. Dat zou in deze setting quasi onmogelijk zijn. Bovendien komen ook zoveel andere genres en stijlen aan bod.

Daniel speelt af een toe ook mondharmonica. Johannes houdt zich aan de akoestische gitaar, waarmee hij de belangrijke ritmische functie verzorgt. Lara vult passend in en laat op geregelde tijdstippen horen waarom ze één van ’s lands beste jazzbassisten is (een eerste cd van haar eigen gezelschap is onderweg) Lotte dient solistisch Dan van antwoord en ze heeft daar letterlijk en figuurlijk de handen mee vol. Bewonderenswaardig hoe ze meegaat in de snelheid van uitvoering. Je ziet bovendien aan haar expressieve gelaatsuitdrukking hoe ze meeleeft met de andere bandleden als er weer eens iets gebeurt dat niet voorzien was, als Dan zich in de aankondiging vergist van nummer bij voorbeeld, aanleiding tot hilariteit. Als in ‘Blues In A Bottle’ een snaar springt van de banjo (waarom verrast zoiets ons niet?!) ziet Dan zich verplicht over te schakelen op viool. Dat gooit de setlist wem overhoop, maar een bende die improvisatie hoog in het vaandel draagt maalt er niet om. Het unisono samenspel Dan-Lotte is indrukwekkend in het nieuw ingestudeerde ‘Nine Pound Hammer’, dat twee songs in mekaar draait, een mix die Old Salt wel vaker met succes maakt. Het eerste deel eindigt met een Schotse ballad, ‘The Blackest Crow’, meteen het hoogtepunt van de hele avond. Het schrijnende afscheid tussen geliefden toont een hele andere, lyrische kant van Dan Wall… In de foyer praat men na over dit pakkende lied. Of het op de komende plaat zal staan, weten we niet, maar die nieuwe komt er vlug aan, verzekeren de groepsleden.

De banjo heeft weer vijf snaren als deel twee start. Dan en Johannes steken van wal met een lied in een ons onbekende taal, maar het blijkt om een Sloveens visserslied te gaan, aangeleerd op het evenement in Gracisce in 2013. Het vormt de introductie tot het aloude, nooit te veel gecoverde ‘Wayfaring Stranger’ (of ‘(I Am A) Poor Wayfaring Stranger’; vroege negentiende eeuw), dat ook op de cd staat, en hier een prachtige uitvoering krijgt, voor ons een tweede hoogtepunt in het concert. Omdat Wall voelt dat dit publiek wil en kan zingen (er zitten ook een aantal muzikanten in het zaaltje), stelt hij ons danig op de proef, onder anderen in ‘Swing And Turn Jubilee’, dat onderdeel is van een set folksongs van diverse oorsprong. Rustiger gaat het eraan toe in ‘The Cherokee Trail’, een nieuwe compositie van Dan, dat een echo is van de trektocht van ondermeer de Cherokee indianen, halverwege de negentiende eeuw, niet echt een pleziereisje: deze ‘Trapper’s Trail’ werd soms ook ‘the trail of tears’ genoemd. Het nummer is zo nieuw dat Dan het nummer eerst nog op het toneel moet uitleggen aan zijn ‘leerlingen’. Het hoeft geen betoog dat dit weer aanleiding vormt tot joligheid en pittige publieksreacties. Maar je merkt daarna weinig of niets van deze ‘betaalde repetitie’, want het lied (hopelijk op de komende cd?) rààkt wel degelijk. Waarom geven droevige gebeurtenissen altijd aanleiding tot beeldschone liedjes? Lara rondt het solo af op de haar geëigende stijlvolle manier…

In love song ‘Yodel Waltz’ wordt er zowaar (mee)gejodeld op toneel en in de zaal. Opnieuw spelen twee violen (fiddles) een hoofdrol ‘Cumberland Gap’: instrumentaal en vocaal vuurwerk, want het gaat hier nog sneller dan op de plaat waar het de opener is. Bij het volgende ‘Oh Death’ is het, dat Dan even de mist ingaat: de song eindigt niet met een ‘Swedish polka’ maar een ‘Irish-American tune’. Dan lost de vergissing bijzonder elegant op. De solo van Lotte in dit nummer is straffe kost. Ook Johannes brengt een nieuwe song aan, ‘Thin Ice’. We hebben het vermoeden dat deze zowel lieflijke als aanstekelijke deun een vaste stek zal verwerven in de speellijst. Tijd om af te ronden. Na het dankwoord (waarin men eens te meer de lof van de kokkin des huizes uitgebreid bezingt… Arscene zal er een restaurant moeten bijbouwen, denken we) kondigt Dan het laatste nummer aan: ‘Ik hoorde dit traditionele ‘Boll Weevil’ in de versie van de fenomenale Punch Brothers, en ik was verkocht’. Dit insect, de zgn. ‘katoensnuitkever’, voedt zich met het blad van de katoenplant, maar was en is een bedreiging voor andere planten. Het moet intens bestreden worden want anders richt het een ware ravage aan. Zo boosaardig het insect, zo overrompelend de uitvoering. Old Salt haalt nog eens alles uit de kast, waarna, niet verwonderlijk, een staande ovatie volgt.

In het bisnummer horen we drie liederen kunstig in mekaar gewerkt, ‘Sail Away Boys’, ‘Let Me Fall’ (dat ook op de cd staat) en ‘Old Rocking Chair’. Daarna is het tijd voor een uitgebreide en erg langdurige verbroedering en verzustering in de foyer, volledig in de geest van ‘muziek van, door en voor het volk’, waar Old Salt model voor staat.

Antoine Légat.

P.S. Je kan de formatie aan het werk zien in het Arbeidershuis in Sint-Eloois-Winkel op zondag 21 mei, in de Missy Sippy Blues & Roots Club in Gent op dinsdag 23 mei, op het EWOB festival in Voorthuizen (NL; namiddag) op donderdag 25 mei, in de Brugse Stadsschouwburg (opnames DVD, Cultuurcentrum, Brugge) op vrijdag 26 mei, op de Sinksefeesten in Kortrijk op zaterdag 3 juni.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s