LEFFINGELEUREN 2015, dag 3, in Leffinge (Oostende) op zondag 20 september 2015: ‘Dez Mona zorgde voor een grandioos einde van twee (der drie) dagen Leffingeleuren 2015, festival dat zijn make over met glans doorstond en een nieuwe elan heeft gevonden met onveranderlijk prachtige bands en een feestelijke nieuwe setting’

Zie tevens Rootstime

Er viel zondag 20 september op het herboren Leffingeleuren, editie 2015 (LL15) nog van alles te beleven op de andere podia, maar we concentreerden ons noodgedwongen op Zaal De Zwerver. Zo misten we bvb. in de ‘kapel’ de laatste optredens, met name van Condor Gruppe (deels met een Moondog programma), het duo met band I Will, I Swear en het Nederlandse My Baby. Je vangt daar dan echo’s van op, vaak in de stijl van ‘Je hebt wat gemist!’… Goed om weten, zullen we maar zeggen. Blij dat we er van in het begin waren, want Admiral Fallow was dan weer onze kans om te zeggen ‘Je hebt wat gemist!’ De zaal was immers nauwelijks bevolkt toen de groep van start ging en was het aan het einde iets beter, dan bleef de toeloop al bij al behoorlijk mager. Louis Abbott richtte de groep op in 2007 en opereert vanuit Glasgow. Na een naamverandering kwamen er twee goed ontvangen platen, ‘Boots Met My Face’ (2011) en ‘Three Bursts In Snow’ (2012) ‘Squealing Pigs’ uit de eerste kreeg bekendheid via de Amerikaanse TV-serie ‘Chuck’.

Op de derde ‘Tiny Rewards’ was het bijna drie jaar wachten. De groep lijkt aanbeland waar ze horen. Zozeer dat we vermoeden dat het zestal volgend jaar een heel pak hoger op de festivalaffiches zal staan, en dat is niet alleen omdat Admiral Fallow een sympathieke band is die goed communiceert met zijn publiek. We hoorden songs uit alle drie cd’s. Er staan diverse keyboards op toneel maar ze zijn functioneel, overheersen geenszins. Er is de elektrische gitaar van Stuart Goodall, en dan, belangrijk voor de klankkleur, de opvallende klarinet van Kevin Brolly en de dwarsfluit van Sarah Hayes. Als die twee dan nog samen spelen, zorgt dat voor een zelden gehoorde klank. Een essentieel onderdeel ervan is de sterke ritmiek in bepaalde songs of passages, ritme waar elk groepslid zijn deel van draagt. Dat grote soundspectrum, gecombineerd met de prima zang van Louis, maakt van een Admiral Fallow concert een aangename belevenis, zeker omdat de songs direct aanspreken: The Fall’ van de laatste, ze overtuigen van bij deze kennismaking. Admiral Fallow was duidelijk een gat in onze cultuur maar dat hebben Louis en zijn vrienden op een uur tijd dicht geplamuurd.

Dat gat hadden King Dalton al tevoren dichtgereden met ‘Thilda’, tweede cd na het spraakmakende ‘King Dalton’. We hadden het dan ook zien aankomen, maar zelfs dan werden we zowat omver geblazen door de punch van het vijftal. Dit was zo’n verpletterende uitvoering van de meeste songs uit de nieuwe en enkele uit de vorige, dat King Dalton met comfortabele voorsprong hét optreden van LL15 op zijn naam mag schrijven, toch van de dertien acts die we konden beleven. Ze kwamen gerodeerd op de afspraak: die morgen hadden ze een allereerste concert met dit repertoire gegeven, maar niet zomaar. Ze stonden meer bepaald voor de verweerde Villa Thilda, waar de groep werkte en opnam en waaraan de plaat haar naam dankt. Die villa in Kalmthout staat afgebeeld op de cd/LP hoes. De mensen aldaar bleven maar nummers vragen, waarop de groep al te gretig inging. Daardoor moest de groep zich reppen om tijdig in Leffinge te staan en een stuk van het complexe decor kon niet meer kon opgezet worden.

Geen erg want het ging hem om de muziek… En daar hebben we nauwelijks woorden voor. Toch deze poging: wat maakt King Dalton, anno nu, zo’n belevenis? Er zijn de grillige songs van Pieter De Meester, zang, akoestische gitaar en die opvallende bariton sax (in studio meer instrumenten) Die staan wel ver van de folk die hij en zijn broer Jonas De Meester (elektrische gitaren, diverse snaarinstrumenten als banjo en sitar… en in Leffinge een Weissenborn of gelijkaardig slide instrument) met AedO maakte. Maar de folk is niet vergeten: zo brachten ze een deel van het instrumentarium (de Ierse bouzouki!) en typische vaardigheden mee, die in rock niet gebruikelijk zijn… en Jorunn Bauweraerts, één van de bevlogen dynamische dames van Lais. Via dit internationaal bekende folktrio heeft ze een vocale bedrevenheid verworven die maar heel weinig zangeressen ten lande bezitten. Dat werd live in De Zwerver nog maar eens duidelijk: ze topt het zo al ongewone geluid van de band met hoge, luide en loepzuivere vocalises en uithalen, en elders accordeert haar fraaie stemgeluid uitstekend met de unieke stem van Pieter, die –hier hebben we lang op moeten broeden- zowat klinkt als een menselijke… sitar. De pompende rockritmesectie, staand en elektrisch bassist Tomas De Smet (in studio ook allerlei elektronica en verwerking van veldopnames) en drummer Frederik Heuvinck, ook al een stel klassenbakken met uitgebreide ervaring en een ongelofelijke honger, maakt de transformatie compleet.

Het resultaat is viscerale, bijzonder hecht gespeelde, haast ambachtelijke rootsrock. Niet alle intrigerende geluidjes van de plaat reproduceert men live maar daar komt het natuurlijk niet op aan. De combinatie van de opgesomde elementen ontploft op een podium. King Dalton is als een opgespannen stalen veer die zich in één keer ontspant. Het is best niet te lang te wachten om de band te gaan zien, want het is in de nu komende tijd dat deze band op het toppunt van zijn curve zit. Een paar songs uit de eerste (‘Diligence’, het naar een geweldige climax groeiende ‘Sudden Deafness’) sluiten naadloos aan op o.a. ‘Ignorance’, ‘Silver Spoon’, ‘Revolution’ van ‘Thilda’. Eén rustpunt is ‘Jewell Pleasures’ (van de soundtrack van de Eén serie ‘Tom & Harry’) dat ook live overkomt als een geslepen diamant (pun intended) Dat het geheel dan nog eens uitstekend versterkt wordt (Jo Volckert is the right man on the right place!), is lekker meegenomen. Ondanks het relatief vroege uur kon een bisnummer niet uitblijven. Dat er niet overdadig veel volk was, is ook al geen punt: wie er stond, wilde er staan en ons hoofd eraf als hier iemand ontgoocheld over was. We zagen de blikken van verbazing en amusement en vingen alvast reacties van verwondering en bewondering op.

Dat zou ook de volgende gast ten dele vallen: Wannes Cappelle speelde met Het Zesde Metaal een thuismatch, heet het, maar dat is geen garantie op succes. Verleden jaar stond de band hier ook, ook al op zondag als opener in de toen nog grote tent (zie ons toenmalig verslag op Rootstime) De groep had toen net zijn transformatie rond naar de grotere podia, een overstap die we toen als geslaagd hebben gebrandmerkt. Zelfs al was de massa er nog niet, wellicht door de eerste plaats op de affiche, en al was de ontvangst goed maar (nog) niet extatisch, toch mochten we in 2014 besluiten met ‘Voor wie het niet doorheeft: Wannes Cappelle & Het Zesde Metaal zijn de status van ‘goed bewaard geheim’ helemaal ontgroeid.’ De toer van de grote podia tijdens het afgelopen festivalseizoen werd een daverend succes. Dat had zijn gevolgen: Zaal De Zwerver liep nu radicaal vol voor de man uit Wevelgem. Wannes en band waren duidelijk nog in festivalmodus en dito mood, lekker opgenaaid, met de vlotheid van een band die slag om slinger speelt. Een falende microdraad gans in het begin kon een gedetermineerde Wannes niet uit zijn lood slaan.

We mochten eerder al vaststellen dat de schaalvergroting niet leidt tot vervlakking. Natuurlijk zijn de teksten niet zo goed verstaanbaar als wanneer de man met akoestische gitaar naast u staat (dat plezier hadden we toen hij enkele maanden geleden in de oude wachtzaal van het helaas op afbraak staande station van Hansbeke voor de radio een setje speelde), maar het geeft niet, want het geluid is prima, en de meeste van zijn nummers kennen velen intussen. Het valt op dat Cappelle zijn (we wikken onze woorden) diepzinnige en –gravende, ronduit briljante overpeinzingen met dezelfde intensiteit en tegelijk zin voor nuance brengt als voorheen: de verongelijkte woede van ‘Nie voe Kinders’, de ontgoocheling bij een emotioneel échec in ‘Verhus’, de tragische heroïek van anti-hymne ‘Ier bie oes’, de (ogenschijnlijk) wisselende gevoelens van ‘Ik haat u nie’. De publieksreacties zijn navenant: schoeisel gaat de lucht in bij ‘Dag zonder Schoenen’,  mensen brullen mee met het ‘Zeg alles af voor morgen’ uit ‘Gie, den Otto en ik’. We zagen mensen geëmotioneerd, tot tranen toe bewogen bij het goudeerlijke en bloedmooie ‘Ip min Knieën’ (probeer dat maar eens te vinden bij bands als Kings Of Leon of Muse…) ‘’t Komt oes nie toe’ om termen als ‘hits’, ‘pose’ en ‘triomf’ te plakken op Wannes, die precies de antithese vormt van de grootspraak van de rock-‘n-roll trip, maar hij bewijst toch maar eventjes dat schaalvergroting kan zonder verlies aan emoties. Er staan ons nog mooie momenten te wachten met de ex-triatleet en theoloog, die gelukkig voor ons voor Herman Teirlinck koos en voor ons zijn ziel blootlegt…

Eerst heetten ze Sam Doores + Riley Downing & The Tumbleweeds maar toen ze ontdekten dat de naam Tumbleweeds al in omloop was, beseften ze dat een naam verwijzend naar hun geografische komaf iets uniek zou hebben, en die oorsprong bleek te liggen in Deslonde St(reet), gelegen in de Holy Cross wijk in New Orleans. The Deslondes waren geboren. Dan verwacht je je natuurlijk aan de typische klanken uit de Crescent City, maar dat is niet het geval. Het vijftal van The Deslondes speelt… country en bluegrass, waarin vocale harmonieën, de fiddle en de pedal steel een hoofdrol spelen, verder de staande bas, de mondharmonica, de akoestische gitaren. Nu is dat misschien niet verwonderlijk meer, maar toen New Yorker Chip Taylor country speelde in de grootstad, in de seventies, werd dat nog beschouwd als een anomalie. Natuurlijk zit er iets van de Deep South in, wat henzelf doet besluiten dat ze ‘country-meets-Southern-R&B hybrid rooted partly in the Texas singer/songwriter tradition, partly on the weathered floor of a Louisiana dance hall’ spelen. We hadden het niet mooier kunnen zeggen. Sam en Dan speelden lange tijd ook in wat je de zusterband zou kunnen noemen van The Deslondes, namelijk Hurrah For The Riff Raff, de formatie rond Alynda Lee Segarra (zie elders op Rootstime voor andermans en onze reviews!)

The Deslondes hebben nog maar één (gelijknamige) cd op zijn actief, plus één onder hun eerste naam (‘Holy Cross Blues’) maar die staan beide bol van de leuke songs. Ze klinken alvast alsof ze al decennia niks anders doen. Als ze beginnen, is er, na het eclatante publieke succes van Het Zesde Metaal, nauwelijks volk te bespeuren, maar naarmate de set vordert komen er festivalgangers een kijkje nemen. Die blijven vaak dan ook staan, altijd een goed teken, zodat er toch flink wat toeschouwers zijn aan het einde van de set. De vijf zitten aan het vijfentwintigste concert van de dertig die hun eerste Europese toer vormen. Op 28 augustus speelden ze concert twee in Sint-Truiden en de dag vóór Leffinge waren ze in de N9 in Eeklo. Ze staan vooraan op het toneel, netjes op een rij, met links Cameron Snyder met zijn draagbare slagwerk, naast hem contrabassist Dan Cutler. Dan het duo Riley Downing en leider van de groep Sam Doores. Die houden het op zang en akoestische gitaar. Rechts houdt multi-instrumentalist John James Tourville zich op. Naast fiddle, pedal (en elders dobro) gordt hij ook een keer de elektrische gitaar om, wat de groep meteen een andere sound geeft.

Ze spelen songs van beide albums en nog ander werk ook: songs in overvloed zoals de vele clips online bewijzen. Ze starten met twee ‘train songs’, ‘I Got Found’ en ‘Rueben’s Train’. Variatie troef met een country stamper als ‘Louise’, het bepaald swingende ‘Yum Yum’, een sleper in de vorm van ‘Low Down Soul’. In ‘Yes I Love You’ duiken de treinen weer op: ‘Some day our trains will be running side by side’. Het kan gezapig als in ‘Depression Blues’ of opzwepend met ‘Less Honkin’ More Tonkin’’. In Sam Doores’ eigen ‘Drifter’s Wife’, een weemoedige ballad die de set fijntjes afsluit, mogen we meezingen: ‘Roll it out, roll it in, guess I’m on the road again, but a drifter’s life is a drifter’s wife, don’t you tell her how I told you so’. Op basis van dit sterke concert dichten we deze heren een zonnige toekomst toe. Hurrah for The Deslondes!

Er waren dus wel meer raakpunten met Moondog dit weekend in Leffinge, maar er werd met meer dan gewone belangstelling gekeken naar de supergroep die zich rond Roland Van Campenhout had geschaard om het werk van de blinde componist, musicus, dichter/taalkunstenaar, uitvinder van muziekinstrumenten, origineel denker en guitige  schenenschopper Louis T. Hardin, zijn ware naam, te brengen. Hij werd geboren in Kansas in 1916 en stierf in Munster (Duitsland) in 1999, maar het is zijn kwart eeuw verblijf in New York (tot 1974) dat bijblijft, toen hij als ‘The Viking of 6th Avenue’ in passend tenue rondliep (baard, helm, lange jas) en straatmuzikant was en zijn poëzie verkocht (hij bezat wel degelijk eigendommen, hij was dus niet dakloos zoals velen dachten!) Het freakaspect mag niet doen vergeten dat de man een interessante output had en met lieden uit de hoogste muziekkringen contact had. Hij trad op met Philip Glass, nam een kinderplaat op met Julie Andrews, kreeg veel waardering en steun, even goed van een Benny Goodman als van een Arturo Toscanini. Zijn composities omvatten songs, maar ook grotere werken. Iemand als Charlie Parker had invloed op hem en in een aantal stukken lijkt hij wel een broer van Frank Zappa.

Roland nam Patrick Riguelle onder de arm, altijd een gewaardeerde zangstem en vaardig op diverse instrumenten. Met toetsenist Serge Feys (Arno, enz.) kwam een heel orkest binnen. Vandaar is bassist Mirko Banovic (Arno, enz.) een logische keus. Samen met drumvrouw Isolde Lasoen vormt Mirko uiteraard een dijk van een ritmesectie. Daar moesten blazers bij komen en niet van de minsten: trompettist Yves Fernandez en saxofonist Marc De Maeseneer maken deze droomformatie compleet, want dat is dit zonder twijfel, een ideaal vehikel voor een ‘Tribute To Moondog’. Enkele repetitiedagen is alles wat deze druk bezette mensen konden uittrekken om de muziek onder de knie te krijgen, om ze netjes van partituur af te lezen en in samenspel te performen.  Dat dit bar weinig is, werd gelukkig gecompenseerd door de gecombineerde ervaring van deze ad hoc formatie. Zo hoopte men… en zo geschiedde!

Omdat we de heren en dame graag van dichtbij aan het werk zien, hadden we gans vooraan post gevat. Meestal lopen we indien mogelijk de zaal een keer rond o.a. om het geluid te checken, maar ditmaal bleven we staan, ook al omdat er zoveel volk achter ons stond dat je amper weg kon. Het heeft ons niet gespeten. Roland, getooid met een, ahum, vishoed, die als een voodoo witch doctor de shakers hanteert en zowel Patrick als Mirko ‘bevrijdt’ van duivels, dat is een beeld om nooit meer te vergeten. Roland en Patrick debiteren de fantasievolle teksten als ‘Aska me (about Alaska)’ en bespelen allerlei instrumenten, Roland een dulcimer, bij voorbeeld, of de dobro, Patrick onder anderen zijn geliefde lap steel. Zelfs de bodhrán, de grote, dof klinkende Ierse tamboerijn bespeeld met een houten knots, kent amper geheimen voor hem, blijkens het hilarische, voortjakkerende ‘Dogtrot’, dat men als bis hernam. Serge zorgt voor koddige annex weirde geluiden terwijl Mirko en Isolde zich uit de naad spelen. Isolde krijgt het zwaar te verduren in het afsluitende ‘Pigmy Pig’, maar slaat (sic!) er zich met glans doorheen.

De blikken van verstandhouding tussen de muzikanten bewijzen het plezier dat deze formatie beleeft met de niet zelden knotsgekke muziek, vrij van a priori’s en ingewikkelde theorieën, maar beslist niet hersenloos: de ene maal denk je aan Dave Brubeck, de andere keer aan de Muppet Show, dan weer aan Zappa of Van Dyke Parks, maar… Moondog came first. Kleine stukjes mesjogge poëzie (‘cover the cover’) en pseudo-ernstige statements (‘Enough About Human Rights’) flankeren ballroom muziek of onvervalste jazz (als in ‘Bird’s Lament’), een vervormd basgeluid, een gitaar die Roland liet klinken als een sitar… in dit universum is alles denkbaar… Let wel, er werd enigermate van de oorspronkelijke arrangementen afgeweken, iets wat Condor Gruppe niet deed, naar verluidt. Hoe dan ook het was genieten voor alle aanwezigen. Op naar de grand finale van LL15…

Daar zorgde Dez Mona voor, en met verve. Wat heeft deze band, dit liefdeskind van tandem van zanger Gregory Frateur en bassist Nicolas Rombouts, toch doorgemaakt: begonnen als avant-garde band met toefjes cabaret, chanson, gospel, Duitse Lieder, jazz standards en klassieke elementen (met die stem kan Frateur zowat alles aan!) zijn ze gaandeweg gegroeid naar een rockband pur sang, metamorfose die zo goed als voltooid was met voorganger ‘A Gentleman’s Agreement’, waarop ook de band vorm had gekregen, een samengaan van zeer sterke muzikanten (Tijs Delbeke op piano en gitaar, Sjoerd Bruil op gitaar, Sven Cassiers op drums en ouwe getrouwe accordeonist Roel Van Camp), en die nu een daverende popplaat opleverde in de vorm van nummer zes ‘Origin’. Die ontdekten we pas tijdens het concert, tezamen met vermoedelijk het grootste deel van het publiek. We hadden het grote geluk alle stadia in hun ontwikkeling mee te mogen maken: we zagen ze op hun allereerste (of toch tweede?) concert, nog als duo, in de Jong Muziek wedstrijd van Theater Aan Zee (TAZ) in Oostende, waar ze niet wonnen, maar blijk gaven van een ongewoon talent en véél doorzetting.

We beleefden hun toppunt als akoestische vijfmansband, onder meer op TAZ, waar we de tranen de vrije loop lieten in hun versie van ‘Who Knows Where The Time Goes’ van de jong gestorven Fairport Convention zangeres Sandy Denny, overigens het laatste dat ze op een podium bracht voor ze enkele maanden later thuis verongelukte. En we waren getuigen van het moment van de overrompelende ontbolstering tot rockband: het was hier in Leffinge dat Dez Mona die hoge vlucht nam. We schreven toen in Rootstime: ‘Ieder zijn meug natuurlijk, maar als er één concert in deze editie van Leffingeleuren (LL) is dat in zijn geheel blijft hangen, waarmee we LL2013 zullen blijven associëren, dan zeker dat van Dez Mona, opener in de concerttent op zondagnamiddag 15 september. Het had gerust veel hoger op de affiche mogen staan, waardoor Gregory Frateur en Nicolas Rombouts, de twee stichters en ankerpunten van dit unieke project, nog meer mensen hadden kunnen overtuigen van hun klasse.’ We zijn blij dat Gregory na de gewone set uitdrukkelijk naar dit optreden refereerde: ook voor Dez Mona zelf bleek het een ijk- en startpunt.

Het eerste bisnummer was dan ook een bedanking aan Leffingeleuren. Gregory nam de tijd om ons en sourdine mee te laten zingen als achtergrondkoor op ‘Cherish’ (uit hun opera ‘SÁGA’): ‘These are times to cherish and things to live for’ zoemde tientallen keren weldoend doorheen de zaal, terwijl de band het nummer afwerkte. Opnieuw kregen we er een krop van in de keel… Die ‘gewone set’ was trouwens helemaal niet zo gewoon. Met het nieuwe repertoire, onbekend maar zo vertrouwd klinkend, en de band die intussen een geoliede machine geworden is, rolden de songs van ‘Religion’ over ons heen, met af en toe een oudje als ‘The Waiting Game’ of het broeierige ‘Suspicion’. Roel Van Camp speelde een lange, indrukwekkende accordeonintroductie op ‘A Little Bit Of A Dream’. Met zijn hoge uithalen is Gregory een onverbeterlijke drama queen en dat is niet ieders tand, maar hij gebruikt die unieke stem wel degelijk in functie van de songs, die nu eenmaal van een hoge EQ zijn. Er zit bijzonder grote variatie in zijn zangstijl, zodat je telkens weer meegesleept wordt in Dez Mona’s caleidoscopische universum.

De laatste twee platen mogen dan wel pop en rock zijn, maar ze zijn het expliciete resultaat van het héle parcours dat Dez Mona aflegde: het zit er allemaal in verwerkt, wat deze muziek immense rijkdom en onvermoede diepgang geeft. Het hypnotische, op Nicolas’ insisterende bas drijvende, bezeten ‘The Back Door’ sloot af met een dubbele climax. Na het o zo dromerige ‘Cherish’ besloot Dez Mona de bisronde rockend als de beesten met ‘Didn’t It Rain’. Terwijl Frateur ‘Listen how it’s raining’ zong, danste hij extatisch rond, als bevangen door aardgod Dionysos. Maar vergis u niet: het Apollinische schittert evenzeer in Dez Mona. Geen gewoon bandje, hadden we gezegd… Zo kwam, voor ons althans, een grandioos einde van twee (der drie) dagen Leffingeleuren 2015, festival dat zijn make over met glans doorstond en zelfs een bruisende vitaliteit, een sprankelend nieuw elan heeft gevonden. We zagen onveranderlijk straffe bands en de nieuwe setting maakte er, geholpen door de weergoden, een zomers feest van. Op naar LL16?

Antoine Légat

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s