SUPER CHIKAN in Banana Peel te Ruiselede op maandag 29 juni 2015: ‘Super Chikan was een voorbeeldig ceremoniemeester, met recht en reden ‘The Last of the Delta Blues Legends’ gedoopt’

Zie ook http://www.rootstime.be, opnieuw met prachtfoto’s van Lieven Verhoye!

Een seizoenafsluiter mag gerust een feestelijk randje hebben, zeker als het je 49e jaargang betreft en er dus een knaljubileumjaar zit aan te komen. Super Chikan is dan de ideale man om de stekker eruit te trekken. Niet alleen zorgt hij voor het nodige animo maar hijis op de koop toe afkomstig uit de ‘juiste’ streek, het legendarische Clarksdale, Mississippi, waar het fameuze kruispunt bevindt dat (Delta/country) blues pionier Robert Johnson bezingt in zijn archetypische, veelgelaagde ‘Cross Roads Blues’ (beter bekend als ‘Crossroads’ dat zovelen van ons eerst leerden kennen via Elmore James of Cream/Eric Clapton) James Johnson (°1951; geen familie van Robert maar wel neef van Big Jack Johnson) kreeg de bijnaam ‘Chikan Boy’ blijkbaar via vrienden die James tegen de kippen op het erf hoorden praten. Waar de ‘Super’ vandaan kwam, is een ander verhaal en heeft te maken met zijn andere job, als… taxichauffeur, maar eigenlijk moet je gewoon naar zijn optredens gaan om te zien dat dit lovend epitheton geenszins overdreven is.

De bijnaam doet al bevroeden dat de man prettig gestoorde shows weggeeft, en inderdaad, dat klopt, maar men moet zich niet verwachten aan een clowneske act à la Rufus Thomas, de Mississippi soul man die tot zijn 84e in korte broek ‘Walking The Dog’ en ‘Do The Funky Chicken’ bracht (met Rufus was overigens niets mis: ook hij was een entertainer van hoog niveau!) Allicht speelt Johnsons verleden een rol in zijn podium persona. Het bleek in elk geval tijdens het concert in Banana Peel dat hij in een erg traditioneel milieu werd opgevoed. Muziek kon slechts een hobby zijn. Zijn job als vrachtwagenbestuurder gaf hem echter de tijd songs te schrijven, die hij wel opnam maar die enkel lokale verspreiding beschoren was. Hij werd lid van diverse bands uit Clarksdale en omgeving, bevolkt met lieden die net als hij opkeken naar Muddy Waters, Jimmy Reed, Chuck Berry, John Lee Hooker, Albert King, Bo Diddley. Zijn eerste instrument was overigens de ‘diddley bow’ waar Bo zijn bijnaam van haalde.

Dat rudimentaire éénsnarige instrument van Afrikaanse komaf verbeterde hij, een goede leerschool voor de excentrieke gitaren die hij later zou bouwen en waar hij een paar fraaie exemplaren van bij had in Banana Peel. Maar het duurde tot 1997 vooraleer zijn debuut verscheen. Op ‘Blues Come Home To Roost’ volgden nog vijf platen onder eigen naam en één samen met Watermelon Slim, nog zo’n merkwaardige vogel. Met hem bracht Super Chikan in 2011 ‘Okiesippi Blues’ uit. Zijn reputatie groeide, o.a. door zijn optredens in Ground Zero, de blues club van Hollywood acteur Morgan Freeman. In ons land liet hij zich opmerken tijdens (Ge)varenwinkel Blues & Roots Festival 2008, waar hij als James ‘Super Chikan’ Johnson & The Fighting Cocks naar verluidt de pannen van het dak speelde. Zo’n rasechte bluesman verdient een goeie band en die kreeg hij in de vorm van Nederlandse muzikanten die dit soort werk wel vaker opknappen.

Harold Van Dorth kent men ook in Vlaanderen als de gitarist-frontman van Fat Harry & The Fuzzy Licks, enige tijd geleden nog de gesmaakte support van Duke Robillard in Zingem. Fat Harry is helemaal niet ‘fat’, net het omgekeerde, maar zijn gitaarspel is dat dan weer wel. Hij schitterde verleden jaar al in Banana Peel in de begeleiding van Preston Shannon, afsluiter van het vorige seizoen van BP (29/6/14) Ook de ritmesectie is niet aan haar proefstuk toe: bassist Jan Markus en drummer Ed Nijenhuis kweten zich maandag 29 juni meer dan voorbeeldig van hun taak. Banana Peel liep helemaal vol liep voor Super Chikan (wat de week tevoren voor het nochtans ook al uitstekende Bruce Katz Trio helaas niet het geval was…) gaf nog een extra boost aan de uitgelaten sfeer van het gebeuren, waar de plotse loden hitte geen domper op zette. En in het tweede deel kreeg het concert nog een paar verrassingen te verwerken, ‘cliffhangers’ zo u wil, het soort dat helemaal aansluit bij een ‘seizoenfinale’ van deze aard.

James vliegt erin met aanstekelijk enthousiasme en onderstreept zijn tevredenheid met een pas gespeelde song met oneliners, waaronder het vaak voorkomende ‘Somebody shoot that thing!’ en, verwijzend naar deze zwoele avond, ‘Hot enough to cook a chicken!’ Tja, kippen hebben het zwaar te verduren in Mississippi. We horen een lekker voorthollende uitvoering van ‘Ain’t Nobody (Bad Like My Baby)’ Hommage aan Albert King via ‘Crosscut Saw’, hit voor Tommy McClennan in 1041, maar King maakte er de archetypische versie van in 1966. Fat Harry laat ook hier horen dat hij niet louter een sideman is. ‘Kansas City’ werd dan weer bekend in 1959 dank zij Wilbert Harrison (zijn andere en zelf gepende hit was ‘Let’s Work Together (Part 1)’), wordt soms toegeschreven aan Little Willy Littlefield, die het als eerste opnam (1952) maar is wel degelijk van Jerry Leiber en Mike Stoller, die zo vele hits schreven, o.a. voor Elvis. James houdt van hun classics, als ‘Hound Dog’, maar hoe platgetrapt die songs ook mogen zijn, bij hem klinken ze allemaal fris en nieuw, terwijl hij ons introduceert in de Delta style blues van ’What Ya See (Is What You Get)’.

Zijn commentaar verraadt soms iets van het leven van de zwarten in het diepe zuiden: James hield van jodelen, en hij verwijst hierbij expliciet naar de blanke ‘King of Country Music’, Roy Acuff. Zijn ma vond het echter niks, want dat was iets van de blanken. Als zwarte deed je dat niet. Gelukkig trok James zich daar weinig van aan en demonstreert via de ZZ Top achtige shuffle ‘Big Boy Now’, dat echter uitmondt bij waar hij moet zijn, bij lichtend voorbeeld John Lee Hooker.  De ‘boom boom boom’s en ‘haw haw haw’s vliegen ons om de oren. Super Chikan vergeet in zijn passie de tijd. Ze moeten hem zowaar stilleggen! De man zou gewoon doorspelen terwijl iedereen, behalve hij, aan een drankpauze toe is. Na de deugddoende lafenis gaat Super gewoon verder op hetzelfde elan. Hij zet ‘Bo Diddley’ dat hij eerst elegant omvormt tot ‘Hey Super Chikan’, waarna hij er ‘Mockingbird’ in verwerkt. Hij heeft er de merkwaardigste gitaar van eigen maaksel bovengehaald die hij hier bij zich heeft, een fijn afgewerkt exemplaar met een ronde klankkast, waardoor ze op een banjo lijkt.

Hij geeft ons dan zijn versie (er zijn er vele en ze zijn zeer verschillend van elkaar!) van het verhaal rond de nickname van van zijn streekgenoot Ellas Otha Bates, alias Ellas McDaniel, die zijn naam veranderde in Bo Diddley, omdat hij zijn reputatie bij de zwarten haalde door het bespelen van de diddley bow, het eensnarige instrument dat een extreme vereenvoudiging lijkt te zijn van West-Afrikaanse instrumenten, vooral dan de kora. James’ schitterende upgrade van de bow (met een klankkast in de vorm van een… kip) maakt er weer een meersnarig tuig van. Akkoorden kan hij er niet op spelen, slide wel. Wat een klank overigens… De creativiteit van Super Chikan blijft ons verbazen. Een Delta blues shuffle krijgt de vreemde naam ‘Sippi’Seekan’Saw’ mee, maar het blijkt dat James woonde op een driestatenpunt, Mississippi, Tennessee en Arkansas. Hier komt het tot een mooi duel-duet tussen James’ bow en Harolds gitaar.

Van het ene op het andere moment laat de man het podium aan de vrienden-muzikanten die hij in het publiek ontwaart. Super Chikan is nog eens groot in zijn onbaatzuchtigheid en dankbaarheid ook! Het vraagt enige moeite om Marino Noppe, terughoudend als hij is, op podium te krijgen, maar eens hij James’ gitaar omgordt, verandert hij in Mister Maxwell Street. Marino brengt een ijzersterke vertolking van ‘Gotta Love Somebody’ (Magic Slim) Hierna is het de beurt aan Bart Demulder, die de gitaar van Harold overneemt en een loepzuiver ‘Stormy Monday Blues’ (T-Bone Walker) brengt met James. Het bevalt die laatste zo goed, dat hij Bart (die we hier al eens zagen met het Hound Dog Taylor programma van, toen nog, Lightnin’ Guy) laat blijven voor ‘Rock Me Baby’. Uiteraard mocht clubmonument Willy De Vleeschouwer niet ontbreken, evenmin als Guy Verlinde, ook al een kind aan huis en in de vorige maanden twee maal present, eerst samen met Ina Forsman en dan met een nieuwe cd onder arm, ‘Better Days Ahead’. Met Guy’s ‘Down To Mississippi’ stevent de avond op zijn einde af, maar Super Chikan neemt prompt over. Zijn opmerking is even gortdroog als hilarisch: ‘I’m already from Mississippi!’ In ‘Little Red Rooster’ weerklinkt eindelijk de ‘kippenzang’ in al zijn glorie.

Al is het elf uur, er kan voor het laatste concert van seizoen 49 nog een bisronde af. John Lee Hooker komt nog eens voorbij in sneltreinvaart en een al even uitgelaten ‘Baby You Do’t Have To Go’ van een andere rolmodel, Jimmy Reed, sluit deze uitzonderlijke avond, kroon op een hele sterke jaargang. Super Chikan was daarbij de voorbeeldige ceremoniemeester, met recht en reden ‘The Last of the Delta Blues Legends’ gedoopt.

Antoine Légat (03 07 15)

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s