Anne NIEPOLD, Musette Is Not Dead.: ‘… is een fijne hommage aan een genre dat lang onderschat werd, tegelijk een samenbrengen van die musette met andere benaderingen, en bij uitstek de jazz. Bovenal is het een plaat die een veeleisend muziekliefhebber vele uren luisterplezier bezorgt’

Te vinden op Folkroddels en Rootstime

Zoals zovele boeiende muziekgenres ontstond de musette precies daar waar verschillende culturen mekaar van antwoord dienden, in dit geval Parijs, dat nog maar net het decor werd van een culturele clash, maar dan – helaas – op zijn smalst. Het populaire (bal)musette van begin vorige eeuw ontleende zijn naam aan een oude Franse dans (misschien zelfs uit de zeventiende eeuw) al kan de naam ook verwijzen naar de cornemuse (doedelzak), meerbepaald de cabrette, de typische doedelzak van de Auvergnats, die in de Lichtstad hout en steenkool, wijn en likeur verkochten en bars en cafés openhielden, waar ze hun muziek speelden. Italianen brachten, wals, polka en, essentieel, het chromatisch accordeon, ‘le piano du pauvre’, dat het instrument en het symbool bij uitstek werd van de musette. Er was al een waaier aan populaire muziek aanwezig en dat had zijn invloed, net als de inbreng van de manouche-zigeuners, met name de swing jazz (Django Reinhardt)

Dat was een meer gespleten en onderverdeelde wereld dan men nu meestal beseft. Maar het bruiste tijdens de jaren twintig en dertig mede dank zij de botsing van onderscheiden werelden. Het genre dat eigenlijk met de mindere buurten te associëren viel, werd gaandeweg populair bij de gegoede middenklasse (een evolutie die haar tegenhanger vindt in de naoorlogse Griekse rebètika!) en er stonden grote instrumentalisten op zoals Emile Vacher, de ‘halve Belg’ Gus Viseur en Jo Privat. Als dans ontstond de java. Wat voor de oorlog groeide en bloeide, verloor zijn voedingsbodem tegen het einde van de fifties en werd mettertijd folklore. Musette werd een stereotiep, waarbij de naam Yvette Horner (°1922) als eerste valt. Zij wordt tegenwoordig verguisd, maar ze heeft haar verdiensten gehad, al was het maar het genre kunstmatig in leven houden.

In 1990 bracht Franck Bergerot de eerste van een reeks ‘Paris Musette’ uit, die via bijdragen van de oude garde, werk van lieden zo divers als Serge Gainsbourg en Vincent Scotto en insteek van kenners (de accordeonist Richard Galliano, begeleider van Claude Nougaro; de ervaren gitarist Didi(er) Duprat die nog met Marcel Azzola speelde) aantoonde welke vitaliteit de musette ooit had gehad en welke nieuwe mogelijkheden zich aandienden. Dat werd dan ook de ‘Buena Vista Social Club’ van de musette! Galliano bracht dan in 1991 een andere (intussen) klassieker uit met overwegend eigen composities, ‘New Musette’ (een vergelijking met Astor Piazzolla en de tango dringt zich op) Het hek was van de dam: ook de musette had haar revival.

Anne Niepold (diatonisch accordeon) leerden we in 1998 kennen als de helft van Deux accords diront (de andere helft was Aline Pohl; Anne schreef het repertoire), maar haar naam is ook te verbinden met Olla Vogala, Chansons sans paroles, producties van Theater Transparant en tegenwoordig ook Eléonor, het merkwaardige ‘Latijnse’ project van Elly Aerden (om slechts die te vermelden) Zij geeft ook les bij Muziekpublique In Brussel. Musette is haar echter zeer genegen, wat niet verwonderlijk iets voor iemand die accordeon speelt, al is het diatonische. Ze volgde ooit een masterclass bij Richard Galliano. Ze had de euvele moed te schrijven dat ze in de musette wou doen met haar instrument wat Richard met de chromatische had gedaan. Het viel de meester op en het kwam tot een onderhoud.

Stilaan rijpte dit project dat ze de niet mis te verstane titel ‘Musette Is Not Dead’ meegaf: het is een statement, een fier geloof in de vitaliteit van de balmusette. Maar Anne begrijpt beter dan wie ook dat niemand gediend is met een cd waarop ze het oude repertoire gewoon naspeelt. Als ze dit als basis zou nemen voor haar plaat, dan moest ze enerzijds de essentie van het genre behouden, beslist een technische uitdaging (het is niet vanzelfsprekend om chromatisch gecomponeerde muziek op een diatonisch accordeon te brengen, zelfs niet met enige aanpassingen aan het instrument!), en er anderzijds iets nieuws mee aanvangen: was de oorspronkelijke musette dansmuziek, was het accordeon dikwijls ‘het orkest’, dan moest ze precies dààr op variëren. Dat is op ‘Musette Is Not Dead’ wonderwel gelukt. Ze bedacht arrangementen waar ze vooral blaasinstrumenten voor nodig had. Zo vinden we, naast de ritmesectie van contrabas (Hendrik Vanattenhoven) en slagwerk (Etienne Plumer), dwarsfluit (Stefan Bracaval), hobo (Nicholas Garnier), trompet en bugel (Jo Hermans) en trombone (Frederik Heirman), muzikanten waarmee ze al samenwerkte, zij het op verschillende tijdstippen.

Dat is een samenstelling die ver af staat van de klassieke bezettingen maar het gaf haar onvermoede mogelijkheden. Accordeon en blazers accorderen prima in de rijkelijke arrangementen, die de ene keer vrij dicht bij het verkleden staan maar met even groot gemak een andere, vaak moderne vlucht nemen. Twee eigen composities staan naast nummers van voornamelijk Louis Ferrari (2), Jo Privat (6) en Gus Viseur (3), vijftien in totaal, met een totale lengte van iets meer dan 51 minuten. De variatie is groot, soms zelfs in één nummer, zoals in het openende ‘Soir de Paris’ (Ferrari), maar het overal aanwezige accordeon komt de cd toch als één geheel over. En er zijn natuurlijk de tempi die verwijzen naar de bloeiperiode, zoals de valse-musette, de paso-musette en andere, waarop het aangenaam dansen moet geweest zijn. We wagen ons niet aan een grondige analyse van de nummers, want die spreken wel voor zich. We beperken ons tot een paar opmerkingen. In Privats puntige ‘Escadrille’ hoor je zowaar de jachtvliegtuigen van de titel, in ‘Vent d’automne’ zitten de nodige zatte dissonanten en de jazzuitstap van de trompet contrasteert mooi met het ritme. ‘Nuit Blanche‘ begint behoorlijk traditioneel tot de blazers roet in het eten gooien.

In ‘Flaneuse’ van hedendaags accordeonist Tiennet Simonnin (lid van Mister Klof, groep waar ook doedelzakspeler Julien Cartonnet deel van uitmaakt) neemt Anne resoluut het voortouw, terwijl het dan weer de blazers zijn die in Niepolds eigen ‘Tohu-bohu’ de jazztoer opgaan. ‘Déluge’ van Privat klinkt gaandeweg zo desolaat als zijn titel. Trompet en trombone confronteren elkaar in Viseurs ‘Douce joie’: wat wordt er op deze plaat toch mooi gemusiceerd!  De cd sluit mooi af met het zwierige ‘Loulou’ van Ferrari, ‘Tornade’ van Viseur (prachtige tussenkomst van Bracaval) en Niepolds dromerige, sobere solomoment ‘Nevermind’. Kort na haar afstuderen aan het conservatorium won Anne de Toots Thielemans prijs, die ze uit handen van de meester ontving. Toots is, dat is algemeen geweten, een ket van de Marollen. De hoesfoto van ‘Musette Is Not Dead’ is daar genomen, niet in Parijs. Ooit hing er een atmosfeer in die wijk die te vergelijken viel met Parijs.

Intussen is Anne al druk bezig met andere projecten. Zo komt er dit jaar ‘Monochromatique’ met Gwen Cresens, chromatisch accordeonist, bandeonist en componist. Uitdagingen genoeg! Maar hier en nu is er ‘Musette Is Not Dead’, een fijne hommage aan een genre dat lang onderschat werd, tegelijk een samenbrengen van die musette met andere benaderingen, en bij uitstek de jazz. Bovenal is het een plaat die een veeleisend muziekliefhebber vele uren luisterplezier bezorgt. Anne Niepold levert het bewijs: de musette is springlevend!

Antoine Légat (15 01 15)

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s