De ontmoeting van mijn ouders in 1945: een verhaal van menslievendheid in een wereld vol oorlog…

Belofte maakt schuld. Schuld aan mijn overleden ouders, schuld aan wie me erom verzocht: dit moest en zou ik ooit eens aan het schrift toevertrouwen… Onderstaande geschiedenis kreeg ik te horen van mijn ouders, unisono, een keer of twee als ik dat juist heb. Ik had daar toen niet om gevraagd maar ik heb het graag aangehoord. Het is een op het eerste zicht ongewoon verhaal. In de huidige woelige tijden van oorlog en onrust lijkt het me echt goed, en eigenlijk zelfs hoog tijd, om het neer te schrijven, omdat het een inspirerende, hoopgevende boodschap bevat én uit respect voor mijn ouders. Hoewel ik vrij goed thuis ben in de geschiedenis van WOII heb ik de inhoud nooit gecheckt en geen tijdlijn berekend. De grote lijnen kloppen, dat is geen probleem. Het detail kan ik in veel gevallen onmogelijk natrekken, maar mijn ouders bleken behoorlijk zeker van hun stuk. Maar zelfs moest de hele story verzonnen zijn, dan nog was een sterk statement voor vrede en tegen oorlog. De keren dat ik verteld heb, leek het mensen te raken, vermoedelijk precies om die reden (‘Nooit meer oorlog’!), en wellicht omdat het nog zo’n voorbeeld is van hoe ‘het lot’ met mensen speelt, ze uiteendrijft of bijeenbrengt. En hoe ze er dan het beste van proberen te maken… Zo bekeken is dit dan weer iets van alledag: we zijn allen speelbal van wat rond ons gebeurt.

 

Mijn ouders waren allebei 18 toen de oorlog begon op 10 mei 1940. Mijn moeder Maria woonde bij haar ouders in Hoboken, in het huis dat in 1927 werd gebouwd aan de rand van de toenmalige polders. Haar vader Frans Coeck was oud-strijder, een vuurkruiser fier op zijn deelname aan WOI. Mijn vader woonde honderd kilometer meer naar het zuiden, in Pâturages, dorpje ten zuiden van Mons. De Borinage stond toen nog helemaal in het teken van steenkool en de mijnen. Mijn grootvader langs vaderszijde, Apollinaire Légat, was coron, mijnwerker, die een paar jaar na de oorlog zou overlijden ten gevolge van stoflong. Hij was er 52, als ik me niet vergis. Ik was nog te klein om herinnering aan hem te hebben. Het was niet ongewoon dat zijn zoon, mijn vader, iets zou doen in of met de mijnen. Maar de tijden waren aan het veranderen: mijn pa kreeg de kans om te studeren voor mijnbouwkundige. Daar zat zelfs een internationale loopbaan in, want het Swahili en Russisch dat hij op school leerde, gaf hij me door. In elk geval presteerde Alphonse goed op school (ik dacht altijd dat hij dat van mij had, maar dat schijnt niet te kloppen)

 

Verder leefden beide gezinnen, ver van het oorlogsgewoel, en ver van elkaar, ‘in vrede’, al bleven het wel bewogen tijden. Mijn vader beschreef bij voorbeeld hoe hij er met de fiets op uitgestuurd werd om bij een boer een zak aardappelen te gaan halen, soms 30 km ver. En er was de viool die bij hen op zolder lag, eigendom van ‘cousine’ die inwoonde bij mijn grootouders. Dat instrument had de aandacht getrokken van een paar Duitse officieren, die grof geld wilden geven voor deze ‘(namaak) Stradivarius’. Ik geloof uiteraard geen moment dat het een instrument was van de grote Italiaanse vioolbouwer, maar er is reden om aan te nemen dat het om een uitstekende viool ging. Blijkbaar hebben de Duitsers er een grote som voor betaald. Maar verder liep de oorlog ver van beide families. Tot de Duitsers in de tweede helft van de oorlog onder grote druk kwamen te staan en steeds mee een beroep deden op buitenlands werkvolk om de oorlogsindustrie draaiende te houden. Mijn vader, intussen toch al 22, weigerde. Maar als werkweigeraar werd hij gedeporteerd.

 

Alphonse kwam in Plzeň (Pilsen), Tsjechoslovakije terecht, in een fabriek waar men ‘mündungsbremse’ maakte, mondingsremmen die op kanonslopen werden geplaatst om de terugslag te minimaliseren door de luchtdruk zijdelings te sturen. Met de steeds zwaardere kanonnen die men op tanks monteerde, was dat geen ‘overbodige luxe’. Mijn pa herinnerde zich dat het niet goed draaide in de fabriek omdat er voortdurend tegenwerking en sabotage was. Eén levendige herinnering was het fameuze bombardement van Dresden. Die stad lag op behoorlijke afstand van waar hij vertoefde, maar hij wist me te vertellen dat enkele dagen na de misdadige dubbele bombardement van een stad vol gewone burgers, vluchtelingen van daar toestroomden. De nacht van de bombardementen heeft hij trouwens doorgebracht op een keldertrap: door het geweld kon hij niet naar boven of naar beneden.

 

Het was al een stuk in 1945 toen de troepen van Omar Bradley de stad in allerijl kwamen bevrijden. Het moest inderdaad snel gaan om de Russen zo weinig mogelijk terreinwinst te gunnen (Eisenhower vetrouwde al te veel Stalin, maar Churchill, Patton en Bradley hadden daar een totaal andere mening over… niet ten onrechte!) Alle duistere Duitsers van de regio waren gevlucht, behalve een eenzame Feldgendarm die meende dat hij niets te vrezen had (mijn vader vertelde dat de man geen verwijt trof, in tegenstelling tot de kampbewakers) en de Amerikanen wilde helpen. De brave man werd zijn Lüger afgenomen en buiten de stad geleid. Er weerklonk een schot en de US jeeps reden plots hard door. De ongelukkige was –met zijn eigen pistool- het slachtoffer van het ‘take no prisoners’ in deze laatste dagen van het Reich.

 

Geen triomfantelijke terugkeer voor Alphonse, die trouwens tijdens zijn deportatie scheurbuik had geleden en quasi al zijn tanden verloren had: mijn pa mocht meteen zijn legerdienst vervullen! Maar omdat er nog geen ‘Belgisch leger’ was (op de Brigade Piron na) werd hij ingelijfd in het Britse Achtste Leger, en zo werd hij deel van Montgomery’s ‘Woestijnratten’, die het Afrika Korps van Erwin Rommel beslissend hadden verslagen in de tweede slag om El Alamein! Ik bezit nog het rondschrijven van Monty op 8 mei 1945 om zijn troepen te danken voor hun inzet. Vooraleer we ons eigenlijke verhaal kunnen vertellen moeten we nog melden dat er misschien niks gebeurd was: tijdens de opleiding in Merksem ging één der rekruten nogal enthousiast om met een Bren mitrailleur, waardoor het niet veel scheelde of een hele groep ‘studenten’, mijn vader inbegrepen, had de oorlog niet overleefd.

 

Het juiste tijdframe ken ik niet, maar vermoedelijk was de oorlog in Europa voorbij, maar vocht men nog altijd tegen Japan dat zich pas in augustus overgaf na de sinistere atoombommen op Hiroshima en Nagasaki. Mijn vader kreeg de opdracht te patrouilleren in de toen nog maagdelijke en uitgestrekte polders tussen Antwerpen en Hoboken. Hij deed dat alleen en hij had niet eens kogels voor zijn geweer, want de kans dat hier WOIII zou uitbreken leek gering. Op zeker ogenblik roept iemand: ‘Nicht schiessen!’ Een Duitse soldaat die zich al maanden verstopt hield en wellicht leefde van wat hij van de boerderijen kon stelen gaf zich over. De man was verwilderd en uitgehongerd, niet meteen een ‘gevaarlijke vijand’. Mijn pa had dat meteen begrepen en leidde de man op in de richting van Hoboken. Onderweg begon hij na te denken en tegen dat hij de Lumbeeckstraat bereikt had, met op de hoek de (latere?) terreinen van Hoboken SK en aan de andere kant het huis van mijn moeders ouders, was hij erover uit.

 

Mijn toekomstige ma stond in de deuropening en sloeg de scene gade, hoe het koene Belgische leger de Duitse vijand in bedwang hield. Alphonse, nog steeds Nederlands onkundig, wendde zich tot het bevallige meisje van nr. 66 en kwam op de proppen met een ongewone vraag voor de  jongedame en haar ouders. Of ze deze man gedurende zekere tijd konden bijhouden tot mijn pa hem kwam halen. Wat wilde nu het geval? Indien hij de man nu zou inleveren, dan kwam hij onder de bevoegdheid van de Britten en die hadden geen al te beste reputatie wat betreft het behandelen van Duitse gevangenen. Zij hadden immers een persoonlijke rekening van vijf jaar te vereffenen. En waren de Britten niet de uitvinders van de concentratiekampen tijdens de Boer Wars in Zuid-Afrika?! Indien hij 24 uur zou wachten (het kan ook 48 uur zijn, ik herinner me dat niet), werden de Canadezen verantwoordelijk voor de sector en die gingen heel wat menselijker om met de vroegere vijand. In de kakofonie van drie talen (geen van de drie partijen kende andermans taal) werd een afspraak gemaakt.

 

Enkele tijd later kwam mijn vader de Duitser halen en zoals afgesproken leverde hij hem uit aan de Canadezen. Tot een heel stuk in de jaren vijftig, tot aan zijn voortijdige dood, heeft de man vanuit Duitsland met Kerstmis kaartjes en zelfs geschenken toegestuurd uit dankbaarheid voor de solo slim van mijn vader. De rest van de geschiedenis, sectie ‘romantiek’, kreeg ik niet te horen, ik was er ook niet in geïnteresseerd, al is dat intussen wel veranderd. Te laat want ze zijn er beiden niet meer, Maria en Alphonse. Het directe vervolg van de ontmoeting, daar kan ik dus niks zinnigs over vertellen. Wel dat de Waalse en Vlaamse families (in rechte lijn intussen bijna uitgestorven) mekaar omarmd hebben voor een pak gelukkige jaartjes, dat mijn ouders op die bloedhete 27e juli 1947 getrouwd zijn (bijna niet, omdat de taxi hopeloos te laat was en de pastoor met een hele rij huwelijken rekening moest houden!) en dat er op 21 juni 1950 een ramp gebeurd is voor de mensheid. Ondergetekende.

 

Antoine Légat (11 10 14)

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s