Lieven Tavernier (cd presentatie ‘Wintergras’) op dag 1 van Brugges Festival in de Brugse Stadsschouwburg op vrijdag 7 november 2014: ‘Dit fijnproeversconcert zette in de verf dat Lieven Tavernier met ‘Wintergras’ weer een hoofdstuk heeft toegevoegd aan zijn prachtig oeuvre’

Tevens op http://www.rootstime.be, met fijne foto’s van Lieve Boussauw…

Twee maal een vol huis had dit moeten zijn maar noch de naambekendheid en status van het Brugges Festival, noch de steile kwaliteit van het aanbod slaagden erin om de grote massa te lokken naar de Brugse Stadsschouwburg. We laten ons hier niet uit over de redenen en we beseffen dat men niet kan teren op vergane glorie. Op het Brugges Festival traden sinds 1987 (2013 niet te na gesproken, want dan ging het niet door) de grootste namen op uit de niet-klassieke muziek, voor het gemak afgekort tot ‘wereldmuziek’.  Dat behelsde onder anderen folk, rebètika, flamenco, fado, ethnojazz, chanson, singer-songwriting, zelfs de betere pop, kortom alles wat met rootsmuziek kan noemen. In vele gevallen stonden die acts hier zelfs lang vóór ze elders als dusdanig erkend werden. We zouden nog de vele projecten die een aantal artiesten onder de vleugels van het festival mochten opzetten, éénmalig of in première. Brugges festival was in zijn programmeren soms (bewust) tegendraads, maar altijd gedurfd, kort op de bal spelend, zelfs visionair. Editie 2014 was daarin niet anders: met de cd presentatie van ‘Wintergras van Lieven Tavernier en het eerste Belgische concert van The Gloaming (soms ook TheGloaming geschreven) schreef de eerste dag van het festival zich in in de grote traditie van intussen al 27 jaar. Wie er wél was, weet dat er vooral met Ierse band geschiedenis werd geschreven. Niks ‘vergane glorie’!

Wintergras’ is de zesde cd van Lieven Tavernier (zijn zevende als we ‘Fanfare van Honger en Dorst’ meerekenen, de cd met ouder werk uitgevoerd met een heuse brassband, United Brass, uit 2013) en is een terugkeer naar de ‘oude’ Tavernier van vóór ‘Witzand’, waar Lieven voor een iets avontuurlijker setting koos, zonder in te boeten op het vlak van songkwaliteit. Dat kan ook moeilijk anders: Lieven schrijft niet ‘voor de volgende plaat’. De liedjes zijn niet zelden van oudere datum maar hij neemt ze mee voor die collectie, waarin die song ook het beste gedijt. Een aantal waren dus al live te horen, zoals ‘Toscane’ met zijn diep smachtend verlangen naar de aangesproken persoon, verlangen van hier tot in Italië. Het lijkt dus eerder een kwestie van ‘it’s always the same song’ (één van de uitspraken van Louis Van Gaal, de Nederlandse trainer van Manchester United, met wie de Britten zich keer op keer een deuk lachen… Louis bedoelt ‘the song remains the same’), maar is dat wel zo? Lieven brengt zijn liedjes, in de studio als op de scene, dan wel nog steeds op fluistertoon, in een bijna parlando, met een amper hoorbare snik (of is het afdronk), gepreveld als in een gebed. Maar schijn bedriegt: weg is zijn buitenmatige podiumvrees die hem soms onhandige, ongewilde en dus best grappige dingen liet doen. Gespeeld was het niet, maar een handelsmerk werd het wel.
Deze Lieven Tavernier zal gelukkig maar in de eerste plaats zichzelve blijven, een toppunt van aplomb en zelfverzekerdheid zal ie nooit worden (dat zou pas potsierlijk zijn) Maar de broosheid van voorheen blijkt alleen nog maar in zijn teksten, waar ze ten volle thuishoort, waar de mens groot is in zijn kleinheid. In de prachtige Brugse Stadsschouwburg (een plek die met te verouderen alleen maar mooier wordt, of is dat een gevolg van onze nostalgie?) schoof hij, misschien wel als knipoog naar dat verleden, zijn ‘bindteksten’ voor een deel door naar zijn podiumfamilie, dezelfde mensen als op de cd (allen present, op Jean-Marie Aerts en contrabassist Mario Vermandel na) Zo goed ter tale zijn die echter (nog) niet, tenzij dan Bruno Deneckere, de eveneens Gentse singer-songwriter die precies bekend staat om zijn snedigheid en gevatte commentaren op toneel. Het liefst blijft Lievens ‘brother in arms’ hier in zijn rol van anoniem begeleider die fijne accenten legt via zijn trouwe akoestische Takamine gitaar en zijn harp. Maar als het dan toch moet, dan laat hij zich horen en krijgt hij de zaal meteen plat. Lieven liet zich trouwens niet onbetuigd, al kwam de humor soms ‘in uitgesteld relais’ toe: dat deze schouwburg een magnifieke plek is, zouden we ook wel van The Gloaming te horen… En zo geschiedde! Martin Hayes zal zich wel verwonderd hebben over de hilariteit bij zijn opmerking…

Wat deden die trouwe begeleiders weer hun best, in het besef dat ze een steentje bijdragen aan het opus van Lieven, die al lang een categorie op zich vormt (ooit ontdekken onze nationale zenders dat nog wel!): plaatproducer Yves Meersschaert aan de piano, Gys Hollebosch op allerlei snaren (slide, Weissenborn, mandocello), Peter De Bosschere op drums, Klaas Delvaux op elektrische bas en tevens de cello, die met haar melancholische klankkleur zo fraai inspeelt op ’s meesters gedachtenloop. Zusjes Eva en Kapinga Gysel (die we kennen van bij Zita Swoon, maar sindsdien hun heerlijke stemmen lenen aan diverse projecten) sluiten in vocale schoonheid de rij. De verfijning en afwerking die deze mensen op cd tentoonspreiden, leggen ze ook live aan de dag, al was het eerst nog zoeken naar de juiste balans en zou de groep zeker nog sterker kunnen worden dank zij elk optreden dat erbij komt (dat ‘erbij komen’ is misschien een al te optimistische gedachte?) De songs verdienen deze vertroeteling…

En dat brengt ons eindelijk bij de eerst gestelde vraag: zijn die songs dan niet ‘meer van hetzelfde’? We hebben ‘Wintergras’ nog altijd niet in haar geheel kunnen beluisteren, maar het concert gaf uitsluitsel: wanneer elke song die Lieven en band deze avond brachten, je midscheeps raakt, dan zit het snor. De teneur en zelfs de woordenschat en bepaalde zinswendingen mogen dan bekend klinken, elk lied roept nieuwe beelden op, beelden over het leven in al zijn emotionele facetten, incluis het onvermijdelijke eindpunt (de titelsong ‘Wintergras’) Een geheim is er niet: elk lied vertrekt vanuit een concreet (al dan niet auto)biografisch gegeven. Zelfs moest dat niet zo zijn, moesten ze puur product van de fantasie zijn, dan nog heb je de illusie want de hoofdfiguren ‘ken’ je uit je eigen omgeving, als je al niet zelf de hoofdrol speelt: de herkenbaarheid vergroot de inleving. Bovendien Lieven giet zijn vertellement met die decennia lang bijgeschaafde taalvaardigheid van ‘m in heerlijke zinsneden. Vaak groeien die uit tot oneliners, gedachten op zich, van het soort dat je graag meedraagt en bovenhaalt als het eens minder goed gaat. Maar het totaalplaatje primeert.

Ook op ‘Wintergras’ blijken de liedjes doordrongen van tristesse, die aanschurft tegen de geprezen saudade uit de fado. De wanhoop haalt niet de bovenhand. Er schemert altijd dat straaltje hoop door, al weet je dat die soms alleen maar uit wrange spot bestaat: hoe anders moet je in ‘Geen kwaaie Vriend’ de zin ‘Je bent nooit alleen als je alleen bent’ begrijpen? Maar als de mist opklaart (na het zielsmooie, spaarzaam begeleide ‘De Schoonheid van de Mist’), staat ze daar en ‘Zij vlecht de Lente in haar Haar’. Je smelt bij zoveel ontroerende schoonheid, die van haar (al ken je haar van haar noch pluim) én van de song, maar ook nu voel je tempering in die pure vreugde en extase. In deze song komt alles bijeen wat Lieven tot een referentie op zich maakt… Het plaatst tegelijk alle goedbedoelde en begrijpelijke vergelijkingen met Woody, Bob, Randy, Townes, Joni, Bruce on hold. Elf songs telt ‘Wintergras’, elf songs hebben we genoteerd: de hele cd kwam dus aan bod. Verweesd bleven we achter…

Zit er niet zoveel humor in de songs zelf, dan wel op het podium: aan het einde van de rit keert het gezelschap weer voor het bisnummer en dit publiek heeft maar een half woord nodig: ‘Liedje over Gent, de hoofdstad van…’ Lieven hoeft het zinnetje niet eens verder af te maken om de lachers op zijn kant te hebben. Wat volgt is één van de signatuursongs van Lieven, ‘De Fanfare van Honger en Dorst’. Misschien is het de tijdsgeest, of misschien alleen maar ons aanvoelen, maar deze uitvoering klonk desolater, haast grimmiger dan voorheen. De afwezigheid van blazers die je met dit archetypische ‘saudadelied’ associeert, kan daar verantwoordelijk voor zijn, of de cello die mee voor een open einde zorgt. Want een nieuwe fanfare staat in een eeuwige cyclus klaar om te hongeren en te dorsten…

Voor hen die het graag nog eens samengevat zien: dit fijnproeversconcert zette in de verf dat Lieven Tavernier met ‘Wintergras’ weer een hoofdstuk heeft toegevoegd aan zijn prachtig  oeuvre. Parel aan de kroon, niet voor de zwijnen.

Antoine Légat.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s