Brugges Festival 2014 – Dag 2 met JONNA, Sarah D’HONDT, Lula PENA en YOLDA in de Foyer van de Brugse Stadsschouwburg op zaterdag 8 november 2014: ‘De tweede dag van Brugges Festival 2014 leek ondanks de grote diversiteit in het aanbod wel gewijd aan de vrouwenstem: Jonna, Sarah D’Hondt, Lula Pena en Özge Öz (Yolda) zorgden voor een fascinerende namiddag’

Op Rootstime met de prachtige foto’s van Lieve Boussauw!

Ook de tweede dag van Brugges Festival kon niet rekenen op een grote publieke belangstelling, ondanks de eens te meer boeiende namen plus een première van internationale allure. Alleen al voor Lula Pena, in de Portugese muziek een monument van haast mythische proporties, een grote dame die je echt niet alle dagen aan het werk kan horen, mocht het gerust storm gelopen hebben. Ach, dan maar geen Brugse metten. Wie er toch geraakt was, mag getuigen: het werd een heerlijke namiddag met als rode draad doorheen de vier concerten evenveel prachtige vrouwenstemmen.

Een pluim verdient ook Mark Lefever, de gastheer van dienst op vrijdag en zaterdag: met zijn bekende radiostem kondigde hij bondig maar hoofs en gereserveerd de artiesten aan en af, volledig in de stijl van het festival dat in de loop der jaren uitpakte met presentatoren als Jessie De Caluwé en Line Ooms. Om twee uur kondigde Mark een heel bijzonder iemand aan, een singer-songwriter van zeventien jaar… Hij overdreef niet in zijn lof vooraf. Sommige jeugdige artiesten zijn al zo goed dat ze inderdaad het recht hebben om hun kunnen snel aan een breed publiek te tonen. Jonna van haar kant is zo sterk dat ze haast de plicht heeft om dat te doen. In 2011, amper 14, won ze als jongste deelnemer de zangwedstrijd Talent der Lage Landen. Dat ze bij haar invloeden grote zangstemmen rekent als Billie Holiday, Lianne La Havas en Amy Whinehouse strekt haar tot eer, maar het is de eigen performance die je omver blaast.

Haar prille reputatie doet nu al de ronde: ze heeft intussen al een aantal opmerkelijke concerten gespeeld, maar voor de meeste aanwezigen, incluis deze scribent, zal ze wel een blinde vlek betekend hebben. Nu niet meer: Jonna (Laura Vanden Heede) beschikt niet zomaar over een dijk van een stem, met een aangenaam timbre, stem die ze moeiteloos kan plooien naargelang de eisen van de song, maar ze bezit ook de techniek om perfect te zingen, en vooral geloofwaardig te klinken, wat in de eindafrekening vanzelfsprekend het zwaarste weegt. Ze kan zich verdedigen op akoestische en elektrische gitaar en tevens op keyboards, en schrijft haar songs zelf, zinvolle reflecties eigen aan haar leeftijd. Die verpakt ze in (soms wat te) uitgewerkte structuren, waar ze emotie in weet te leggen, zoals in ‘Queen Of The Doubt’ of het vrij heftige ‘Lullaby’, daarom helemààl geen slaapliedje. Het Engels vormt duidelijk geen probleem, noch in schriftuur noch qua uitspraak, integendeel zelfs. Anders gezegd: zit er nu nog geen wereldsong tussen, wellicht wegens nog onvoldoende geleefd, dan laat ze horen dat ze die in zich heeft.

Dat ‘White Lady’ eventjes doet denken aan ‘White Room’ van Pete Brown en Jack Bruce, bassist-zanger van Cream, is uiteraard toeval, maar kan qua timing tellen, gezien Bruce kort gelden overleed. In ‘As Blue As Ink’ refereert ze nu eens aan Nina Simone, dan weer aan Fiona Apple, en da’s geen klein bier. ‘Don’t Wanna Lose You’ kondigt ze aan met ‘Dit nummer is altijd spannend’. Al snel horen we waarom: ze sampelt haar eigen stem zodat ze met zichzelf in harmonie zingt. Het is beslist niet alles suiker en zeem in Jonna’s universum: ‘Don’t Say A Word’ eindigt met ‘I’m afraid I don’t know how to let these monsters go’. Daar zet ze dan het iets opgewekter ‘The Rabbit’ achter, met voettamboerijn en voetdrum. Intussen is de enige cover gepasseerd, en die is er boenk! op: ‘Time’ uit ‘Rain Dogs’ van Tom Waits. Belangrijker nog is dat haar verfijnde benadering toevoegt aan het origineel. Dat kunnen er op haar leeftijd niet velen zeggen. Afsluiter ‘Inner Child’ lijkt bij eerste beluistering één van de sterkste liederen uit het aanbod. Ze mag terecht nog een bis brengen: met pianoballad ‘Too Bad For Me’ sluit ze passend af. Deze Jonna is een uitgesproken wissel op de toekomst!

Men kent Sarah D’Hondt van haar ‘debuut’ als tweede stem bij Lieven Tavernier, die hier gisteren zijn puike nieuwste ‘Wintergras’ kwam voorstellen. Het was snel duidelijk dat het bij Sarah niet bij achtergrondwerk zou blijven. Sarah mocht met haar capaciteiten gerust ambitie koesteren. Al blinkt ze ook uit in andere genres en talen, het Franse chanson is haar dada. In dat verband mogen wij u één voorlopig hoogtepunt niet onthouden.  Op 7 april 2013 won ze het 29e Concours de la Chanson van de Alliance Française Pays-Bas in een volgepakt Diligentia Theater in Den Haag. Het juryrapport van de eerste prijs, de Liesbeth List prijs, liet er geen twijfel over bestaan: Sarah verdiende deze award omwille van ‘haar professionele optreden en de uitstraling van het chanson’. Ze ontving hem uit handen van Liesbeth List in hoogsteigen persoon. Ze voegde eraan toe: ‘U bént het lied’. Een groter compliment is nauwelijks denkbaar, komende van een Grote Dame van het internationale lied…

Gitarist Bart Vervaeck is sinds een hele poos partner in crime in het Frans chansonprogramma dat Sarah uitwerkte en dat we al te zien kregen in Arscene. Contrabassist Ruben Lamon en accordeonist Rein De Vos vervolledigen het trio dat haar tegenwoordig bijstaat. Met zorgvuldig gekozen commentaren leidt ze de liederen in en soms ook uit. Die zijn een lezing uit het beste dat het chanson te bieden had sinds ‘Parlez-moi d’amour’ dat Jean Lenoir pende voor Parisienne Lucienne Boyer in 1930. Het werd later verkozen tot ‘hét Franse chanson van de vooroorlogse periode‘. In Sarah’s programma is het de logische opener. Later in het programma volgt ‘Toi, mon amour mon ami’ (ook ‘Mon amour mon ami’) van Marie Laforêt, een lied uit 1966, dat het chronologische eindpunt is in dit overzicht. De vraag of een jonge Vlaamse zangeres dit schier heilige repertoire wel màg zingen, is al snel overbodig als je Sarah D’Hondt aan het werk hoort. Haar passie, gedrevenheid en inleving zijn evenredig aan haar fraaie stem en technische meesterschap.

Natuurlijk kan en moet ze nog groeien vooraleer ze kan tippen aan de persoonlijkheid van haar grote voorbeelden, maar Sarah beseft dat, zoals bvb. bleek bij de introductie van ‘J’ai deux amours’ en haar beschrijving van de karaktervolle Josephine Baker. De gepaste bescheidenheid belet niet dat ze nu al uitblinkt en dat ze vastbesloten is mettertijd haar stempel te drukken op ‘het lied’, in welke vorm dan ook, waarheen de weg haar ook leidt. Er is ook het visuele aspect. Wie moeite heeft met de erg ‘Latijnse’ benadering onderschat de functionaliteit van dat theatrale. De mimiek en de gebaren ent Sarah op de lichaamstaal van de diva’s die het chanson in zijn gloriejaren bevolkten. Bovendien ‘speelt’ ze dit niet: de woorden van grote Liesbeth indachtig IS ze de hoofdfiguur van ieder lied. Edith Piaf of La Môme Piaf (met haar echte naam Edith Gassion) neemt in dit aanbod een belangrijke plaats in met enkel van haar topnummers: ‘Sous le ciel de Paris’, ‘Domino’, ‘Je ne veux pas travailler’, het archetypische ‘La vie en rose’,  ‘Johnny, tu n’es pas un ange’ en aan het einde ‘La Foule’ en ‘Je ne regrette rien’. Maar ook Lucienne Delyle en haar eerste grote succes (valse musette ‘Mon amant de Saint-Jean’, 1942), Yves Montand met het onsterfelijke ‘Les feuilles mortes’ van Jacques Prévert en Joseph Kosma (1945) en zelfs Georges Brassens met ‘Au grand café’ (dat dan wel van de hand van Charles Trenet is) passeren de revue. De solo’s van Bart op de elektrische gitaar en van Rein op zijn ‘piano du pauvre’ rondden dit gave concert af.

Lula Pena was al eens op Brugges Festival, op de 12e editie in 1999. Ze had toen net in Brussel haar eerste album ‘Phados’ opgenomen. Al was het potentieel van de toen 24-jarige duidelijk, ze leek zich onwennig te voelen in die grote Stadsschouwburg en met de mediabelangstelling die toen rond haar was ontstaan. Ze gaf dan ook een onzekere indruk. Dat schichtige heeft ze, anderhalf decennium later, nog steeds, maar de toch iets kleinere foyer van diezelfde schouwburg en het feit dat er toch wel wat vertrouwde mensen aanwezig waren, maakten dat ze daar tijdens het optreden geen last van scheen te hebben. Bovendien is ze al artieste duidelijk gerijpt. Pena werd geboren in Lissabon en groeide op met als achtergrond een mix van heel wat muziekstijlen, van de oude polyfonie over Dylan en Beatles tot de jazz, maar ook de Portugese muziek. Dan denkt men al snel aan de fado van Lisboa (en van Coimbra) en aan het Monument dat de fado voortbracht, Amália Rodrigues (1920-1999) Ook voor Lula betekent zij ‘alles’, en daarom neemt ze alle essentiële elementen uit de fado over, al is haar eigen muziek bevrucht door andere stijlen, van bossa nova (opvallend in haar gitaarwerk) naar Frans chanson. Zolang die haar intenties dienen en de fadokern niet verraden, kent ze daarin geen grenzen.
De puristen wel: net als Misia wordt ze niet echt aanvaard in gestrenge fadokringen. Net als Misia verhuisde ze eerst naar Barcelona, alvorens naar het noorden te trekken. En waarom was ze zo vaak in Brussel? We lazen ergens dat ze dààr de saudade beter kon voelen, precies omdat ze er zo ver van huis is. Ze werkte in Brussel ook aan een tweede album, dat er echter niet kwam. Op zeker ogenblik dacht ze zelfs aan stoppen met optreden. Hoe dan ook werden concerten schaars. Maar ze verraste in 2010 met het ijzersterke ‘Troubadour’, dat de lijnen uitgezet door ‘Phados’ doortrok. Die plaat vatte ze op als een suite in zeven acto’s, zeven bedrijven. Daarin verwerkte en bewerkte ze (meestal bekende) fado’s (o.a. Amália’s ‘Fado de Cada Um’), enkele traditionele liederen, o.a. twee waar ‘Troubadour’ mee begint (na een opmerkelijke intro met straatgesprekken) en een lied uit Alentejo streek, een ballade van de Azoren, met daartussenin getoonzette literaire teksten. De hele derde ‘acto’ is geheel eigen schepping. Dat alles bouwde ze uit tot één vloeiende, harmonische symfonie.

Al bij zoiets prozaïsch als de soundcheck liet het zich raden dat we een wereldconcert zouden krijgen. Lula bracht ‘Troubadour’ in Brugge zoals het hoort: als één, nauwelijks onderbroken suite. Ze mocht na dit fascinerende concert uiteraard een bis brengen, maar ze vroeg ons, ze smeekte ons haast om dat niet te moeten doen, precies omdat de suite één afgerond geheel vormt. Elke toevoeging zou de ban van deze ring breken. Natuurlijk zag niemand daar graten in: Pena had, zichzelf begeleidend op een kleine gitaar, haar in gewijde stilte luisterend publiek meegevoerd op een reis naar haar vaderland en het land in haar hoofd. Het was een dwaaltocht waarin de eigen fantasie een grote rol speelde (tenzij voor wie het zo melodische en soepele maar weerbarstige Portugees, zo anders geschreven dan uitgesproken, meester is) Lula’s zegging, haar warme, vertrouwenwekkende stem waar de saudade in doorklinkt, stem die ze plooit naar de poëzie die ze zo helder en verhelderend zingt en haar ragfijne gitaarspel behoeven geen Google Translate om begrijpelijk te zijn. Ze weet zelfs van… gehijg muziek te maken. Het subtiele gebruik van de gitaar als percussie vormt de subtiele fade out van de suite. Na haar verzoek om geen verzoek te spelen, verdween ze even spichtig als ze gekomen was. Een hele grote dame die aan soesa en poeha totaal geen behoefte heeft.

En dan was er Yolda, orgelpunt van this year’s Brugges Festival… Al viel dàt nog af te wachten. Want eigenlijk ging het om een (pre)première van een project dat het schrijven van nieuw materiaal inhield, grotendeels bedacht op een road trip van Istanbul naar Gent. ‘Yolda’ betekent gewoon ‘Onderweg’… Yep, zoiets noemen ze ‘recept voor een knetterende catastrofe’… Maar niet als de projectleider Wouter Vandenabeele heet, want Maestro Viool uit Sint-Niklaas draait zijn hand niet om voor een experiment meer. Wouter vertrouwt hiervoor op zijn lef en intuïtie, zijn gave om goeie en gepaste musici op te trommelen, zijn fenomenale first/last minute organisatietalent, zijn schier onbegrensde kunde op de viool en als componist-arrangeur, zijn ervaring als lesgever én zijn liefde voor volkse muziek uit de hele wereld, Griekenland, Zuid- en West-Afrika, Oost-Europa, het Midden-Oosten…. Vergeten we iets? Wie dit veel lof vindt, moet zich zelf maar eens vergewissen van Wouters veelzijdigheid, een kunstenaar in de metamorfose… als hij maar niet moet zingen en bindteksten voorbereiden (zijn kleurrijke impromptu commentaren volstaan!)

Onderweg/Yolda/En routekwam er in opdracht van zowel de Handelsbeurs als De Centrale (plus nog drie partners in Oost-Europa en Turkije), resolute pleitbezorgers van de ‘wereldmuziek’. De sterke connectie van De Centrale met de lokale bevolking van de Hamwijk  waar het intercultureel centrum gevestigd is, maakt dat er vaak initiatieven zijn met een Turkse background. ‘Istanbul Ekspres’ heet het muziekfestival met een focus op de muziekscène van deze wonderlijke stad, schrijlings tussen Europa en Azië. Tijdens dit festival, waar Yolda in past, komt zowel de Turkse traditionele muziek, rock/pop, jazz als klassieke muziek aan bod. In 2014 vond Istanbul Ekspres plaats van 7 tot 16 november. Wouter nam deze zijn missie met beide handen aan en voerde die letterlijk uit.

 

Voor deze Istanbul Ekspres trokken zes, voor onze muziek representatieve muzikanten naar Istanbul en Izmir in het kader van ’50 jaar Migratie’ en per twee deden drie teams de reis terug langs een historische migratieroute. Onderweg kregen ze bij een vooraf bepaalde halteplaats een lied cadeau van een lokale ‘migratiemuzikant’. De hele reis van de drie ploegen werd ook gefilmd en vertoond op de première in de Handelsbeurs (doch niet in de Brugse ‘try out’) Alsof het zo moest zijn, vormde Wouter team met Gents gitarist, pianist en songsmid Tomash Noël, bekend van o.a. Le Grand Bateau en Catherine Delasalle. Voor het eerst in twintig jaar werkte Wouter dus samen met de man met wie hij in Aalst zijn eerste stappen in de muziek zette. In Turkije deed Wouter bovendien een dubbele ontdekking: zangeres Özge Öz Erdoğan (‘Erdowan’ uitgesproken, zoals de president, ‘…maar geen familie’ haast Wouter zich te verduidelijken) en percussioniste Ayten Çelik (Ayten volstaat, zoals het ginder de gewoonte is), die meesterlijk derboeka/darboeka (vaastrommel) en def (lijsttrommel) speelt.

In de instrumentale intro leggen piano, viool en darboeka dermate mooie accenten, dat ze meteen de idee onderuit halen dat het gezelschap vlug wat bijeen geraapt heeft. Naar het schijnt zitten hier twee Turkse volksliederen in verwerkt, een lied over mooie bergen en één over gemis… Zo klonk deze openingszet ook. In het daaropvolgende Turkse amànlied laat Özge Öz dan weer horen welke ongelooflijke zangeres zij wel is: vocalises, inflecties en micro-intervallen (het westen verdeelt het octaaf in 12 stukken, de Turkse muziektheorie verdeelt het in niet minder dan 53 komma’s!) zingt ze met het grootste gemak. Dynamiek en precisie, alles beheerst deze nachtegaal, begiftigd met een helder stemgeluid, tot in de puntjes. ‘Onderweg’ krijgen we een prachtige song van Tomash (vergeten de titel te vragen…), overigens met intrigerend ritme, mooie interactie Wouter-Tomash, uitgemeten scatting door de zangeres en een ragfijne fade out. Zo’n sublieme eindes kwamen nog een paar keer voor. Diverse Turkse klassiekers vormen de basis voor de deels geïmproviseerde uitvoering. Eén Turks lied voorziet Wouter van een straffe taxim, een ritmisch vrije, toonschaal verkennende introductie, waarvoor hij de handen op elkaar krijgt.

In de voor zijn team afgesproken pleisterplaats Boedapest kreeg Wouter van de Armeense zangeres Gaya een schat van een lied over een ‘meisje dat bang is omdat ze gaat trouwen’. Dat zullen we dan maar geloven. De ‘haylo haylo’ zang werkte bijzonder aanstekelijk: voor een droevig iemand is ze behoorlijk vrolijk! Sneller dan verwacht zijn we aan nummer negen toe… Ten afscheid speelt Yolda een deun uit het gebied der Zwarte Zee, wat de muzikanten de kans geeft nog kort solo te interveniëren. Een guitig ‘duel’ tussen Ayten (darboeka) en Wouter behoort tot de laatste ‘wapenfeiten’. Intussen heeft het gezelschap er nog een extra concert in het Gentse Muzikantenhuis opzitten en is de officiële première in de Handelsbeurs (op 14 november) een feit… Om Brugges Festival 2014 ‘officieel’ af te sluiten, heeft Mark Lefever nog een dankwoordje veil. Zijn ultieme woorden worden hopelijk bewaarheid: ‘TOT VOLGEND JAAR!’…

Antoine Légat.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s