KOEN DE CAUTER QUARTET in Arscene te Hansbeke op zaterdag 3 mei 2014: ‘Wat een verschil met die vooraf grondig bestudeerde en ingestudeerde ‘performances’, waar elke seconde netjes afgelijnd is en elke verrassing dan ook uitgesloten is. Dit lééft, deint op de emoties die de muziek oproept.’

Zie ook http://www.folkroddels.be

Veel volk voor de terugkeer van het Koen De Cauter Quartet naar Arscene, Hansbeke. Wie denkt dat dit gaat om een afrekening onder cowboys of maffiosi, is volgens sommige muziekhaters in de buurt. Maar niet zo voor de alerte muziekliefhebber: die weet dat Koen met zijn drie zonen plus selecte gasten, in studio Arscene in mei 2012 de cd ‘Pour un petit bonheur posthume. Hommage à Georges Brassens’ opnam, niet de eerste cd die in de vier jaar jonge Hansbeekse studio werd ingeblikt, en evenmin de eerste cd die Koen wijdde aan één van zijn jeugdhelden. Zo waren er al het meesterlijke ‘Il suffit de passer le pont’, later ‘Chante Brassens’ en eigenlijk ademt het werk van Koen, solo, in combinatie met andere artiesten of met talrijke formaties, altijd wel Brassens. Wie Koen De Cauter zegt, zegt natuurlijk ook Django Reinhardt, het lichtende voorbeeld om in 1975 te starten met het Waso Quartet, dat wij leerden kennen, als voorprogramma van Tom Waits in Antwerpen (24 april 1977, Elkerleykzaal), en dat werd een memorabele avond, niet alleen omwille van het knappe maar bewogen optreden van Waits die schier op de vuist ging met zijn drummer, ook omdat Waso een onuitwisbare indruk naliet… We hebben er later met Vivi Limberger nog over nagepraat. Waso was toen mee verantwoordelijk voor de opleving van de interesse rond de grote jazz-manouche gitarist, de man met Belgisch paspoort maar door zijn zigeunerafkomst niet gestopt door grenzen en dus een ware kosmopoliet.

 

Vandaar dat het programma de naam ‘Hommage à Brassens et Django’ heette, zoals Koen zelf zei, een totaal overbodige titel, maar het kind moest nu eenmaal een naam krijgen. Meer to the point was de aankondiging van Wouter Labarque van Arscene: ’Blaas- en Snaarwerken De Cauter & Zonen’. Gaandeweg zouden in de set trouwens een aantal andere ‘helden’ dan Georges en Django de kop opsteken. Al van opener ‘Swing 39’ (Django, wat dacht u?) blijkt een belangrijk adagium te spelen: het heeft geen zin op het podium plaatopnames na te spelen, want betekent ‘live’ niet ‘levend’ en is men het dan niet aan zichzelf en het (daarvoor betalende!) publiek verplicht om het vaste gegeven ter plekke, met de stemming van het moment, te herkauwen en te herscheppen? Nou, daarin zou Koens offspring heel ver gaan, maar Koen zelf liet zich niet onbetuigd, nam meestal zelfs het voortouw in het experiment. Vooral Waso week af van het klassieke patroon van het o zo belangrijke ritme van de slaggitaar in de swing jazz, of liever, hij week niet af van het ritme: hij gebruikte zijn instrument niet zelden in oneigenlijke zin, als percussie. Zelfs Dajo’s contrabas was hier niet veilig voor en eigenlijk was Myrddin, het grootste deel van de avond op de klarinet, nog de minst atypische muzikant in deze context, maar zijn moment zou nog komen.

 

Een uiterst gevoelige, bijzonder fraaie compositie van Waso, ‘Le Grand Meaulnes’ zet het concert verder. ‘De Grooten Avond’ van Wannes Van de Velde eert het ooit zo gezellige maar  opgedoekte Gentse theatercafé. Koen brengt daarmee op zijn beurt een collega, een vriend en een monument voor het voetlicht. Want intussen is het doorgedrongen dat de Wannes een mijlpaal betekent in het Vlaamse lied. ‘La Marine’ creëerde Brassens op een gedicht van de man die hij zozeer bewonderde, dichter Paul Fort (het staat niet op ‘Pour un bonheur posthume’, maar wel het nu niet gespeelde, van sfeer en tekst zo verrassende ‘L’enterrement de Paul Fort’, dat hij dan weer niét speelde; Koen maakte hiervoor zelf de muziek, want de tekst hoorde bij de overgeleverde ‘paroles sans musique’) ‘Ik zag Cecilia komen’ volgt, een uitvoering met afwisselend mooie solo’s van Koen en Myrddin. Koen leidt het in met een gedachte die je aan het denken zet: ‘Het is niet WAT men doet, wel HOE men het doet. Als dat sterk genoeg is, wordt het vanzelf wel weer een WAT…’ Het komt er zo laconiek uit dat de man er zelf van lijkt te schrikken… Maar de redenering klopt bij nadere beschouwing als een bus. Net als het arrangement van ‘Le bistrot’ waarin Brassens met meesterlijke rijmen een goeie vriend caféhouder vakkundig ‘uitmaakt’ (‘…tenu pas un gros dégueulasse’) Het arrangement kan je enkel als ‘maf’ omschrijven, maar het kàn, want de tekst leent zich daar wonderwel toe. 

 

Dajo vraagt en krijgt ‘eens iets anders’ en dat wordt dan ‘The Man I Love’ van die fabuleuze George & Ira Gerschwin. Dit tot jazzstandard uitgegroeid musical lied (1924) was indertijd het voorwerp van een hele controverse, meer dan één zelfs (overigens nu zowat onbegrijpelijk), maar vanavond dient het als bindmiddel tussen de vier. Hier is een bijzondere chemie aan het werk. Wat een verschil met die vooraf grondig bestudeerde en ingestudeerde ‘performances’, waar elke seconde van de set netjes afgelijnd is en elke verrassing dan ook uitgesloten. Dit lééft, deint op de emoties die de muziek oproept. Lange tussenkomsten van Myddin, Dajo (open doekje) en Waso (idem) kleuren het nummer. Het is soms vallen, maar met zoveel métier is het ook telkens weer glorieus opstaan. En er is de ‘basismaterie’, die zo solide is. Aan het einde van het eerste deel is die basis dan weer ‘Voor de Deur’ van de Wannes: ‘Voor de deur van de tavernen in de schaduw van de noen / zitten mannen stil te spreken met Ulysses op hun tong’ … Wannes herleeft in zo’n uitvoering.

 

Dinette’ van Django opent zwierig deel twee. Een vriend van Koen én van Brassens, André Tillieux, vond in een ‘Anthologie’ dat Georges bezat een gedicht van Sully Prudhomme (1839-1907), ‘Fort en thème’, waar Brassens bij geschreven had ‘A mettre à musique’ en ook nog ‘Supprimer le six premiers couplets’. Koen zette het als ‘Le Gant’ op noten en nam het elegante en zacht sensuele verhaal op in de hommage aan de meester: ‘Mais une demoiselle sage / Ne laisse pas traîner son gant. / Le vôtre, un jour, sur mon passage /  Échappa de vos doigts pourtant.’ Schroom overvalt de ik-persoon, die zich later laat kennen als ‘le dernier de la classe’:  ‘Oh ! Ce fut bien involontaire ! /Mais j’en frémis. Comment laisser / Sous vos yeux votre gant par terre, / Quand je n’avais qu’à me baisser ?’ Tegenwoordig is men minder omzichtig in zelfanalyse en contactname! ‘Supplique… pour être enterré à la plage de Sète’ vormt de brug naar de overbekende musette ‘Indifférence’. Plaats om te walsen is er in het volgepakte Arscene niet, maar dat zou hoe dan ook moeilijk gaan zodra het percussieduel tussen Koen en Waso uitbreekt, terwijl Myrddin de palmas verzorgt, flamenco style. Het zielsmooie ‘Belle dame’, met een gestreken bas in de intro, is dan van Henri Contet en Paul Durand, maar Koen haast zich om erbij te zeggen dat hij het via Brassens leerde kennen. Het was uitzonderlijk dat Georges iets zong van iemand anders, maar deze beschouwing over de vergankelijkheid van de goeie dingen des levens kon ook hij niet weerstaan.

 

In deze galerij mocht deze figuur niet ontbreken: Ludwig Van Beethovendie mij mijn hele leven vergezelt’. De man was toen hij de 7e Symfonie schreef, serieus doof aan het worden en zal het beroemde Allegretto (2e beweging) hieruit zelf niet goed meer gehoord hebben. Wij des te beter. Dajo overtreft zich in dit prachtige stuk dat noodlot ademt. ‘La femme d’Hector’ is dan heel andere koek. Brassens zou opkijken van de vrije interpretatie door deze vier schavuiten. Eventjes zet Waso zelfs een tegenbeat in… Georges goes reggae? Als opwarmer voor zijn concert hier in Arscene op 31 mei (met een cantaor én en een bailaora!), haalt Myrddin de flamencogitaar boven en speelt hij een tangos. Al is het dan zonder opwarming (sic!), men kijkt zich de ogen uit bij zoveel vingervlugge precisie. Myrddin sluit immers na jaren keihard werk aan bij de wereldtop van de tocaores. ‘Si le Bon Dieu l’avait voulu’ (op een gedicht van Paul Fort) werd één van Brassens’ bekendste nummers. Zo mogelijk nog meer iconisch is ‘Les copains d’abord’, de waardige afronding van een concert dat in alle opzichten uniek en eenmalig mag heten. Er volgt nog een bis, waarin het Quartet een thema uitwerkt, een reeks va-et-vient improvisaties die volgens onze aantekeningen stuk voor stuk het epitheton ‘woest’ verdienden, à l’image du concert.

 

We hebben toch nog een vraagje, waar we tijdens de keuvel achteraf een fraai antwoord op krijgen… ‘Als Beethoven de grootste is, waar staat Bach dan?’ Lang moet over deze ‘strikvraag’ niet nagedacht worden: ‘Als Bach speelt, bestaat Beethoven niet meer. Als Beethoven speelt, bestaat Bach niet meer.’ Maar als het Koen De Cauter Quartet speelt, dan leven Django, Brassens, Beethoven, Wannes et les autres. Dat staat buiten kijf… Zoals onze electricien zegt: ‘Er bestaan nog zekeringen in het leven’.

 

Antoine Légat

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s