KOMPANIA in De Centrale te Gent op donderdag 6 maart 2014: ‘Een uitermate genietbaar concert dat, net als de recente studioplaat, ondanks de korte periode van gisting maar gebruikmakend van de eerder opgebouwde ervaring, een netjes uitgebalanceerd geheel vormt van stijlen, componisten en periodes, en zelfs verwijst naar de bronnen van de rebètika/smyrnèïka’

Zie ook rootstime.be

De liefde voor muziek… Er zijn vele manieren om ze te belijden. Maar sommige doen meer plezier dan andere. We weten nog altijd niet wie het initiatief nam, maar toen vijf Atheense muzikanten, ondanks hun nog behoorlijk jonge leeftijd al zeer beslagen, besloten om zich op de erfenis van de eerste helft van de twintigste eeuw te storten, staken ze het vuur aan de lont van een immens kruitvat. Nee, geen lucifer, natuurlijk, maar passie ieder uur. Die passie betreft, dat had de aandachtige lezer al lang in het snotje, de klassieke rebètika (*), toch wat wij nu ‘klassiek’ noemen, want als je die term gebruikt had voor de Piraeusstijl (die kort bloeide tussen 1933-1937, maar al lang ondergronds broeide en uiten Hellas al triomfeerde, o.a. in de States) bij de Griekse burgerij, dan had je niks dan hoongelach en misprijzen geoogst, want het was de primitieve muziek van de zelfkanters in de grootsteden, gelinkt aan hasjketen, bordelen, dubieuze badhuizen en de fylakí, de gevangenis, en gespeeld op de ‘verwerpelijke’ bouzouki in oosterse, lees Turkse modi. Het was de soundtrack van de manges, de harde/toffe binken die er hun eigen gedrag, kleurrijke codes en bargoens op nahielden. Geen wereldverbeteraars, wel verworpelingen. Daaronder bevonden zich, toen goed gemaskeerd door het dédain van de goegemeente maar in onze tijd onmiskenbaar en finaal erkend, een flink aantal grote muzikale talenten, van wie Markos (Vamvakàris) de belangrijkste bleek.

 

Parallel liepen de smyrnèïka van de uit Klein-Azië na 1922 verjaagde professionele muzikanten die ook zangeressen hadden (onthou Rosa Eskenazi) Die oriëntale stijl zou helemaal opgaan in de latere rebètika. Na een periode van (zelf)censuur en (burger)oorlog doken in 1948 de ouwe rebètes weer op… om door diezelfde burgerij omarmd te worden. De songs werd ‘opgekuist’, de act salonfähig gemaakt (hoewel…), er kwamen virtuozen als Manólis Chiótis, terwijl Vasilis Tsitsànis precies die dingen componeerde die het hart van iedere Griek raakten en met ‘Bewolkte Zondag’ het tweede en eigenlijk het echte volkslied schreef. Het was de tijd van de archondorebètes: zij die bij wijze van spreken met de Rolls-Royce kwamen zingen over achterstelling, armoede en LDVD. Een aantal vooroorlogse figuren geraakte daardoor wel uit de mode. Het succes was tegelijk de doodsteek: de smaak verbreedde en de rebètika werden opgeslorpt in het grotere geheel van de laïkà, de Griekse ‘popmuziek’ van de late fifties en sixties, een mengeling van westers variété, Indische filmmuziek en veel bouzouki’s. Intussen triomfeerden de èndechna, de ‘kunstliederen’ via reuzen als Mikis Theodoràkis en Manos Hadjidàkis (met muziek die sterk aanleunde bij de rebètika, maar met de beste Griekse poëzie) en de rebètes stierven of ze werden groenteboer. Weinig bekend is dat een aantal bekende namen nog clubs op straten waar je tot in de sixties de oude klanken kon horen, maar die bereikten enkel de die hards

 

Pas onder het kolonelsregime stonden visionaire jonge musici op, die de nog levende rebètes weer opvisten, haast gelijktijdig met wat er in de States met de oude bluesgoden gebeurd was: lieden als Markos en zangeres Sotiría Bellou stonden ineens weer in de schijnwerpers. Sindsdien is het hek van de dam en is rebètika nooit meer ‘out’ geweest: er waren en zijn de steeds beter gedocumenteerde heruitgaven van de oude opnames, er kwamen revival bands die hondstrouw of met enige vrijheid de oude muziek reproduce(e)r(d)en, er stonden bands en singer-songwriters op die de rebètika als inspiratiebron gebruiken (zoals de betreurde Nikos Papàzoglou deed) en de Griekse muziek is in het algemeen doordrongen van die ouwe muziek, al was het maar door het constante, nauwelijks te verduren gejengel van bouzouki’s op de Griekse radio in wat men zo flatterend de ‘skylàdika’ heeft gedoopt, de ‘hondse liederen’. En zo besloten de vijf jongeren van de aanhef om vrij vormgetrouw, maar zonder muilkorf de rebètika van de glorietijd naar het heden over te enten: Katerína Tsirídou & Kompanía was geboren, de naam ‘kompanía’ gebruikelijk, ook voor het eerste en ronduit legendarische rebètikakwartet uit 1933 o.l.v. de al wat oudere Yorgos Batis en met Markos, Anestis Delias alias Artèmis en Stratos (Payounmtzís), alle vier songschrijvers van stand en met Artemis als de enige bekende drugsdode binnen de toenmalige beoefenaars van de rebètika…

 

Veel meer roots kan de muziek niet zijn, dat spreekt, maar het vroeg een kennersoog, en dan nog een buitenlands, om de groep te onderscheiden van de andere kompaníes in het ruime aanbod in vooral Athene en Thessaloníki. Dat was dan Margôt Schenk en Loek Schrievers van de Nederlandse rebètikoformatie Palio Parèa. Eerst moest de groep een zware tegenslag verwerken: violist Éktoras Kosmàs, tevens de gangmaker van de band, overleed schielijk in maart 2012. Maar niets kon de dynamiek van de band nog afremmen. De naam werd verkort tot Kompanía, wat gewoon beter de gelijkwaardigheid binnen de band reflecteert. Er kwamen een enthousiast onthaalde toer van Nederland en België (met als vijfde lid accordeonist Yannis Kalafatèlis), en een Nederlands concert werd ingeblikt en snel uitgebracht: ‘Live!’ is een uitstekende weergave van hoe de groep op toneel presteert en een welkome aanvulling op de soloplaten van Katerina Tsiridou (‘Kismet’ en ‘Opou ki’ an ise, yírise…’) zanger en baghlamàsspeler Sotíris Papatrayànnis (‘Romantsa’), platen die al met ondermeer de groepsleden waren opgenomen.

 

Het was een schot in de triandàfylla: ‘Live!’ stond in februari 2013 plots op de vijfde stek van de smaakmakende World Music Charts Europe, waar ze overigens flink wat tijd zouden doorbrengen.Het was de aanzet tot de opname van een studioplaat, die ondanks de korte periode van gisting maar gebruikmakend van de eerder opgebouwde ervaring, een netjes uitgebalanceerd geheel vormt van stijlen, componisten en periodes, en zelfs verwijst naar de bronnen van de rebètika/smyrnèïka. De titel ‘Met’Epistrofís/Round Trip’ is daarom uitstekend gekozen. Opnieuw scoort de cd uitstekend in de internationale pers. Een nieuwe toer drong zich op, al was er eerst nog een wissel: accordeonist Tzimis (‘Jimmy’) Ginis (met een harde –g- uitgesproken) nam de plaats in van Kalafatèlis, wat, gezien het feit dat de man vertrouwd is met dit repertoire, zonder grote schokken of aanpassingen geschiedde. De ‘officiële’ cd-presentatie greep plaats in Athene op 9 februari. Drie Belgische concerten gaan een zevental Nederlandse concerten vooraf, waarna nog drie concerten in Duitsland volgen. De passage van 6 maart in de Turbinezaal van De Centrale te Gent gaf de aftrap. Dat lokte een zo goed als volle zaal.

Rootstime! Tzimis zet ‘Kori Màyissa’ (van de nieuwe) en de krachtige stem van Sotiris vertolkt de wanhoop van de hoofdfiguur, die zich betoverd weet door de ‘jeugdige toverkol’ en haar liefdesdrankjes. Daar komen de stemmen van eerst Katerina en dan Dimitris bij, met daarbovenop nog de extra inbreng van Nikos, een sterke opener voorwaar! Met drie, resp. vier stemmen heeft Kompania een grote troef in handen: vele kompanies moeten het doen met één vocalist. De rolverdeling is dezelfde als voorheen: de muzikanten netjes op een rij. Rechts zit Nikos Protopapas die volkomen ‘onzichtbaar’ zijn niet te onderschatten rol van (akoestisch) gitarist vervult. Het lijkt enigszins op de rol van de slaggitarist in de swing jazz, al is die zo mogelijk nog vitaler voor het geheel. Links de zwijgzame Ginis die ten gepasten tijde uit zijn invullende functie treedt en to the point soleert. Van links naar rechts Dimitris Kranidas, virtuoos op de bouzouki (zoals dat hoort de ‘oude’ trichordo met drie paar snaren), maar enkele malen ook op de dikbuikige laouto (de luit), waar hij al even bedreven mee omspringt, zoals hij bewees in een taxími (ritmisch vrije, toonschaal verkennende solo introductie) in ‘Kanís Dhe Vrèthike Yatrós’ (‘Geen dokter kan mijn pijn genezen’ een compositie op tekst van Minos Matsas door de belangrijke maar vaak over het hoofd geziene Kostas Skarvèlis: ook daar heeft de band oor voor), tegen het einde van de eerste set.

 

Dimitris zingt eveneens, maar doet dat in een benepen stijl zoals je die op oude 78 toeren kan horen, wat het geheel een bepaald antieke kleur geeft, alsof je naar zo’n oude bakelietplaat of cylinder luistert. In het midden zit Katerina die met haar klare (mezzo?)sopraan de sterren van de hemel zingt. We zagen haar jaren terug als jong ding schitteren bij de uitmuntende, maar voor zijn begeleiders en zangers erg veeleisende rebètis Agàthonas Iakovídis (hij was in de lage landen in maart 2001), maar ze wint nog elke keer aan maturiteit en expressiviteit. Ze bespeelt ook vaardig en met gratie tamboerijn, lepels, zilia (belletjes), castagnetten, maar ook de baghlamàs, het kleine broertje van de bouzouki met een niet naast te horen hoge pitch. Je denkt aan zangeressen als Marika Ninou of Rita Abadzí. Rechts van haar (altijd vanuit het publiek gezien) zit Sotiris die niet enkel zingt maar ook al de baghlamàs bespeelt.

 

Rebètikagroepen willen wel eens zeer uit de losse pols spelen. Dit vijftal zit er ontspannen bij, maar de uitvoeringen zijn scherp en precies. De inleving is voorbeeldig: je wil Sotiris grif geloven als hij ‘ootmoedig bekent’ dat hij de ‘nargilèh fumàro’, dat hij de ‘waterpijp rookt’ in ‘Teketzís’ (‘Tekesman’, de tekès zijnde het hasjhuis) Idem voor Katerina als ze haar liefde niet durft verklaren, maar haar hoop stelt in een nachtje uitgaan naar de ‘bouzoùkia’, de clubs, waar ze wel over de brug durft komen… hoopt ze. Het knap uitgespeelde contrast tussen de langoureuze liefdesklacht en de explosie van levensvreugde in de club maakt van deze zeïbèkiko (lied in samengesteld ritme… U weet het als danser wel: dat éne stapje te veel… of te weinig) een hoogvlieger. Kompania belicht ook de Amerikaanse zijde van de rebètika: Dimosthènis Zàttas schreef in 1928 ‘O Pinóklis’ over een immigrant uit Piraeus die allicht met grote dromen in ‘het land van Columbus’ belandt maar zich in New York laat verleiden door het kaartspel, met alle gevolgen van dien. Je vindt het origineel door Zàttas en Yannàkis Ioannídis, wat een mooie vergelijking oplevert met de opname van Kompania.

 

De eerste set sluit met een smeuïge tsiftetèli, een buikdansritme dus. ‘Arapína mou skertsóza’ (‘Mijn flirterig Negermeisje’), compositie van Rosa Eskenazi, wordt opgeluisterd met een vraag en antwoord spel tussen Katerina en Sotiris-Dimitris. Hele aangename eerste set, maar de liefhebber weet dan al, aan de songkeuze, dat het beste materiaal na de pauze zou komen. En zo pakt het ook uit. Geen ‘Misirloù’ ditmaal, de stokoude song (veel ouder dan de eerste opname in 1927) die men dank zij surfrockers Dick Dale & The Del-Tones en de film ’A Swingin’ Affair’ (1963) tot in de States kent, wat via ‘Pulp Fiction’ nog eens in de verf gezet werd. Maar het begon meteen met ‘Thalassàki mou’ (‘Mijn Zeetje’): geen rebètiko, maar een traditioneel lied, dus een dimotikó, maar bewerkt door Antonis Apèrgis (°1963; de uitspraak ligt dichter bij Adonis Apèrjis, maar het schriftbeeld heeft zijn rechten), virtuoos op de outi (oed, de Arabische luit) Katerina zingt deze tijdloze liefdesklacht, spaarzaam begeleid door het accordeon en de gitaar, zoals enkel de grootsten dat kunnen, met een inflectie en een timing die de indroevige tekst perfect onderstrepen. De zaal luistert er ademloos naar en drijft mee op de gevoelens. Wij krijgen hier kiekenvel van, hier doen we het begot voor…

 

Maar daar is al het luchtiger ‘Sklava tou Pasa’: tja wat wil je, als de ‘slavinnen van de Pasja’ aan de beurt zijn. Sotiris verkneukelt zich al in hun ‘chiljès omorfiès’, hun ‘duizend schoonheden’. Dimitris zet zijn tanden dan in ‘O Thermastís’ (‘De Stoker’) Zijn zang past perfect bij dit hele oude lied van pionier Yorgos Batis. Met ‘Erinàki’ (weer een lied, tekst en muziek, van Kostas Skarvèlis) krijgen we een nieuw hoogtepunt: opnieuw gunt de mooie dame haar minnaar geen blik… Sotiris vertolkt dit op zijn typische manier. Halverwege krijgt de song een welkome adrenalinestoot. Dan zingt Katerina twee liederen die de bronnen van de rebètika illustreren, al is het dan enkel de invloed die het platteland en de ‘dimotikà’, de ‘volksliederen’, uitoefenden. Eerst een typische ‘nisiótiko’, een eilandlied. Die nisiotika dragen nog sporen van Italiaanse invloed en zijn meestal dan ook zwieriger dan de dimotikà van het vasteland. Dan een lied ‘from the mountains’. Katerian vertelt het niet, maar je kan een typische kalamatianó onderscheiden, een reidans met een heel fraai ritmisch patroon. Die is ontstaan in Kalamàta, stadje in het zuiden van de Peloppónisos, maar raakte verspreid over grote delen van het land. Het blijkt te gaan om ‘Kondoùla (i) Vlacha’, een mandíli kalamatianó (een ‘zakdoek’ k.) De relatie met de rebètika blijkt, ondanks de kenmerken van het ene en het andere.

 

Sotiris spreekt over de overigens vrij bekende oorsprong van de baghlamàs: de rebètes zaten vaak vast in de gevangenis en om te kunnen spelen hadden ze een instrument nodig dat men in en uit de fylakí kon smokkelen. De ‘mini bouzouki’ kwam dan van pas. Nu zou ook dàt niet lukken, maar de cipiers van toen waren arme drommels die véél dichter bij de rebètes stonden dan bij de ‘overheden’. De grenzen lagen niet zo scherp: zo vroeg Tsitsànis de commissaris van Thessaloníki als getuige bij zijn huwelijk. Sotiris zingt ‘Ta Mandala’ voorafgegaan door een taxími van Dimitris op een… baghlamàs. De set bouwt verder mooi op, al speelt Kranidas… een snaar kwijt tijdens ‘Tha pao ekí stin Arapià’, een song over het vertrek naar de ‘xenitjà’, het buitenland (niet alleen de rebètika maar meer nog de dimotikà bulken van liederen over afscheid of scheiding, door dood, uithuwelijking, verlies van de oudste zoon aan het Turkse leger als ‘Jenitsaar’ en, zoals hier, emigratie) Vermits Dimitris enkel maar afscheid neemt van een snaar, speelt hij lustig verder, zonder hoorbaar verschil.

 

Kompania eindigt met ‘Chanoumàki mou’ (‘Mijn kleine harem meid’), een opzwepende karsilamàs, een ook buiten Hellas wijdverspreide dans voor koppels van Turkse oorsprong. De naam betekent zoiets als ‘begroeting terwijl men mekaar aankijkt’ en is met 9 tellen per maat weer zo’n ‘buitenbeentje’. Deze werd geschreven door Yannis Tatasópoulos (1928-2001) die zoals zovele bouzoukivirtuozen halfweg de fifties naar de States emigreerde. De song opent de cd en is het perfecte sluitstuk van een avond met niet minder dan 24 liederen. De encore is een oude bekende. Sotiris Papatrayannis nam ‘Romàntsa’ op voor zijn gelijknamige soloplaat en bracht het zo binnen in Kompania, waar het snel uitgroeide tot het paradenummer, de signatuursong van de formatie. De ballade is van de hand van zanger en componist Kostas Roùkounas (1903-1984), die succes had met dimotikà, rebètika en laïkà. Sotiris huilt, smeekt, verzucht de bloedmooie overgave door een ziel die door liefde overmand is. ‘Fevgo, fevgo… Mjemènos… metymènos… sti Vradià’…‘Ik vlucht in de nacht, betoverd, dronken van liefde’: je hoort zijn hart breken.

 

De tour de force bestaat erin dat midden in de song Karinidas tussenkomt om een ‘amanès’ te zingen op de intussen bekende benepen wijze, een amàn-lied, of klaaglied, typisch voor de smyrnèïka en Klein-Azië. De herhaalde en soms langgerekte klacht ‘amàn’ drukt het verdriet uit (maar was in oude tijden tevens een stoplap om de improviserende zanger(es) de kans te geven een volgend vers te bedenken) en Dimitris brengt dit hartverscheurend. Het effect is overdonderend. Sotiris sluit dan af. Moeilijk om niet verweesd in je stoel te blijven zitten en je af te vragen wat het lot is van de verliefde sukkelaar… Maar geen sukkelaar die het voorrecht geniet dit te mogen aanhoren… We zijn benieuwd naar wat Kompania in de toekomst nog in petto heeft, want deze dame en heren zijn nog lang niet aan het einde van hun La…, heu Grieks!

 

Antoine Légat.

(*) of rembetika, al wordt de –m- eigenlijk niet uitgesproken: de beste schrijfwijze zou ‘re’betika’ zijn)

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s