STELIOS PETRAKIS QUARTET met ‘Tradition Of Crete’ op woensdag 30 oktober 2013 in Art Base, Zandstraat 29 te 1000 Brussel: ‘De Kretenzische volksmuziek gaat dank zij zijn intrinsieke kracht en schoonheid, en zijn diepe worteling recht naar het hart, maar dat belet niet dat zijn kwartet klassenbakken dit beleeft vanuit de eigen tijd en dus een eigen inbreng heeft, geen archeologie, maar een organische evolutie van het erfgoed.’

Amper een maand na zijn concert in De Bijloke te Gent (25 september) met zijn trio, stond Stèlios Petràkis weer op een Belgische podium, in Brussel ditmaal, in de kleine kunstgalerij Art Base in de Zandstraat (recht tegenover het Stripmuseum, op wandelafstand van het Centraal Station) en ditmaal met zijn kwartet. In de Arteveldestad trok Stelios alle grenzen open en putte hij, althans in het eerste deel, uit zijn eigen, nieuw werk samen met Spanjaard Efrén Lopez, terwijl hij in het tweede deel wel traditioneel werk bracht, maar in een brede Griekse context. Gans anders was het in Art Base: hier trok hij zich terug in de splendid isolation van zijn eiland Kriti, al moet men die ‘isolation’ relativeren, want Kreta, op het kruispunt van drie continenten, werd, door velen begeerd en onderging, toch onvermoede invloeden. Immers, ondanks stug vasthouden aan eeuwenoude tradities, was er tegelijk altijd, en niet in tegenspraak daarmee, een vrij grote openheid tegenover vreemde culturen, eigen aan crossroads, waar mensen samenkomen. ‘Splendid’ is ze wél, zoals dit concert met een streep eigen werk en veel traditioneel overvloedig bewees: aan het eind van de tweede avond die wij mochten genieten, stond het zaaltje in rep en roer, een heuse Griekse, zeg maar Kretenzische glendi (feestavond) in groot ornaat!

Wonderlijk hoe het kleine Art Base er telkens weer in slaagt grote namen, onveranderlijk artistiek hoogstaand maar niet zelden ook commercieel van tel, te laten optreden in wat je bezwaarlijk anders dan een minuscule ruimte kan noemen. Ook lokaal talent vindt er zijn plaats in deze erg verscheiden mix van wereld- en volksmuziek. Het is dus niet vanzelfsprekend dat een grote meneer als Stelios Petrakis in dit Art Base optreedt, zelfs niet als er twee optredens (het eerste was de dag voordien, dinsdag 29 oktober) voorzien zijn om voldoende geïnteresseerden een kans te geven. Het spreekt vanzelf dat de Kretenzische instrumentenbouwer en virtuoze bespeler van de Kretenzische lyra (vedel) en de laoùto (luit) mensen had meegebracht die voor hem nauwelijks moeten onderdoen. Adónis Stavrakàkis neemt de meeste zangpartijen voor zijn rekening en bespeelt zowel de laoùto als de kopuz (een snaarinstrument dat vele vormen kan aannemen, maar in dit geval in alle opzichten sterk lijkt op een mandoline) Links van de meester zit dan weer Yorgos Stavrakàkis die ook frequent zingt en een bolleboos is op de laouto. Thanàssis Mavrokóstas is de fenomenale danser van het kwartet, maar draagt af en toe zijn steentje bij aan de zang en speelt op uitgelezen momenten de mandoùra (een fluitje dat lijkt op een piccolo maar krachtig klinkt als een zournà, hoboachtige voorganger van de klarinet in Hellas en Turkije) Als Petràkis en Mavrokóstas samen een mandoura bespelen, heeft dat een bepaald opzwepend karakter.

Opzwepend, dat is een kenmerk van de Kretenzische volkse muziek met zijn aangehouden, nerveuze ritmes en zijn explosieve dansen. Maar de avond begint toch met een dromerig stuk dat men zorgvuldig opbouwt: Stelios’ lyra zet in, met daaronder de bourdontoon van Yorgos’ laouto. Daaruit ontspringt de heerlijke melodie van ‘Vórja Monopàtia’ (‘Paden van het Noorden’), een compositie van Petrakis uit diens ‘Orion’, melodie die tot wasdom komt als lyra, twee luiten en Thanassis’ mandoura samen spelen. Een solo op de luit rondt deze afgemeten en verfijnde start af. Petrakis legt uit dat de Kretenzische volksmuziek dank zij zijn intrinsieke kracht en schoonheid, en zijn diepe worteling recht naar het hart gaat, maar dat belet niet dat zijn kwartet dit beleeft vanuit de eigen tijd en dus een eigen inbreng heeft, geen archeologie, maar een organische evolutie van het erfgoed. Het is een nuance die je wel niet altijd meteen hoort, maar het blijft fascineren hoe deze geschoolde musici de eeuwenoude schatten verwerken: de virtuositeit loopt nooit in de weg van het volkse karakter. Zo komt het dat in de traditionele klacht van de slapeloze, ‘Pare me, Nychta’ (‘Neem me tot u, Nacht’), het tot een hoogstaand ‘dispuut’ komt tussen de luiten en de lyra: terwijl Stelios aan een woest tempo soleert, zet Yorgos geweldige tussenloopjes neer.

In het volgende, instrumentale en jachtige stuk, posteert Thanassis zich tussen het mini podium en de eerste rij stoelen en brengt een dans ten tonele, die qua broeierige intensiteit sterk doet denken aan de flamenco, maar uiteraard met de typische bewegingen, zoals men die kent van vijf basispassen, gekoppeld aan de vurige pendozàlis. Het eerste deel eindigt met, hoe kan het ook anders, een extract uit het ‘nationale epos’ van Kreta, de ‘Erotókritos’, de hoofse, elegante en zwierige allegorie-met-boodschap van de liefde tussen Erotókritos en Arethoùsa, geschreven door Vincenzo (Vikèntios) Kórnaros in de vroege zeventiende eeuw, toen continentaal Hellas zuchtte onder Turkse bezetting, maar Kreta zou nog tot 1669 onafhankelijk blijven en beleefde daarom de Renaissance die andere Grieken ontzegd was. Het is een beetje veel gevraagd om het hele werk te brengen, zegt Stelios, want het loopt net boven de tienduizend verzen (tot enkele tientallen jaren geleden waren er Kretenzers die het hele epos uit het hoofd kenden!), maar hij preciseert dat het maken van gelijkaardige verzen van vijftien lettergrepen nog steeds courante praktijk is van de Kretenzers. Deze grappige, puntige, vaak gewaagde en spottende ‘mandinàdes’ (2 rijmende versregels, soms geïmproviseerd of aangepast aan de omstandigheden) maken de trots uit van de eilandbewoners, samen met de ‘kondilies’. Na het fragment, dat Adonis brengt, is het tijd voor de anderen om mandinades af te vuren. Om de clou of de pointe te begrijpen moet men echter uitstekend Ellinikà kennen…

Het stuk voor de pauze was al een feest. Na de ‘diàlimma’ doen de heren er nog een flinke schep bovenop. De meeste stukken kennen een rustig begin, zijn niet zelden een ‘stenagmós’, een ‘miroloï’, een weeklacht (al is dat niet éénduidig ‘klagen’ maar zitten er vaak andere elementen in, humor inbegrepen) De ‘amàn’ kreten (‘wee’, ‘helaas’, soms ook gewoon een stoplap) zijn niet van de lucht, men aanroept de Panayía (Moeder Maagd) Gaandeweg komt er meer tempo en volume in het lied om meestal toch in een zinderende instrumentale climax te eindigen. Vermits het geregeld gaat om bekende liederen zoemen of zingen de aanwezigen mee. Heel mooi is een klaagzang voor/loflied op de… agrími, de wilde geit (kri-kri of Kretenzische ibex) die in het ruige gebergte van Kreta woont, uniek in zijn soort, ooit bijna uitgestorven, maar tegenwoordig terug present met zo’n 2000 stuks (*)

Een bepaald lied introduceert Stelios als een opdracht aan de aanwezige vrienden. Het blijkt al snel om een West-Kretenzische ‘rizítiko’ te gaan, verbonden aan de inwoners van de dorpen aan de voet (de ‘rizes’, de ‘wortels’) van de bergen (we hoorden nog een verklaring voor de naam van dit exclusieve genre, dat velen zullen kennen uit de film ‘Zorba de Griek’, waarin er één gezongen wordt) De eigenlijke traditie van staplied is intussen uitgestorven, maar de rizitika blijven populair. We kennen de rizitiko van vanavond als ‘Potè tha kàni ksasterià’, maar het gezelschap zingt er andere verzen op. Natuurlijk eindigt de set met een dans, waarbij Thanassis rondtolt ‘als was hij een derwisj’.
Bij het bisnummer, waarin de ‘psiló vounó’ of ‘hoge berg’ (Ida of Psiloritis, hoogste top van het eiland met zijn 2456 m) ten tonele wordt gevoerd, staan al snel een tiental aanwezigen op de ‘dansvloer’.

Het ‘officiële’ gedeelte is dan al voorbij. De vier zijn al lang door hun repertoire heen, maar ze weten dat ze voor deze uitgelaten ‘massa’ best nog even doorgaan, al is het midden in de week. Niemand maalt erom dat er geïmproviseerd wordt; zo hoort dat bij een levende traditie. Er volgt nog een lofzang op de zee… ‘Thelo na vlepo thàlassa’, ‘Ik wil de zee zien’ zingt Adonis, maar de slotzin bevat vermoedelijk dan weer die typische Kretenzische vorm van laconieke humor: ‘Perimènis sto potàmi’, ‘Je blijft zitten bij de rivier’. Wij zouden hier blijven zitten, maar de NMBS wacht niet en we haasten ons naar de laatste trein, die een kwartier vertraging blijkt te hebben, tijd genoeg voor decompressie. Geen overbodige luxe na deze uitbarsting van levensvreugde!

Antoine Légat (04 11 13)

PS In de volgende dagen en weken staat er weer veel Grieks te popelen om zich in Art Base te bewijzen. Op 8 februari komen Grieks-Amerikaanse zangeres Elly Paspalà en pianist Takis Faràzis nogmaals (hun vorige passage in Art Base was gewoonweg briljant!) met songs uit de cyclus ‘O Megàlos Erótikos’ (‘De Grote Minnaar’), opgevat als een tribuut aan het adres van de grootmeester van het Griekse lied, Manos Hadjidhàkis, dit in samenwerking met Bozar. Voor alle info, zie http://www.art-base.be .

(*) Jacht is dan ook ten stelligste verboden. Toch zijn er bij de Farangi Samariàs (de Samaria Kloof) jagers aangesteld, die de dieren schieten die niet ‘raszuiver’ zijn door kruising met andere rassen.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s