HET MUZIKALE ANKER 24: OP ZOEK NAAR DE ZEE IN PROCOL HARUM (deel 2)

In vorige aflevering trachtten we een beeld te schetsen van de loopbaan van de Britse band met de vele gezichten, Procol Harum, die door één monsterhit voor velen een blinde vlek bleef, al is de band nog immer razend populair in een heel aantal landen, vooral met zijn repertoire van 1967-1977. In superhit ‘A Whiter Shade Of Pale’, machtige song gepend door pianist-zanger Gary Brooker met een heerlijke, geheimzinnige en/of veelgelaagde tekst van de ghost writer van de groep, Keith Reid, is de zee maar bleekjes present, maar er is ander materiaal, meerbepaald op ‘A Salty Dog’, de derde LP van Procol Harum uit 1969. De hoes gaf het al aan: de hoestekening is een ondubbelzinnige verwijzing naar het bekende logo van Engelse tabaksmerk Navy Player’s Cut (of gewoon Player’s) Op dat logo zie je het portret van een zeeman in het midden van een reddingsboei. Op de hoes van de plaat is die zeeman iets minder stijlvol. Het gaat dan ook om een zeebonk van de ruwere soort, een onvervalste ‘salty dog’! (*)

Het titelnummer werd in diverse landen een behoorlijk groot succes, maar eens te meer niet in de UK. De Britse kritiek was wel uitermate lovend over de tekst, de opbouw van de song, de prestatie van de band, het epische strijkersarrangement, en ga zo maar door… Maar misschien was de song gewoon te ‘mooi’, te plechtstatig, te lang (hoewel…), te serieus, kortom teveel ‘klassieke muziek’ om de Britse DJ’s ertoe te verleiden hem op hun playlist te zetten (ja, stel je voor, jonge lezers: toen kozen radiomakers nog zélf hun platen, en niet de machtsblokken achter de radiobusiness!), zodat het nummer aan John Public voorbij ging. ‘A Salty Dog’ heeft de tand des tijds echter prima doorstaan, precies door zijn tijdloze grandeur. Het gebruik van een groot orkest was de voorbode van wat Procol Harum enkele jaren later (1972) zou klaarstomen (sic!) op hun langspeler ‘Live In Concert With The Edmonton Symphony Orchestra’. Dat werd de grootste commerciële triomf van Procol Harum, en de single hieruit, ’Conquistador’, profiteerde mee van die belangstelling.

Tot de verbeelding sprekende songs geven gemakkelijk aanleiding tot het ontstaan van allerlei mythes, soms het gevolg van wat de makers in interviews over het ontstaan van het nummer te vertellen hadden, soms vanuit het onstuitbare verlangen om een mooie story nog op te leuken met al dan niet waar gebeurde anekdotes. We hebben het niet gecontroleerd, maar zelfs als het niet (gans) waar is, blijft het een mooi verhaal: toen Brooker de eerste maal de song op piano presenteerde aan drummer BJ Wilson (zoals we vorige maal aangaven één der grootste rockdrummers ooit en ook op het nummer ‘A Salty Dog’ prominent aanwezig, maar jammerlijk en veel te vroeg overleden) zei deze dat het de mooiste song was die hij ooit gehoord had. Op dat moment viel er een zonnestraal op BJ’s gezicht, als om die woorden te onderstrepen.

Wat de ik-persoon in ‘A Salty Dog’ vertelt, is geen afgerond relaas, maar vergeleken met de poëtische, cryptische teksten van de eerdere hits van Procol Harum, blijft schrijver Keith Reid ditmaal bij de les. Hij schept klaarblijkelijk genoegen in het opsommen van een heleboel wendingen, oneliners en gezegden die je zo in de mond van een door de wol geverfde zeerob legt. Het is uiteraard een geromantiseerd beeld, maar het levert sterke zinnen op. Niet alles heeft evenveel zin en betekenis, maar het klinkt allemaal zo verdomd goed, en niet alleen omdat het Engels zo’n krachtige taal is. Het geheel lees je als uittreksels uit het persoonlijk dagboek van een matroos. De opener is spectaculair. Na het gekrijs van de zeemeeuwen, zingt Brooker begeleid door o.a. het typische fluitje en de bel op achtergrond: ‘All hands on deck, we’ve run afloat, I heard the captain cry’ – ‘Alle hens aan dek, we zijn lekgeslagen, hoorde ik de kapitein brullen’. Waarom de kok vervangen moet worden, is niet duidelijk, maar die is wel vaker kop van jut.

De eerste strofe onderlijnt het harde leven van wie de zeven zeeën bevaart: ‘Across the straits, around the horn, how far can sailors fly?’ ‘Doorheen de zeestraten, langs Kaap de Goede Hoop, hoe ver kunnen zeelui vliegen?’ Strofe twee bespreekt het eeuwige vertrekken en weer aankomen, dat alles onzeker zoals het leven nu eenmaal is: ‘We sailed for parts unknown to man’ – ‘We voeren waarheen nooit een mans kwam’. Gelukkig is de gids ervaren, het vertrouwen in het ‘captain’s eye’ is groot, en ‘Upon the seventh seasick day, we made our port of call’ – ‘Na zeven dagen ellende bereikten we de haven waar we moesten aanleggen’. Intussen moet de sublieme, evenwichtige productie van de song, monumentaal maar zonder overkill, de luisteraar opgevallen zijn. Het is het werk van de eerste orgelist van de band, Matthew Fisher, die met Procol Harum zo’n moeilijke relatie had (over dat knipperlicht hadden we ’t vorige maal eventjes) en die de groep een eerste maal verliet na deze productie.

Na het heerlijke tussenstuk komt het ‘moment suprême’ dat alle miserie wieder gut macht: ‘We fired the guns and burned the mast and rowed from ship to shore. The captain cried, we sailors wept, our tears were tears of joy’- ‘We vuurden de kanonnen af, branden de mast af, en gingen met de roeiboot aan land. De kapitein brulde, wij zeelui weenden, maar het waren tranen van vreugde’ De ‘ondertekening’ in de laatste twee verzen geeft aan dat we inderdaad in een dagboek (logboek) van een zeeman aan het bladeren waren: ‘A Salty Dog, the seaman’s log, your witness, my own hand’. De spotvogels van zeemeeuwen uit het begin van deze bijna-hymne wuiven ons weer uit…

Vierenveertig jaar geleden hoorden we ‘A Salty Dog’ voor het eerst en nog altijd krijgen we bij het aanhoren van het lied kippenvel en wellen er tranen op. Tranen van vreugde, om zoveel schoonheid. De zee, wat ze voor een mens betekent, werd zelden zo fraai bezongen. Maar, o jee, er staat nog een zeer intrigerend lied over de zee op de LP ‘A Salty Dog’, namelijk ‘The Wreck Of The Hesperus’. Het klinkt een stuk geheimzinniger, maar dat valt te verklaren doordat het lied verwijst naar het gelijknamige bijzonder dramatische poëtische verhaal van de Amerikaan Henry Wadsworth Longfellow. Maar dàt, lieve thalassofielen (**), vertelt Nonkel Toon u volgende maal…

Antoine Légat.

(*) Tussen 1968 en 1986 sponsorde John Player het toen erg succesvolle Lotus team in de Formule 1. Eerst kregen de racewagens de rood-witte kleuren van de Gold Leaf (bij ons weten de eerste maal dat reclame de kleur van de racewagen bepaalde), later, met de revolutionaire Lotus 72, het zwart en goud van de John Player Special. Met die kleuren reden o.a. toprijders als Graham Hill, Jochen Rindt, Emerson Fittipaldi, Ronnie Petterson en onze Jacky Ickx. De jonge Ayrton Senna kende vroege successen op de Lotus 98T. We vermelden dit enkel omdat het aansluit bij wat we schreven over ‘Gone Fishing’ van Chris Rea, waar Lotus en Caterham, beiden (opnieuw) actief in de Formule 1, verrassend genoeg om de hoek kwamen piepen!

(**) Grieks voor ‘liefhebbers van de zee’!

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s