Dag 3 van LEFFINGELEUREN, zondag 15 september 2013: DEZ MONA, BLAUDZUN, Trixie WHITLEY, ARNO, SEASICK STEVE: ‘Met vier voltreffers en één halve misser kreeg Leffingeleuren 2013, althans wat de concerttent betreft, een waardig orgelpunt’

Ieder zijn meug natuurlijk, maar als er één concert in deze editie van Leffingeleuren (LL) is dat in zijn geheel blijft hangen, waarmee we LL2013 zullen blijven associëren, dan zeker dat van Dez Mona, opener in de concerttent op zondagnamiddag 15 september. Het had gerust veel hoger op de affiche mogen staan, waardoor Gregory Frateur en Nicolas Rombouts, de twee stichters en ankerpunten van dit unieke project, nog meer mensen hadden kunnen overtuigen van hun klasse. We willen er nog ‘internationale’ bijzetten, maar dat klinkt zo gezwollen. Laat het ons zo stellen: er is bij ons povere weten geen vergelijkingspunt, ook niet in het buitenland, voor de totaal eigen synthese waar deze formatie naartoe gegroeid is.

 

Het duo begon in 2003 aan deze saga. De uitvoering beantwoordde toen nog niet aan de verwachtingen, maar het talent was onmiskenbaar daar, zoals kon vastgesteld tijdens de Jong Muziek wedstrijd van TAZ2004 (TAZ = Theater aan Zee, Oostende) De stem van Gregory vormde de grote troef: een fenomenaal bereik, een geweldige expressie, stem die evengoed opera, gospel, jazz standards, Frans chanson en Duitse Lieder, torch songs als rock aankan. Gregory hoeft nooit te forceren. Het duo werd een vijftal (accordeonist Roel Van Camp en drummer Steven Cassiers horen er nog altijd bij) Concerten waren onveranderlijk evenementen, hoogmissen, totale performances. Het bleek alras dat Nicolas en Gregory songs konden schrijven. Dez Mona leek echter voorbestemd om in een intieme omgeving te floreren en nergens daarbuiten. Velen zouden met dit resultaat al lang tevreden zijn, niet Nicolas en Gregory. Met elke cd, met elk nieuw project verlegde Dez Mona de grenzen. Met ‘SÁGA’ ging het zelfs even de richting van de concertante opera uit. Met deze verrassend succesvolle stap-opzij, in samenwerking met barokensemble BOX, leverde Dez Mona opnieuw bewijs van een onvermoede veelzijdigheid.

 

Om de stap naar de grote podia te zetten, was de inbreng van de zo lang in Dez Mona geweerde gitaren conditio sine qua non. Tijs Delbeke (dEUS, leider van het bijzonder beloftevolle Sir Yes Sir; Tijs speelt o.a. ook keys) had al eerder de groep vervoegd. Met Sjoerd Bruil (Sukilove, Tim Vanhamel, enz.) erbij, moest Dez Mona wel ‘ontploffen’… Toch was er reden tot gezonde twijfel: er zijn veel bands gestruikeld bij het nemen van zo’n grote horde. ‘Gentleman’s Agreement’ maakte eind 2012  finaal schoon schip met elke scepsis. Dez Mona anno nu klinkt rock, strak en spannend, gestroomlijnd maar zonder de sterke punten te grabbel te gooien, zonder veelzijdigheid en grilligheid te offeren, en met een broeierige kracht die zelfs in deze professionele tijden nog schaars is bij binnenlandse groepen. Ze is mede het gevolg van het lange, intense samenspelen van de bandleden. Maar het is de stem van Frateur, één uit het miljoen, die het grootste verschil maakt.

 

Dez Mona nam een vliegende start op LL met ‘Soon’, een donderslag bij heldere hemel. Het was het voorspel tot een niet aflatende, genadeloze opeenvolging van hoogtepunten: ‘Suspicion’, ‘A Part Of Us All’ (prachtsong uit ‘SÁGA’ met het in koor repetitief gezongen ‘These are times to cherish and things to live for’), ‘The Back Door’, met het altijd weer herhaalde insisterende patroon op de contrabas, plus Cassiers op de cajon. ‘Didn’t It Rain’ is verbonden aan Mahalia Jackson en verwijst dus naar Frateurs liefde voor de gospel. Hij voerde dit lied tot ongekende hoogten. De man heeft, naast een onmiskenbaar charisma, een benijdenswaardig naturel. Uiteraard onderstreept hij zijn zang met gebaren, maar hij speelt het niet, het is geen ‘theater’, het is allemaal organisch en gebeurt moeiteloos. Ijzersterk is ‘Carry On’ dat nog stamt van derde cd ‘Hilfe Kommt’. Er moest en zou, ondanks het vroege uur (half vijf), een bis komen. Gregory had gewacht tot het laatst om dit, bij ons weten nog niet ingeblikte maar al heel lang live gebrachte nummer, als een genadeschot op ons af te vuren: ‘Lack Of Love’ heet deze intrieste en helaas erg verbreide jammerklacht. Hemels, ware het niet dat Gregory het zelf eventjes anders uitdrukte: ‘Als kinderen van de nacht valt het ons niet makkelijk om overdag onze duivels uit te drijven…. Bedankt om ons daarbij te helpen!

 

Blaudzun is eigenlijk één persoon: Johannes Sigmond uit Arnhem. Tot 2006 doorzwom hij allerlei muzikale watertjes, maar van dan af profileerde hij zich als singer-songwriter. Drie veel gelauwerde albums volgden. De laatste met lof overladen ‘Heavy Flowers’ dateert van voorjaar 2012. Ook bij ons is Blaudzun geen onbekende, maar we moeten bekennen dat we met zijn repertoire niet goed bekend zijn. Hij had zich omringd met een vrij uitgebreide groep muzikanten die geregeld van instrument veranderden of omwisselden, wat voor een caleidoscoop aan klankkleuren zorgde. De set bestond uit songs zoals Girls In Hawaii die maakt, met veel inventiviteit in arrangementen en wendingen, bleek aardig opgebouwd en werkte naar een daverende climax toe. Men zegt dat dit het beste is wat op (indie) rockgebied uit Nederland komt en eerlijk gezegd het zou ons niet verwonderen. Blaudzun krijgt van ons een maxima, pardon, een maximum.

 

Wat is er toch aan de hand met Trixie Whitley? Deze jongedame barst van het talent (ook zij liet dat bijna overdonderend blijken, hier niet ver vandaan, in Oostende, tijdens Jong Muziek op TAZ nu al een jaar of vijf geleden), kon haar zangkwaliteiten al aantonen als lid van Black Dub, onder de vleugels van de grote Daniel Lanois en er zit ongetwijfeld een grote songschrijfster in haar, zoals we dat horen in ‘Strong Blood’ en ‘Pieces’. Ons lijkt het dat ze nog te weinig ‘geleefd’ heeft. Het eerste deel van haar optreden op LL was, ondanks een uitstekende band (met haar nonkel Alan Gevaert, bas bij dEUS) en een publiek dat enthousiast reageerde op alles wat op scene bewoog, ondermaats, met als dieptepunt twee solo gebrachte nummers en met één glorieuze uitzondering: ‘Pieces’ kwam wél sterk uit de verf. Het stevig rockende tweede deel van de set kon wel meer bekoren, dus zeker niet alles kommer en kwel. Zijn we te streng als we, blijkbaar als enige in de extatische tent, besluiten dat er hier bijgestuurd moet worden?

 

Arno! Dat four letter word volstaat om le tout Oostende op de been te krijgen. Samen met James Ensor moet Arno de bekendste inboorling zijn van de ku(n)ststad (sorry, Johan VDL!) Naar verluidt kwam onze chevalier rechtsreeks van Japan, maar van jet lag was geen spoor te bekennen. Thuismatch, dat natuurlijk wel, maar terwijl KVO onderging in zijn match tegen Standard, scoorde Arno godverdomme in zijn eentje op ons motherfuckers de ene treffer na de andere, dan wel op assist van zijn bandleden, onder wie de eeuwige getrouwen Serge Feys (de tovenaar aan de toetsen) en Mister Bass Mirko Banovic. Het was dan ook de revue van de hits die in strak tempo voorbij defileerden: ‘Fantastique’, ‘Que Pasa?’ ‘Je veux nager’, ‘Vive ma liberté’, ‘Parot Brigade’, ‘Watch Out Boy’, ‘Oh La la La’, ‘Putain, putain’, het bissende ‘Bathroom Singer’, het is maar een greep uit de plusminus achttien songs. Enig minpunt: nu zitten we weer voor tijden opgescheept met de ‘tinge-linge-ling’ uit ‘Bathroom Singer’, net nu we afgekickt waren. Dank, heer Arno!

 

Met Steven Gene Wold alias Seasick Steve (‘Seasick’ omdat hij op elk vaartuig meteen zeeziek is) kreeg Leffingeleuren 2013, toch wat de concerttent betreft, een waardige afsluiter. De man speelde hier al eens de pannen van het dak, heu, het canvas van de tent, in 2009. Misschien was het omdat het hem volgens het toerschema zo uitkwam, maar het viel op dat hij al van zaterdag rondliep op het festival. Hij liet blijken dat het hem echt zinde van hier nog eens opgenomen te worden in ‘de familie’. We merkten hem trouwens heel vaak op in de tent bij de optredens van zijn collega’s, voor zover we weten de enige performer die zoveel belangstelling kon opbrengen voor de anderen. Zijn eerste passage was niet alleen hem zo goed bijgebleven: het viel op dat het publiek na lokale held Arno bleef staan. De verwachtingen waren dus hooggespannen. En er groeide inderdaad opnieuw iets moois tussen Leffinge en Steve: begeleid door zijn trouwe drummer Dan (Magnusson) veerde hij al tijdens het eerste nummer recht en trok hij naar voor onder luid gejuich. Het klonk rauw, hees, woest, brutaal en ongelooflijk sexy: zo moet de vooroorlogse blues gezinderd hebben in de zuidelijke juke joints.

 

Steve steelt al helemaal de harten toen hij een jongedame uit het publiek vraagt om samen met hem ‘Walking Man’ (met herhaling van de frase ‘My name is Steven‘) te zingen, een vertederend moment binnen het bluesgeweld. Als de vrouw haar plaats weer inneemt, werkt hij de song fijntjes af: dat hij ook dàt beheerst, is voor velen een verrassing. Hij had erop gehoopt en wellicht had hij het ook verwacht, maar het blijft hem verbazen: ‘We worden niet op de radio gedraaid, we hebben geen hits… en toch komen jullie massaal naar hier… en jullie blijven zelfs stààn…’ Via ‘Freedom Road’ en de uit zijn leven gegrepen car song ’51 Chevy’ (leuke foto’s op het net!) komen we bij het hilarisch-didactische ‘Chiggers’; we vernemen hoe Steve tot zijn eigen scha en schande en tot meerdere lering van ons allen een Belangrijke Beslissing nam: ‘I wear my socks up to my knees’ in een paar zuidelijke staten, anders zorgen die smerige ‘chiggers’, kleine zandvlooien (en hun laffe larven) voor geweldige irritatie aan je benen. Steve is ook nog een bevlogen storyteller, dat staat buiten kijf.

 

Aandoenlijk is dan weer zijn in een rustige song vervatte boodschap van ‘friendship… love… hope…’  Maar er is ook ruimte voor humor: eerst een gedicht over het leven op de boerderij: ‘I like big old tractors…’ vol schoolse gemeenplaatsen maar tegelijk uit de realiteit van de Midwest geplukt. Daar volgt dan ‘Down On The Farm’ op, een orkaan van een song, waarin het duo klinkt als een heel orkest. Terwijl hij een fles wijn soldaat maakt (hij zal ze inderdaad onder luid gejuich helemaal legen), haalt hij zijn ‘three-string trance wonder’ gitaar boven, één van zijn ongewone instrumenten, eigenlijk nog het minst ongewone. Een ZZ Top-achtige shuffle volgt. We herinneren het ons niet van een vroeger optreden maar Steve moet zich bijzonder lekker voelen in het dorpje dat hem zo gastvrij omarmd heeft: hij vertelt on stage een beslissende anekdote uit zijn jeugd. Dat zijn ouders scheidden toen hij vier was, dat hij vanaf dan in ‘foster care’ zat. Toen hij zeven was belandde hij bij weer een andere familie. Zijn toenmalige stiefvader had in Korea gevochten en die traumatische ervaring speelde allicht bij vlagen nog in diens hoofd. Op een dag sloegen het noodlot… en zijn stiefvader toe…

 

Hij klopte kleine Steve namelijk dwars door een (gesloten!) venster. Steve wachtte zijn stiefvader later op met een revolver, die hij thuis gevonden had, bedacht tijdig dat hij de rest van zijn dagen in de nor zou slijten als hij hem zou omleggen en besloot dan maar het op een lopen te zetten, voor een zwerversbestaan dat hem met de blues liet kennismaken… Met het gekende gevolg! ‘No school education’ en dus was seizoensarbeid in de landbouw een manier om in leven te blijven, maar hij verzeilde ten slotte wel in de muziekwereld, als begeleider, studiomuzikant, studiotechnicus, producer (o.a. van alternatieve rockband Modest Mouse) en ook als solist. Toen hij acht was, had K.C. Douglas hem immers al gitaar leren spelen. K.C. is niemand minder dan de auteur van het klassieke ‘Mercury Blues’! Veertien was Steve toen hij finaal zijn biezen pakte…. Nu, 62 jaar jong (*), staat hij op een Vlaams podium en speelt een furieus (en denkelijk kathartisch) ‘Doghouse Boogie’.

 

Steve blijft vol vuur, passie en decibels spelen tot elf, onherroepelijk ‘closing time’… De menigte smeekt om een bisnummer, maar Steve mag blijkbaar niet meer aan de bak. Hij besluit dan maar vooraan op het podium als toetje een klein bloot liedje te spelen ‘with a serious…serious…truth’ Helaas ging dit gedenkwaardig moment volledig de mist in, er was gebabbel, er was gejoel, er werd gefloten, terwijl een geïntoxiceerde Steve een naakte versie brengt van het zielsmooie ‘Gentle On My Mind’, ooit beroemd gemaakt door Glen Campbell en zo mogelijk nog meer door Dean Martin. Misschien daarom dat deze parel van John Hartford niet als dusdanig erkend wordt… Het had de bekroning kunnen zijn van drie fijne dagen. Nu is het enigszins een afknapper. Maar niet voor Steve: die is zielsgelukkig en valt ons (en anderen wellicht later ook… Niet gezien wegens dadelijk huiswaarts) zowaar in de armen. ‘I’m drunk’ fluistert hij. Wij geraken niet verder dan een stuntelig ‘Great show!’ Maar dat weet hijzelf ook wel… Merci, Steve.

 

Antoine Légat.

(*) Sommige bronnen beweren dat hij er al 72 is, maar dat zou ons ten zeerste verwonderen…

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s