HET MUZIKALE ANKER 23: KEVIN AYERS KIEST HET RUIME SOP

Dit artikel is te lezen in Het Visserijblad (HVB) van juli 2013 (nr. 7, jg. 80)

Op 18 februari ontviel Kevin Ayers ons. Achtenzestig is ie geworden. De Brit van Maleisische afkomst werd verrast in zijn slaap. Hij koos voorgoed het ruime sop, de start van een never ending tour langsheen de Eeuwige Stranden, waar het zo goed toeven is. Het zal hem deugd doen. Het inspireerde de VRT tot het uitzenden van een fragment van het luchtige ‘Caribbean Moon’ waarop Kev en band zich duidelijk zaten te amuseren ver buiten elk toen gangbaar scenario. Al reflecteerde het verder niets zeggende, klaarblijkelijk haastig uit het archief geplukte fragment voor een heel klein stuk Ayers’ onconventionele en nonchalante, zelfs totaal oncommerciële aanpak, het liet bitter weinig doorschemeren van ’s mans echte belang. Daar hebben we al iets over gezegd in aflevering 21 van Het Muzikale Anker, toen we, toch op dit vlak, een vergelijking konden doorvoeren met Chris Rea.

 

Kevin Ayers had in de sixties snel krediet opgebouwd als lid van Soft Machine. Onder leiding van stichtend lid, drummer Robert Wyatt (over wie we het hadden in de één van de eerste Ankers) had Soft Machine zich alras gemanifesteerd als de voortrekker onder de psychedelische rockbands. Later zou de formatie met zijn steeds wisselende bezettingen en met wisselende graad van … flirten met diverse muziekvormen, als progrock (‘progressieve rock’) en jazz, maar dat was lang na het vertrek van Kevin. Zoals met alles waar Kevin zich mee bezighield, kreeg hij het na een tweetal jaar knap lastig met de discipline die hoort bij een relatief populaire band die veel toert en met verplichtingen opgezadeld is. Zijn jeugd in Zuidoost Azië maakte dat hij nooit echt kon aarden in de UK, waar alles ernstig genomen werd en een strikt georganiseerd leven elke spontaneïteit doofde en de vrijheid beknotte. Hij verliet de groep en nam een LP op, die meteen zijn ongewone talent bevestigde. Die ‘Joy Of A Toy’ (1969) is geen makkelijke plaat, maar ze vormt de basis voor het vervolg.

Zijn muziek werd al snel toegankelijker en in zijn band The Whole World nam een reeks interessante muzikanten op, zoals pianist en klassiek componist David Bedford en bassist Mike Oldfield, die kort daarachter de wereld zou verbazen met ‘Tubular Bells’, waarop Oldfield speelt daarop alle instrumenten. Het was de start van een merkwaardige loopbaan… voor Oldfield, maar The Whole World zou nooit de belofte invullen: de concerten waren chaotisch als zijn aanvoerder. Dat neemt niet weg dat Ayers creatief aan de wiggel was: hij deed ondermeer ook zijn duit in het zakje bij een andere experimentele band, die tegenwoordig nog steeds respect krijgt: Gong. Zijn soloplaten ‘Shooting At The Moon’ (1970), ‘Whatevershebringswesing’ (1972) en ‘Bananamour’ (1973) bevatten menig pareltje en zijn ook als geheel nog te aanhoren. Men moet maar eens luisteren naar ‘May I?’ (en zijn Franse pendant ‘Puis je?’), ‘Stranger In Blue Suede Shoes’, ‘Shouting In A Bucket Blues’, ‘Decadence’…

Zelfs de nummers die de cd’s niet haalden en later verzameld werden op ‘Odd Ditties’, bleken de moeite, al ging het om luchtig spul: ‘Carribean Moon’ (zie boven), het hilarische ‘Fake Mexican Tourist Blues’, ‘Take Me To Tahiti’ versterkten het beeld van Ayers als een bon vivant, een warhoofd, terwijl we altijd de indruk kregen dat hij gewoon de druk van een rockbestaan in de volle spotlights niet aankon en ook niet wilde aankunnen. Het lijkt erop dat elke keer hij dreigde succes te hebben, hij het omgekeerde deed van wat van hem ‘verwacht’ werd. Het bleef ondanks de door de critici opgepikte kwaliteit commercieel bij rommelen in de marge, al werd voor de volgende plaat ‘The Confessions Of Dr. Dream And Other Stories’ het grof geschut boven gehaald. Deze gedeeltelijke conceptplaat is nog altijd een unicum in zijn genre. Deze plaat was om nog een andere reden betekenisvol: gitarist Peter John ‘Ollie’ Halsall zou voortaan, en dat tot aan zijn al te vroegtijdige dood in 1992, aan de zijde van Kevin staan. Ollie was een muzikant buiten categorie wat deze uitspraak met de nodige humor belicht: ‘Ollie may not have been the best guitarist in the world, but he was certainly among the top two’ (John Halsey, 1997)

Het veranderde allemaal weinig aan de situatie. Het werd zelfs nog erger: voor zijn zesde plaat bedacht zijn toenmalige zaakvoerder (John Reid, die de belangen behartigde van Elton John) een plan om Kevin aan een breder publiek te ‘verkopen’. De hoestekening van ‘Sweet Deceiver’ (1975) toont Kevin als een jonge rockgod met hermafrodiete kenmerken, typisch voor die tijd, in de slipstream van David Bowie. Dat staat dan haaks op de muziek, die hoewel veel vloeiender dan in het begin, als vanouds van hoge kwaliteit was. Maar dat mislukte imago deed de deur dicht bij de Britse kritiek. Zelfs lieden die Kevin altijd al goed gezind waren, zoals Nick Kent van New Musical Express, begrepen er niets van en haakten af. Het was zo ‘erg’ dat de plaat tot op heden in de Britse pers zowat verzwegen wordt. Zelfs het uitgebreide Engelse Wikipedia artikel gaat handig om ‘Sweet Deceiver’ heen (hoewel de plaat wel vermeld en besproken wordt in de discografie… Dat zou al te gortig zijn!)

In de vorm van ‘Toujours La Voyage’ bevat ‘Sweet Deceiver’ zelfs een Meesterwerk (als je dat van één song mag zeggen): een heerlijke, twee keer maar met lichtjes andere intonatie gezongen tekst die een fraaie poëtische omschrijving geeft van, zo niet de femme fatale, dan toch de vrouw die aantrekt en afstoot. De fascinatie voor Das Ewig Weibliche doordesemt de melodie. ‘Toujours La Voyage’ is een acht minuten durende walsstructuur die door twee solisten tot ongelofelijke hoogten wordt verheven, Elton John aan de piano en een ‘Oostenrijks’ klinkende Ollie Halshall aan de gitaar. De interactie tussen die twee is niets minder dan subliem… (u vindt de song onder vele links, maar deze toont ook de hoes van ‘Sweet Deceiver’: http://www.youtube.com/watch?v=vK4bRPLTYaQ)

Ons interesseert hier echter… ‘Once Upon An Ocean’, één van de niet zo talrijke verwijzingen naar de zee in Ayers’ oeuvre. De aanstekelijke reggae met prominente koperblazers behoort tot het (al vermelde) lichtere werk met een lekker banale tekst (zoals ook het guitige ‘Guru Banana’ op deze plaat), maar dat maakt de song niet minder leuk: ‘Once upon an ocean / We dream a ship to sail / When it start leaking / We had to learn to bail’. Het refrein laat je niet snel los, minder snel dan de bodem van het schip, blijkbaar: ‘Our ship is sinking but we don’t give a damn / No, no, no, no!’ (deze link zal u al heel wat wijzer maken: http://www.youtube.com/watch?v=ypFf_DuYst4 )… Wil nu het geval dat even later… Johan Verminnen de song opgepikt heeft voor zijn Franstalige LP ‘Je ne suis pas un Flamand rose’ (1978). ‘Once Upon An Ocean’ werd ‘Le bateau coule’ (‘De Boot zinkt’) Geen YouTube clip, maar in 1992 werden zijn twee Franstalige LP’s (ook ‘Elle chante na na na’) op een cd gezet. Hij heeft het ook heropgenomen op zijn derde Franse plaat: ‘Marin d’eau douce’ (‘Zoetwatermatroos’, 1998)

En Ayers? Het zou wel overdreven (melo)dramatisch zijn te stellen dat het na ’Sweet Deceiver’ niet meer goed kwam met de man als artiest. Er volgden nog heel goeie platen zoals ‘Yes We Have No Mañanas (So Get Your Mañanas Today)’ (met essentieel werk als ‘Star’, ‘Yes I Do’ en ‘Blue’), maar dat is in volle punktijd en plots was Kevin Ayers dus ook al niet meer modieus of mee met zijn tijd. Maar begin jaren tachtig glijdt hij effectief helemaal af: drugs. Het is zo’n dieptepunt dat het lijkt of hij dit nooit meer te boven komt, maar in 1988 is daar plots ‘Falling Up’, een briljant antwoord op zijn criticasters, die massaal voor de bijl gaan. Kevin Ayers is back! Commercieel stelt het opnieuw niets voor, maar het bewijst dat je de man niet mag afschrijven.

Opnieuw verrast hij, ditmaal met een akoestische plaat ‘Still Life With Guitars’, met briljant nieuw werk als ‘Something In Between’ en, echt niet toevallig één onze lijfliederen, ‘I Don’t Depend On You’. Het is de laatste plaat waar Ollie aan meedoet. In datzelfde 1992 overlijdt hij plots: overdosis. Gedurende een hele poos laat Kevin nauwelijks nog wat horen vanuit het zonnige zuiden, maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Al zal hij nooit meer concerteren in de UK (alle goedbedoelde pogingen omdat te organiseren falen), maar de man is weer actief… tot in ons land toe! Een formatie rond één van zijn grootste fans, Starvin’ Marvin, wordt zelfs zijn nieuwe oerband. In het kleine Hansbeke komt Kevin met die jongens een Japanse toer voorbreiden, tijd voor ons (en voor velen) om eens een babbeltje te slaan met een jeugdheld. In 2007 is er ‘The Unfairground’, wat zijn laatste cd bij leven zal blijken. Het is een mooi testament, nieuw eigen werk van het niveau van zijn beste werk.

Antoine Légat (05 06 13)

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s