Steve WYNN (support: MANTARAY) in een huisconcert in Moerbeke op donderdag 7 maart 2013: ‘Puntgaaf en boeiend concert in de living met een fijne dwarsdoorsnede van het over vier decennia gespreide werk van Steve Wynn, talentrijke, gedreven en integere zanger, gitarist en songschrijver, de ideale smaakmaker ook voor het komende reünieconcert van Dream Syndicate…’

Zie Rootstime!

In de intimiteit van een huiskamer gaf Steve Wynn een juweeltje van een akoestisch concert weg, en dat voor een veertigtal opeengepakte toehoorders, veelal mensen die de man uit LA en New York al jaren op handen dragen. Nu dergelijke huiskamerconcerten ingeburgerd zijn, verwondert het ons helemaal niet dat Steve hierop inpikt. We spraken hem voor het eerst in the flesh voor een interview in De Standaard, in de eerste helft van de jaren negentig, dus vóór de huidige courante manier om tegen het muziekmaken aan te kijken, toen muzikanten nog, kwestie van dood of leven, afhingen van een platenfirma. Het deed ons toen plezier een ‘ster’ tegen te komen die zo pragmatisch tegen zijn carrière aankeek. Nà de ‘big time’ met het fabelachtige Dream Syndicate, werd hij niet ‘met de limousine’ (zoals hij zelf formuleerde) naar de ondergrondse Cactusclub in de Sint-Jacobsstraat gereden, maar haspelde hij met de trein en het openbaar vervoer zijn Eurotoer af, gitaar en ‘suitcase’ aan de hand, volkomen zelfbedruipend. Op de trein kan je nog schrijven en zie je nog iets, stelde Steve (duidelijk een opvatting van voor de grote spoorstakingen, maar kom…)

Hij had het uitgerekend: hij had genoeg fans, verspreid over de hele aardbol, die trouwe afnemers bleken van zijn regelmatige releases en concertrondes. Als hij die blijvend kon bereiken en bedienen, dan viel ermee te leven, misschien zonder groot comfort, maar wie wil er nu meer dan rondkomen, als je de mooiste job ter wereld mag beoefenen?! Uiteraard bezat Steve het noodzakelijke talent, de onverdroten werkkracht en de artistieke integriteit om zijn toen nog ‘stoute’ plannen ten uitvoer te brengen, maar het was tevens bewijs van zijn scherp inzicht in de wijzigende structuren. Wynn kan gelden als pionier in het ‘indie’ bestel dat we nu normaal vinden, omdat de communicatiemedia en de technische vooruitgang (denk maar aan het opnemen van muziek) sindsdien met rasse schreden vooruit zijn gegaan. Een platenfirma, zelfs een multinationale, is in dat bestel allerminst de dinosaurus, die sommigen ervan willen maken, maar het monopolie is weg en wie wil, kan op mensenmaat werken.

Die Steve Wynn in een rijhuis in het stille Moerbeke-Waas, het is dan ook de logica zelve! Eerst kregen we nog wel Mantaray te horen, een duo met een dubbele basis, Antwerpen en Gent. Quinten Vermaelen en Maxim Ryckaerts noemen zichzelf een kleinschalig folkproject, folk dan wel in breedste zin: alles wat je als akoestisch gitaarduo kan spelen aan Angelsaksische songs, van folk(rock), blues, Americana, Iers. Ze begonnen met de enige cover, een keuze die meteen onze aandacht aanscherpte, want niet velen grijpen terug naar een nummer als ‘Four In The Morning’ dat één van de legendarische singer-songwriters uit de sixties tot eighties, leider van The Youngbloods en nog altijd actief, Jesse Colin Young! Het daaropvolgende eigen werk openbaarde een duo dat vocaal (stilaan ook tweestemmig) en instrumentaal uit de voeten kan.

Helaas zat er relatief weinig reliëf in de set, bleef het al te vaak bij mooie stemmingen en idyllische landschappen, niet zelden als Simon & Garfunkel klonken in hun vroege dagen, dan wel met songs die ‘de eeuwigheid doorstaan’. Je mag toch iets meer profilering verwachten. ‘Nummer Twee’ klonk aardig, met in de aanhef zang die zowaar aan Canned Heat deed denken. Een als totaal nieuw aangekondigd nummer kreeg een geslaagde try-out en we onthielden ook een iets pittiger ‘Nummer Zeven’. Het slot van de iets te lange set werkte dan toch naar een soort climax toe. De ‘indiaanse’ percussie op de gitaar in ‘Mister Driver’ (?) bleek een goed idee. In het voorlaatste nummer ‘Don’t Forget To Pray’ (?) kwam het duo plots los en kwam er vaart en volume in het tot dan toe eerder voortkabbelende concert. Afsluiter ‘Death In Person’ (?) bleek ook al geen onaardige deun, of is het een murder ballad? Het is heel moeilijk om een band te taxeren na één optreden en willen dan ook geen conclusies trekken, behalve deze voorzichtige: Mantaray lijkt ons aan bezinning toe om de duidelijk aanwezige capaciteiten ten volle te benutten.

Steve Wynn heeft niemands ‘advies’ meer nodig om te schitteren. Voor één keer moest hij op zijn stoel blijven zitten, gezien de uiterst beperkte plaats, geen kans dus om hem op totaal onnavolgbare en zelfs onverklaarbare wijze aritmisch te zien rondhossen op de songs (eerlijk, we zien niemand hem dat nadoen) Zijn stijl van spelen en zingen kan je niet anders dan ‘Stevenam style’ noemen, herkenbaar uit duizenden. Keuze te over uit zijn intussen gigantische back catalogue, vanaf het werk met zijn eigen Dream Syndicate, één der boegbeelden van de alternatieve Paisley Underground stroming halverwege de eighties. Maar hij bleef songs spuien in één- of meermalige samenwerkingsverbanden (o.m. Danny And Dusty, samen met Dan Stuart van die andere Paisley Underground topper, Green On Red), met zijn The Miracle 3 of solo. Dan zijn er nog al die cd’s ten gevolge van projecten allerlei, de live cd’s, enzovoort, vaak in beperkte oplage. Wie nu pas inschakelt, heeft dus werk voor de boeg. Het helpt wel als je de dubbele ‘Live In Bremen’ (2008) raadpleegt omdat hij ook daarop met enkel de steun van The Miracle 3 gitarist Jason Victor grasduint in eigen werk. Het viel te verwachten dat het enigszins gelijklopend zou zijn…

Maar met Steve weet je nooit! In Moerbeke had hij in extremis een op zich al warrige playlist opgesteld, die hij alras liet voor wat ze was, waarna hij zich liet leiden door het moment en uitkwam op een aantal van zijn eigen lievelingssongs. Hij begon met ‘Now I Ride Alone’, te vinden op ‘Live In Bremen’ net als ‘Lay Of The land’ (uit ‘My Midnight’) dat daar kort op volgde. ‘Now I Ride Alone’ komt origineel uit ‘Out Of The Grey’ van Dream Syndicate. Gaandeweg zou blijken dat er verrassend veel uit die periode aan de oppervlakte kwam. De verklaring lag voor de hand. Bij ‘The Side I’ll Never Show’ kondigde Steve niet zonder fierheid de reünietoer aan van Dream Syndicate, later dit jaar. Velen keken hier al lang naar uit en gelukkig doet het gezelschap ook één keer ons land aan. Er volgden nog songs uit de glorieuze debuutplaat uit 1982, ‘The Days Of Wine And Roses’, namelijk de titelsong en op verzoek in de bissen ook ‘Halloween’, een song die hij trouwens in zijn hele loopbaan op gezette tijden weer bovenhaalde. Daarachter zette hij ook ‘See That My Grave Is Kept Clean’ (uit ‘Ghost Stories’) Da’s een cover van de bekende blues van Blind Lemon Jefferson. De eerste bis was dan weer ‘Burn’ uit het tweede Dream Syndicate album ‘The Medicine Show’.

Bovenop de dertien nummers in de reguliere set gaf hij nog een uitgebreide bisronde van vier songs, waarmee en waarin hij duidelijk maakte dat hij het erg naar zijn zin had in dat rijhuis in Moerbeke, in de living waar hij drie uur eerder nog gegeten had. Hij liet zelfs verstaan dat dit de beste ontvangst en het fijnste huisconcert waren ooit.  Het hele concept sluit trouwens goed aan bij zijn recente, op 1000 stuks gemaakte ‘Up There. Home Recordings 2000 To 2008’ waarvoor hij naast eigen werk ook selecte covers selecteerde van songs van ondermeer The ByrdsGene Clark, Nick Lowe, Daniel Johnston, Townes Van Zandt en held en rolmodel Neil Young. Via ‘One By One’ en ‘Top Of The Hill’ refereerde hij aan zijn tijd met het uit de hand gelopen hobbyclubje van Gutterball, waar iedereen met enig verdriet aan terugdenkt. Dit supergroepje kan immers nooit meer samenkomen: slagwerker Bryan Harvey werd met gans zijn gezin in zijn eigen kelder gruwelijk vermoord op 1 januari 2006. We weten niet of de dader(s) ooit werd(en) gevonden…

De songs van The Miracle 3 kwamen uit het (voorlopige) meesterwerk van de band, de dubbele ‘Here Come The Miracles’ (2001): geen ‘Good And Bad’, ‘Southern California Line’ of ‘Smash Myself To Bits’ die pas helemaal openbloeien met band, wel ‘Strange New World’, het zwierige ‘There Will Come A Day’ en ‘Crawling Misanthropic Blues’, op de cd een ziedende punkrocker, nu omgebouwd tot een vlotte popsong! En nog van dat: wie dacht dat er niets uit de nieuwste ‘Northern Aggression’ af kon, omdat die plaat inderdaad een felle, kwaaie Wynn laat horen, zat ernaast: cd-afsluiter ‘We Don’t Talk About It’ is een song die zowel met band als solo werkt, een van de beste songs die hij in de laatste jaren bedacht. Steve citeerde vanzelfsprekend uit zijn recente solowerk. Uit ‘Crossing Dragon Bridge’ (2008), die hij in Ljubljana (Slovenië) maakte in de studio van Chris Eckman (The Walkabouts) kwamen ‘Punching Holes In The Sky’ en ‘Manhattan Faultline’.

Bij die laatste song vergat hij zijn verhaal af te maken: de song handelt over zijn verhuis van LA naar New York (sindsdien verdeelt hij zijn tijd tussen die twee steden… en tegenwoordig ook… Oostende, blijkt het, Marvin Gaye achterna) Toen hij daar aankwam, was zijn eerste gedachte: ‘Zo ben ik ten minste de San Andreasbreuk ontlopen…’ om dan vast te stellen dat zijn nieuwe appartement op de minder bekende Manhattanbreuk ligt!  Het leverde een pracht van een song op. Minder vertegenwoordigd, zelfs opvallend afwezig, waren de fijnere stukken uit het begin van zijn sololoopbaan. We hoorden geen ‘Carolyn’, ‘Kerosene Man’, ‘Tears Won’t Help’, ‘Nothing But The Shell’, ‘Mandy Breakdown’ of ‘Melting In The Dark’. We kregen halverwege de set wel een heerlijke uitvoering van ‘Carelessly’ (uit ‘Fluorescent’), genoeg als verwijzing naar een nochtans zeer vruchtbare periode. Het bewijst alleen maar dat de man, als het moet, een week lang een concert van dit niveau kan geven, zonder één song twee keer te spelen!

Steve eindigde met ‘When You Smile’, nog een relikwie uit de tijd van Dream Syndicate (uit ‘The Days Of Wine And Roses’) Het werd het Leitmotiv van de concerten die Steve eind vorig jaar ondernam met ‘onze’ Piv Huvluv. Door persoonlijke omstandigheden kon die toer niet gans beëindigd worden. Nu is het een passend coda, een waardige afronding… en een incentive voor de komende passage van een legendarische band uit de Paisley Underground…

Antoine Légat (10 03 13)

Playlist: 1/ Now I Ride Alone (oorspronkelijk uit ‘Out Of The Grey’) 2/ Strange New World (uit ‘Here Come The Miracles’) 3/ Lay Of The Land (uit ‘My Midnight’) 4/ Crawling Misanthropic Blues (uit ‘Here Come The Miracles’) 5/ We Don’t Talk About It (uit ‘Northern Aggression’) 6/ Carelessly (uit ‘Fluorescent’) 7/ Punching Holes In The Sky (uit ‘Crossing Dragon Bridge’) 8/ Manhattan Faultline (uit ‘Crossing Dragon Bridge’) 9/ Top Of The Hill (uit ‘Gutterball’) 10/ The Side I’ll Never Show (uit ‘Ghost Stories’) 11/ One By One (uit ‘Gutterball’) 12/ There Will Come A Day (uit ‘Here Come The Miracles’) 13/ The Days Of Wine And Roses (uit ‘The Days Of Wine And Roses ’)

BIS1: Burn (uit ‘The Medicine Show’) – BIS2: Halloween (uit ‘The Days Of Wine And Roses’) – BIS3: See That My Grave Is Kept Clean (uit ‘Ghost Stories’) BIS4: When You Smile (uit ‘The Days Of Wine And Roses’)

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s