BELLOWHEAD, Broadside: ‘…een explosief mengsel dat de concerten zal verrijken, maar de folkliefhebber thuis zal al even veel plezier beleven aan deze boeiende keuze…’

Zie ook www.folkroddels.be

Op ‘Broadside’ kleurt BELLOWHEAD verder de krijtlijnen in die de bejubelde voorganger ‘Hedonism’ had uitgetekend, eens te meer met de steun van topproducer John Leckie (gigantische staat van dienst, als technicus vanaf 1970, als producer vanaf 1975) De ‘mega folk +’ band met elf muzikanten (onder wie één vrouw, Rachael McShane, viool, cello), zes zangstemmen en ruim twintig verschillende instrumenten, staat bekend voor zijn flamboyante en barokke stijl. Dat vindt zijn uitdrukking in de cd titel: ‘broadside’ verwijst naar de batterij van kanonnen langs één zijde van een oorlogsschip, zoals dat in de tijd van de zeilboten was. Een vlotte vertaling zou ‘de volle laag’ of ‘het volle pond’ kunnen zijn. Maar er is een tweede betekenis: een ‘broadside‘ of ‘broadsheet‘ was een liedjestekst gedrukt op een goedkoop blaadje, soms met een illustratie erbij, in eenvoudige houtdruk en dus betaalbaar.

Tussen de zestiende en negentiende eeuw, toen er nog geen radio, iTunes of Spotify was, voorzagen ze de eenvoudige mensen van liederen, doorgaans ballades, niet alleen  in Engeland, maar ook in Ierland en Noord-Amerika. Ze werden verkocht door rondtrekkende verkopers, de hawkers of chapmen (daar komt dus de veel voorkomende achternaam ‘Chapman’ van!) Men schat dat in de piek van de populariteit der broadsides, rond 1660, er zo’n 400.000 per jaar werden verkocht in Engeland. Hun populariteit nam af met de opkomst van o.a. de dagbladen, die de belangrijke sociale functie van de berichtgeving overnamen. Er zijn daarom ook vergelijkingen met onze plakkaatliederen te maken. De traditie van de broadsides stierf uit in de negentiende eeuw. (*)

Er staan twee broadsides op ‘Broadside’, allebei meesterlijk gearrangeerd, ‘Betsy Baker’ (hier een flink stuk ‘afgeslankt’) en ‘Black Beetle Pies’, een vrij absurdistische story (misschien omdat we de context niet meer kennen) Maar de cd grijpt terug naar een hele waaier aan liedvormen. De opener is het bekende, in de laatste decennia vaak vertolkte mijnwerkerslied ‘Byker Hill’, in één van de drie melodieën verbonden aan de song. Het refrein verwijst naar twee districten van Newcastle: ‘Byker Hill and Walker Shore, collier lads for ever more’. ‘Broadside’ vervolgt met een wijdverbreide song van Harry Wincott (1867-1947), ‘The Old Dun Cow’, het hilarische verhaal van een pub die in brand staat. De blusmethodes zijn wel zeer onorthodox. ‘Roll The Woodpile Down’ is dan weer een river boat shanty uit het zuiden van de States.

Een zogenaamde transportation ballad volgt, ’10,000 Miles Away’: in de 19e eeuw zette men misdadigers in Engeland op de boot en ze mochten er weer uit in Oceanië, om er een strafkolonie te bevolken. In casu is de bestemming Sydney, in vogelvlucht 10.000 mijl van Londen, vandaar de songtitel. Dat de overheid de term ‘misdadiger’ voor het gemak soms verwarde met ‘arme drommel’, leer je ook via de recentste cd van Hat Fitz & Cara Robinson, ‘Wiley Ways’, meerbepaald via het straffe ‘Eliza Blue’. ‘Thousands Or More’ is dan weer een typische drinking song, uit de liederenschat verzameld door The Copper Family, die de traditie van het a capella zingen al generaties onderhouden. De versie van Bellowhead krijgt een fraai walsend instrumentaal einde.

The Wife Of Usher’s Well’ is een lament(ation), waarin het verdriet van een moeder om de dood van haar drie zonen tot een hallucinante schouwspel leidt, wat de woeste orkestratie kan verklaren. ‘What’s The Life Of A Man (Any More Than A Leaf)’ komt niet helemaal uit de verf en haalt zijn belang vooral uit de gastrol voor Barriemore Marlow: de legendarische drummer van JETHRO TULL (1971 tot 1980), bekend om zijn inventieve spel, haalt hier de tam tam boven. Het exhuberante, meezingbare ‘Lillibulero’, live wellicht een prijsbeest, zou zijn melodie wel eens ontleend kunnen hebben aan Henry Purcell. ‘Go My Way’ is een kruising van een typische sea shanty (of hauling shanty) met een zeemansballade en eindigt de cd op een grootse wijze: stemmenwerk en instrumentatie maken er haast een fragment uit een opera van.

Gezien de opnames van ‘Broadside’ doorgingen in de Welshe Rockfield Studios (in het boekje staat Rockfield Studio), waar QUEEN 37 jaar geleden ‘A Night at The Opera’, en dus ook ‘Bohemian Rhapsody’ opnam, is dit allicht ook al geen toeval. Bellowhead heeft inderdaad iets van een ‘Folk Queen’. De enige non traditionals zijn twee, heu, traditionele dans tunes, ontstaan tijdens soundchecks van de band en op naam gezet van Jon Boden (zang, fiddle), de vaste arrangeur van de groep, in afwisseling met Peter Flood (zang, percussie) Die twee hebben, dat had u begrepen, goed werk geleverd. Op ‘Broadside’ verfijnt (nou ja) Bellowhead de formule die via ‘Hedonism’ al zoveel nieuwe fans opleverde. Het is een explosief mengsel dat de concerten zal verrijken, maar de folkliefhebber thuis zal al even veel plezier beleven aan deze boeiende keuze, voorzien van het nodige woord in het cd-boekje in ‘zeemansstijl’.

 Antoine Légat (23 02 13)

 (*) Een typisch voorbeeld van een broadside ballad (ook stall, vulgar of come all ye genoemd) toen erg populair, maar tegelijk één der laatste, is ‘Lady (Jane) Franklin’s Lament‘, ook ‘Lord Franklin‘ en ‘The Sailor’s Dream‘ geheten. We verwijzen hiervoor naar ons artikel in Het Visserijblad van Oostende (januari 2013, nr. 1, jg. 80)

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s