Sofia PAPAZOGLOU & Manolis PAPPOS (met Dimos VOUGIOUKAS en Stergios PAPADOPOULOS) in De Centrale te Gent op vrijdag 25 januari 2013: ’Meesterlijke bundeling van topartiesten voor een programma met liederen uit de tweede bloeiperiode van de rebètika, 1945-1960’

staat online @ www.folkroddels.be

Het is al even voorbij, maar de drie concerten van dit collectief waren toonaangevend en te belangrijk om ze onvermeld te laten, temeer daar het kwartet de steilste verwachtingen wist in te vullen. De twee optredens in Art Base (Brussel) zagen we niet, maar genoten des te meer van de passage van dit kwartet in De Centrale op vrijdag 25 januari. De dame en de heren hebben elk hun eigen muzikaal leven. Het zou ons te ver leiden om in detail te treden maar gelukkig is er www.skopos.be , site die altijd maar meer diepgaande informatie ter beschikking heeft over alles wat Griekse muziek betreft, op misschien de laatste Helleense hip hop, trip hop of dub step formatie na (en dan nog… Want in de Griekse muziek lijkt iedereen met alles verweven)

Sofia Papàzoglou is één van de grote zangstemmen waar Griekenland het patent op heeft. Ze werkte dan ook samen met dames van haar niveau als Glykería en Elefthería Arvanitàki, die hier iets bekender zijn. Maar zoals gebruikelijk kan je haar naam ook verbinden met zo’n uiteenlopende acts als Jorgos Dalàras, Diónysis Savvópoulos of Jannis Markópoulos. Diverse ensembles en initiatieven maakten constant gebruik van haar kwaliteiten. Ze stond mee aan de wieg van het Smyrna Trio en werd ook betrokken in het boeiende Estudiantina project.

Manólis Pappos is niets minder dan een reus op de bouzouki, oed, tzouràs, baghlamàs maar ook snaarinstrumenten van elders. In faam in deze generatie enkel geëvenaard door een Babis Goles of Agàthonas Iakovídhis. Dat site danken aan zijn heldere spelstijl, die hij bovendien aanpast aan de muzieksoort en de periode waaruit het lied stamt. We vergelijken hem graag met een Duke Robillard uit de blues: diezelfde superieure techniek, dezelfde ‘klare lijn’, het zelfde gevoel voor invulling en improvisatie. Pappos is een meester van de taxími, de (in zuivere vorm ritmisch vrije, onbegeleide) introductie, die dient om de toonschaal te verkennen en te introduceren (in oudere tijden kon men dan proberen dat lied vooraf te raden) Uiteraard zingt hij ook, op de geijkte manier. Hij is tevens een productief liedjesschrijver, maar dat aspect was niet van toepassing tijdens deze concertreeks.

D(h)imos Vougioùkas is als accordeonist niet alleen een kei in de dhimotikà, de Griekse volksmuziek, maar zijn muzikale kennis en interesse overspant de hele Balkan. Als we ons niet vergissen was hij hier al eens met Nena Venetsànou. Stergios Papadópoulos heeft als gitarist een louter begeleidende functie, maar het belang ervan kan niet overschat en doet sterk denken aan de rol van de slaggitaar in de swing jazz: zonder die gitaar, in wezen een restant van de bourdontoon uit de Orthodoxe gezangen, staat of valt het geheel.

De vier bundelden hun krachten voor ‘Apó to Rebètiko sto Laïkó Tragoùdhi ’45-‘60’, een programma dat een inkijk geeft op de tweede grote periode in de ultra korte geschiedenis van de rebètika, die van de ‘archondorebètes’, de ‘rijke zelfkanters’, tevens de doodsteek voor de rebètika pur sang. Er was al een korte bloei voor de oorlog geweest, met de komst van de eerste Kompanía (met Jorgos Bàtis en Markos Vamvakàris) in 1933, tot aan de dodelijke censuur van dictator Metaxàs. Het is met deze later ‘Piraeusstijl’ gedoopte muziek van de zelfkanters, de underground in de stedelijke centra dat men de rebètika meestal associeert. In de oorlog waren er de ‘rebètika tis katochís’, maar dat brandde op een lager pitje. Na de oorlog en de niets ontziende burgeroorlog kwam een nieuwe bloei, vooral vanaf 1948.

Plots werden de rebètes salonfähig bij de burgerij (het bordensmijten, weetuwel) en de muzikanten verdienden plots hopen geld met hun liedjes over miserie. Vrouwen kwamen erbij, vaak nog vanuit de meer oriëntale smyrnèïka, die langzaamaan verdwenen. De liedjes werden ‘gekuist’ van sex, drugs, gevangenis en dies meer. De muzikanten werden professioneel: Vasílis Tsitsànis, Yannis Papaioànnou e.a. schreven hun meesterlijke songs, Manólis Chiótis verhief de bouzouki tot een virtuoze hoogten, topzangers als Stelios Kazantzídhis maakten liederen populair. Maar de songs werden nu ook beïnvloed van buitenaf: de westerse hits, en zo tot de… Indische soundtracks uit Bollywood toe, ontdeden de songs van hun oude karakter, een evolutie die vanaf 1952 erg hoorbaar werd. Een aantal songs van daarna, tot ongeveer 1960, behoren stilistisch nog  tot de rebètika. Maar dan zijn ze eigenlijk al opgenomen in het grotere geheel van het populaire lied, de popsongs die men gemeenzaam aanduidt met ‘laïkà (tragoùdhia)’, ‘volkse liedjes’.

Uit die immense schat aan liedjes putte het viertal, bekend en minder bekend werk. Vanzelfsprekend komt Tsitsànis een paar maal aan bod (van zijn op deze Gentse avond gebrachte ‘Pia tin Strata ki èrchome’ staat een prachtige uitvoering op YouTube, door de meester zelf: http://www.youtube.com/watch?v=kp2fK_pDS64) Maar ook Chiotis, Apóstolos Kaldàras, Jorgos Mitsàkis en vele anderen passeren de revue. Dat is bewust enger dat wat de uitmuntende jonge Kompanía van Katerina Tsirídhou afgelopen jaar hier ten lande  enkele malen bracht, de laatste maal op Brugges Festival, want die speelden bvb. ook vooroorlogse rebètika.

Sofia geeft schaars duiding: voor de pauze presenteert ze kort de aard en de bedoeling van het programma. Na de pauze beantwoordt ze een vraag: ‘You ask me what the songs are all about? They are ALL about love!’ Even later stelt ze dat bij: ze zijn bijna alle verdrietige songs. Ze zegt: ‘About separation’. Dat is een eeuwig thema in de Griekse volksmuziek, gevolg van de Turkse overheersing (die de oudste zonen opeiste en ‘verturkste’ door ze in het leger als Jenistsaren te gebruiken) en de massale emigratie. In de rebètika is het meestal herleid tot LDVD, versmade liefde en smart over ontrouw. Dat valt dan ook te horen!

In twee sets brengt dit gezelschap ruim twintig songs met het bravoure dat deze specialisten eigen is. Sofia en Manolis zingen alternatief, Sofia met die stem die ijsbergen doet smelten (u vindt dan ook geen ijsbergen in Hellas!), Manolis met de smachtende stem van de door ‘kaïmos (‘totale verbranding’)’ en ‘lachtàra’ (‘heimwee’ verwant aan de saudade van de fado) verteerde rebètis. We weten niet of er bouzoukispelers in het publiek zaten, maar het zou ons niet verwonderen moesten ze na dit concert hun instrumenten hun instrumenten ritueel verbrand hebben. Waar Papadopoulos nooit uit zijn ritmische functie stapt (ook niemand die dat verwacht), alterneert Vougioùkas met de solo’s van Pappos, waarbij hij af en toe hoog in de Balkan klimt.

De overgang naar de laïkà vergeten ze niet: kort na de pauze speelt het gezelschap een ons onbekend lied dat, hoewel onmiskenbaar Grieks, zwaar beïnvloed blijkt door de swing jazz (Django!) en de twintiger jaren jazz. Pappos speelt hier een indrukwekkende solo en de tekst, in duet gebracht, is bepaald een tongenbreker. Het is een pracht van een cross-over. Mogelijk stamt het uit Amerika waar de Griekse muziek een voor een stuk parallelle ontwikkeling doormaakte. Géén ‘Synefiasmèni Kyriaki (‘Bewolkte Zondag’)’ ditmaal, en dat is ook begrijpelijk: Tsitsànis componeerde dit ‘tweede Griekse volkslied’ al in 1943, al was het Kazantzidhis die dit prachtige lied in de jaren vijftig populair maakte. Wel krijgen we in de bissen een andere tearjerker van Tsitsànis: ‘Kyriakí se gnórisa, kyriakí se chano’… ‘Ik leerde je kennen op een zondag, op een zondag ben ik je kwijt’. Ja, het kan pijn doen, maar zoals Sofia het zingt, is het toch eerder marsepein!

Dat het concert eindigt als een ‘glendi’, een ‘avondfeest’, laat zich raden. Met meer Grieken erbij zou dit al vlug een dansfeest en een ‘Grieks nationaal zangfeest’ geworden zijn, maar wij koele noorderlingen zitten zo niet in mekaar. Toch weten we dit naar waarde te schatten: nog lang werd met de muzikanten nagepraat, al zal dat niet alleen over de muziek geweest zijn. In elk geval komt Hellas op deze wijze veel positiever in beeld dan in het TV journaal. Onthoud de namen: Sofia Papàzoglou, Manolis Pappos en Dimos Vougioukas, altijd garant voor topamusement.

Antoine Légat (04 02 13)

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s