Lucilla GALEAZZI met Davide POLIZZOTTO met ‘Encore Bella Ciao’ in de Turbinezaal van De Centrale te Gent op woensdag 23 januari 2013: ‘…met elk lied groeit het totaalbeeld dat ze meesterlijk weet te schilderen…’

Zie www.folkroddels.be én www.rootstime.be, sectie ‘LIVE’

Venit, vidit, vicit‘ – ‘Zij kwam, zij zag, zij overwon‘, zou haar landgenoot Gaius Iulius Caesar, in zijn ‘Commentaren bij de Gallische Oorlog‘ genoteerd hebben bij het aanhoren van Lucilla Galeazzi, de Grote Dame van het Italiaanse volkslied, gesteld dat de veroveraar, hier beter bekend als ‘de Jules César‘, De Centrale in Gent zou gevonden hebben. De enige echte opvolgster van de grote Giovanna Marini is zij, Lucilla Galeazzi, aan de folkfans bekend via Il Trillo (samen met Carlo Rizzi en Ambrogio Sparaga, ook geen sukkelaars!) Het is slechts één van de vele muzikale uitingen waarin de Umbrische (ze is van Terni) zich verdienstelijk maakte, o.a. oude muziek, tango, jazz, veldonderzoek. Waar ze ook aan meewerkte, het waren telkens hoogstaande projecten.

Haar interesse in volksmuziek werd opgewekt toen ze als studente aan de universiteit van Rome musicoloog Diego Carpitella ontmoette, een collega en tijdens diens onderzoek in Italië medewerker van Alan Lomax, en als een ‘tweede Shirley Collins‘ met Diego het platteland introk op zoek naar verdwijnende muzikale tradities en liederen. Vrienden leerden haar zangtechnieken. Giovanna Salviucci, wier artistieke persona Giovanna Marini werd, musicista, cantautrice e ricercatrice etnomusicale e folklorista italiana‘ zoals de Italiaanse Wikipedia haar betitelt, nam haar op in haar erg hoogstaande gezelschap. Daar bleef Lucilla zeventien jaar, ongetwijfeld een geweldige leerschool. Twee jaar geleden, intussen zovele solo- en groepsprojecten verder, besloot Galeazzi een cd te maken die aansluit bij de revival van het Italiaanse volkslied onder de noemer ‘Nuevo Canzoniere Italiano‘. Die cd kreeg de toepasselijke titel ‘Encore Bella Ciao‘ en werd niet zozeer een overzicht (want er zit ook werk van haarzelf bij, aansluitend bij het thema) als wel een hommage aan de pioniers, die aan de wieg stonden van de beweging.

Bella Ciao‘ verwijst vanzelfsprekend naar het partizanenlied dat gans op het einde van WOII ontstond en vooral erna uitgroeide tot hét protestlied, dat, zo zou ze documenteren in haar optreden, telkens weer opduikt, ook op onvermoede plekken en ogenblikken… Dit ‘Encore‘ was gesneden koek voor het podiumbeest Galeazzi. Ze ging er dan ook de boer mee op en zo kwam ze ook bij ons, de keuterboerkes van de lage landen. Daarvoor had ze enkel de assistentie nodig van Davide Polizzotto, die ook op de cd een belangrijke rol aangemeten kreeg. Hij is van vele markten thuis op ‘gewone’ gitaren, maar bij Lucilla speelt hij ook de Zuid-Italiaanse chitarra battante (letterlijk ‘slaggitaar’) of chitarra italiana, ideaal om het opzwepende ritme van de dansnummers te bereiken.

Het optreden in de Turbinezaal op woensdag 23 januari hernam het ganse repertoire de cd, aangevuld met een handvol gepaste liederen, maar het werd helemaal geen droge ‘tour de chant’, maar na twee nummers, waaronder het erg populaire emigratielied ‘Mamma, Mamma, Mamma, Damme Cento Lire‘, dat één van Lucilla’s lijfliederen werd, maar van veel oudere datum is, begon de vertelling. Tussen de meeste nummers in zou ze verder duiding geven op haar geëigende dynamische en temperamentvolle manier, in een kleurrijk soort Frans, perfect verstaanbaar, met humor van divers pluimage in, vooral veel zelfspot, inspelend op de clichés die de wereld koestert over Italianen. Het doet denken aan het vrolijke taaltje vol doordenkers van Riccardo Tesi… Maar waar Tesi daarbij nauwelijks de stem verheft, speelt Galeazzi constant theater.

Met en tussen de nummers verhaalt ze hoe het Italiaanse volkslied in al zijn gedaanten tot de jaren zestig in de verdrukking zat en zelfs gewoon dreigde te verdwijnen, hoe het door één dramatische annex glorieuze explosie (een vreedzame ditmaal) weer aan de oppervlakte kwam, het ‘Festival dei due Mondi‘ in Spoleto in 1964. Giovanna Marini nam trouwens deel aan deze eerste uiting van interesse voor de muziek van de lagere klassen, in al zijn facetten, ook degene die de burgerij en gevestigde orde in de gordijnen joeg: wat kon met gospel en blues (men begreep toch niet waar die zwarten toen over zongen, dus kon het geen kwaad), kon niet met het volkslied omdat men het VERSTOND. De pogingen om deze ‘abjecte’ muziek te verbieden, hadden een averechts effect. Galeazzi beschrijft treffend hoe met het herleven van liederen over onrecht en protest, gastarbeid en emigratie, oorlog en, o ergste aller kwellingen voor het katholieke, preutse en schijnheilige Italië, de liefde, een hele natie zijn identiteit, zijn fierheid en zelfbewustzijn terugvond. Deze emancipatie ging vér en omvatte alle aspecten: de maatschappelijke rol van de vrouw, die haar rechten kwam opeisen en voor het eerst in Italië buitenshuis aan het werk ging, de seksuele revolutie, de sociaal-economische omwenteling. Het zijn ‘chansons de la libération des mots‘, zoals ze zelf zei in de intro van ‘Quelle Parole‘.

Het werd inderdaad een boeiende en bevrijdende reis. We ontmoetten de fabrieksmeisjes van de Jutificio Centurini in Terni, die in de vuilmakende jute werken, maar ook de arme drommels die beu van niet erkend te worden voor hun arbeid in Rome en voortdurende uitzettingen moeten ondergaan en ten slotte de Campidoglio (ontworpen door Michelangelo) in hartje Rome ‘kraken’. Figuren als Pier Paolo Pasolini, Anna Magnani, Luchino Visconti, Umberto Eco, passeren kort of wat langer de revue. Maar er is ook aandacht voor een illustere onbekende als Gaetano, die plots tot leven komt, en zelfs… Alan Lomax (er verscheen een prachtig fotoboek over zijn verblijf in Italië in ’54-’55 met de veelzeggende titel ‘L’Anno più felice della mia Vita (The Happiest Year of My Life)‘, samengesteld door Goffredo Plastino).

Zo’n cascade aan feiten en mensen, het verveelt totaal niet, het stoort geenszins, want woord en muziek vermengen zich moeiteloos, en met elk lied groeit het totaalbeeld dat ze meesterlijk weet te schilderen. Op het goeie moment gooit ze er het bijpassende lied tussen, even goed een vurige tarantella als een parel van een verstild Siciliaans wiegenlied (‘Avo! L’Amuri miu‘) Ze zet het publiek aan het werk (geweldig hoe ze ‘l’orgeuil féminin‘ in dat verband uitspeelt!) of overweldigt met een schier eindeloze woordenstroom, sneller zingend dan haar schaduw, zoals alleen Italiaanse dames dat kennen en kunnen. Ook ‘functionele’ Polizzotto krijgt zijn solostek (knappe eigen compositie ‘Scirocco‘) Levensblijheid, passie, optimisme en idealisme? Ja, het zijn woorden die bij dit concert horen, maar Lucilla is niet blind voor de andere zijde. Ze spreekt over het terrorisme, de eerste bom in Milaan in 1969, de bom in het station van Bologna in 1980, toen 85 mensen, lang niet alleen Italianen, een volstrekt zinloze dood vonden, en daartussenin de ‘strategische’ kidnapping van en moord op Aldo Moro, gerespecteerd politicus en ex-premier, in 1978. Galeazzi ziet er niets minder dan een complot, een meesterplan in om de vaart der Italiaanse volkeren af te remmen en stil te leggen…

In 2000, twintig jaar na de droeve feiten, kwam de moeder van Sergio Secci haar opzoeken. Sergio was één van de doden van Bologna. De jongeman was net briljant afgestudeerd bij Umberto Eco en was die fatale tweede augustus op weg naar een eerste job. Zijn ma vroeg Lucilla om over haar jongen een lied te schrijven. Dat werd dan ‘Per Sergio‘, waarin Galeazzi de juiste woorden vond om te beschrijven wat wij allen voelen bij zoveel verdriet: zowel op de cd als live in de Turbinezaal werd het een hoogtepunt, al beschrijft het dan een dieptepunt in de geschiedenis van de mensheid. Ze breit aan het lied gelukkig een iets levendiger sluitstuk. Die tarantella sluit af. Maar het viel te verwachten dat ze terug zou keren om alleen en met de gitaar (die ze trouwens wel vaker bespeelt) een trage, beeldschone versie van ‘Bella Ciao‘ te brengen. Die song kennen wij in Vlaanderen (opnieuw) zeer goed dank zijn Nic Balthazar die het voor de ‘Sing For The Climate‘ actie ombouwde tot ‘Do It Now‘. Galeazzi vermeldt dat tijdens de ‘Occupy Wall Street‘ acties in new York de mensen ‘Bella Ciao‘ zongen (en niet ‘This Land Is Your Land‘, bvb.)

Helemaal afsluiten doet ze met een saltarello, de Umbrische tegenhanger van de zuidelijke tarantella. Ze legt de ogenschijnlijk kleine verschillen uit. ‘La tarentelle soigne, le saltarello TUE‘, zegt ze erover. De eerste kan je makkelijk dansen, de tweede is zeer veeleisend voor de danser. Het is het passend sluitstuk van een uiterst aangenaam en leerrijk concert, dank zij twee bezielde en bekwame artiesten. Het gaf zeer zeker ook zin om weer meer cultureel te ‘investeren’ in Italië, dat ook zonder een ‘volkse’ maar omhooggevallen buffone (clown) aan de top op het vlak van de volkscultuur een onmiskenbare charme bezit.

Antoine Légat (25 01 13)

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s