I MUVRINI in de Brugse Stadsschouwburg (org. Cultuurcentrum Brugge) op woensdag 28 november 2012: ‘Drie uur lang voelden ruim zevenhonderd mensen zich, samen met het achtkoppige gezelschap, helemaal wereldburger…’

 Te lezen online @ www.rootstime.be

Het liep weer eens storm, ditmaal in Brugge, het eerste van een tiental concerten tot 15/12, voor de Corsicaanse broers Jean-François (eigenlijk Ghjuvan-Francescu, vandaar de afkorting GF) en Alain Bernardini, die hun formatie de ‘(kleine) moefflons‘ doopten: I Muvrini (Die typisch Corsicaanse moufflons (kleine wilde schapen) zijn intussen ook al een bedreigde diersoort, wist GF te vertellen) Met I Muvrini zetten ze de traditie van de Corsicaanse driestemmige polyfonie voort, in opvolging van hun vader Jules Bernardini. Maar in de loop der jaren tachtig, toen hun muzikale activiteit in het explosieve klimaat van toen nog als ‘subversief’ werd beschouwd, ontwikkelde I Muvrini zich niet enkel tot de voorvechters van de oude Corsicaanse waarden en verworvenheden, maar ook tot een succesvolle pop-rockformatie die zijn roots verbond met de hitparade en de stadia. De immense populariteit van de band in de Francofonie stond het alter ego echter nooit in de weg: op twee jaar tijd doen ze nog immer alle dorpen van Corsica met hun traditionele religieuze en profane meerstemmigheid. In Vlaanderen duurde het wat langer vooraleer het unieke karakter van de groep doordrong, maar dat is intussen dubbel en dik goedgemaakt.

De Brugse Stadsschouwburg was dus al snel uitverkocht voor het concert van woensdag 28 november. Deze kleine toer komt er amper elf maanden na de vorige. Dat heeft niet alleen te maken met het verschijnen, deze zomer, van een nieuw album, ‘Imaginà‘, maar ook met de voorliefde die GF koestert voor België en meerbepaald Vlaanderen. Hij laat niet na dat in zijn commentaren te laten doorschemeren. Dat het concert nog een aantal elementen van de vorige show behield, is niet alleen begrijpelijk, maar zelfs wenselijk, want de boodschap die GF uitdraagt, kan niet voldoende herhaald worden en als de drager ervan goed is, zou het dom zijn die al te vroeg te laten vallen. Niet dat hij zich grote illusies maakt, maar hij is zich bewust dat verandering begint bij jezelf. Vorige maal zei hij onomwonden: ‘Liedjes veranderen de wereld niet, dat is geweten, maar soms veranderen ze de manier waarop wijzelf naar de mensen en de wereld kijken.

De modale Vlaamse rock, blues en rootsliefhebber is nogal beducht voor valse emotie in zijn muzikale appreciatie, wat zich in zwakkere acts dan deze Corsicanen soms uit in goedkoop effect. Daar kan je dus I Muvrini absoluut niet van beschuldigen, maar toch spelen we even advocaat van de duivel. I Muvrini is in zijn popgedaante niet immuun voor ‘typische gallicismen’ en de neiging tot ‘variété’ van vele Franse acts: GF’s pleidooien, parabels en statements zijn niet zelden onderstreept met een weldadig tapijt van synthesizerklanken. Wat hij vertelt is echter van zichzelf zo prangend, treffend, ontroerend, of alles tegelijk, dat het (voor onze oren) niet hoeft, tenzij daar waar het functioneel is. Bovendien, de zangsessies zijn misschien iets te frequent, ondanks de onweerstaanbare melodieën en ondanks de sfeer die je daarmee kan opwekken in een akoestisch uitgelezen kuip als de Brugse Stadsschouwburg. Je kan er natuurlijk over redetwisten: in een concert dat volle drie uur duurt, dienen de zangkoren alvast niet als vulsel voor een eventueel tekort aan inspiratie!

En als de mensen spontaan de zanglijn van het zo fraai gedraaide ‘A Voce rivolta (Luidkeels)‘ hernemen en blijven zingen nadat het nummer afgewerkt is, terwijl de muzikanten mekaar geamuseerd aankijken, net hetzelfde als wat gebeurde in CC De Spil in Roeselare op 17 december 2011, dan is dat dus géén toeval. Dan slik je toch deze bedenkingen in en blijft er het genot over van een voorstelling die even leerrijk is als onderhoudend. Multimediaal trouwens, met projecties van beelden, filmpjes en teksten achter de muzikanten, en de warme ‘off screen‘ vertaalstem van trouwe Nederlands Marlène, stilaan een traditie in onze lage landen. Ditmaal geen uitleg over de ‘cellules imaginales‘, een sterk beeld dat ook op de recente ‘Imaginà‘ speelt, maar wel een reeks songs uit die cd. ‘Eterna‘ legt de link met de polyfonie, die trouwens enkele malen via machtige driestemmige intro’s of tussenstukken haar monumentale en hemelse slagschaduw over het concert wierp. We hebben het echter ditmaal nooit gehoord zonder (minimale) begeleiding, zoals dat in het verleden wel zijn stek kreeg in het geheel. Die polyfonie is immers per definitie a capella. Het was alvast meer dan voldoende als eerbetoon aan de roots.

Uit de nieuwe ook ‘Pè quantu mi vendi (Voor hoeveel verkoop je me)‘, dat verwijst naar Severn Cullis-Suzuki, moedig meisje dat als twaalfjarige op de milieutop in Rio De Janeiro (1992) de hoogwaardigheidsbekleders de mantel uitveegde: ‘En voor welk fortuin, voor welke som geld bied jij het huis van ons allen zomaar te koop aan?‘ Kort komt ze ook in beeld: haar getuigenis stààt twintig jaar later nog steeds. ‘Pace Santa (Heilige Vrede)‘ verhaalt op poëtische wijze over het verdwenen land van onze kindertijd. ‘Lurra‘ is de naam die de Kichwa (Quechua) Indianen aan de ‘Aarde‘ geven. GF vertelt hoe deze vindingrijke Indianen van Sarayaku in het uit winstbejag zo fel belaagde Amazonegebied op een geweldloze maar opvallende wijze (‘des fleurs contre le pétrole‘) aan de wereld kenbaar maken dat ze niet om te kopen zijn en hun gebied niet prijsgeven aan oliewinning, ook niet nadat men hen gouden bergen beloofd heeft… Met moeder aarde, Pacha Mama, wordt niet gespot.

Het Baskische woord voor ‘Zaadje‘ is dan weer aanleiding tot ‘Hazia‘, dat het zonlicht nog nier ervoer maar hardnekkig gelooft het te zullen vinden, het ten slotte ook vindt, een lied ‘voor alle lentes die bevrijden‘. Beelden van de val van de Berlijnse muur en van Martin Luther King die zijn ‘I have a dream‘ afsteekt, begeleiden de song, die ook een ode wil zijn aan alle vrouwen en dan denkt GF in de eerste plaats aan Aung San Suu Kyi, al vermeldt hij haar naam niet. Ook aan de ‘Arabische lente‘ zal hij gedacht hebben, uiteindelijk het gevolg van één moegetergde Tunesiër die met zijn wanhoopsdaad miljoenen in beweging bracht. ‘Fora (Eruit)‘ is een alternatieve kijk op het probleem van emigratie en immigratie, autochtoon en, durven we het schrijven, allochtoon. ‘Mondimei (Barbara Furtuna)‘ verwijst opnieuw naar de polyfone basis van de muziek van I Muvrini, maar ook naar de Corsicaanse wortels. Daarmee bedoelt men op het eiland met Cristianu immers de mens, ieder mens eigenlijk, de mens gezien als broeder. De etymologie van het woord geeft tegelijk echter aan dat de Corsicaan een ‘christelijke’ traditie heeft, maar alleen als teken van eigenheid en identiteit, niet vanuit een fundamentalistische reflex of als oogkleppen: ‘We hoeven niet te weten van welke vader, van welke moeder, welk geloof hun hartstocht wekt‘ luidt het en dat verklaart de songtitel ‘Mondimei‘ of ‘Werelden‘: we moeten en kunnen ons thuisvoelen met of in elke oprechte spirituele traditie.

Natuurlijk was er plaats voor de klassiekers: ‘Di (Zeg)‘ begint klein en ontroerend, maar eindigt groots en ontroerend. De Armeense duduk van de fluitist (die ook opviel als doedelzakspeler) onderstreept de poëzie van dit eenvoudige, maar allesomvattende lied over het einde van een relatie-met-kind: ‘Zeg me: die kleine en zo beminde fee… Je had haar zo vurig gedroomd. Je wenste dat ze op me leek. Wenen doe je maar een andere keer. Ik hou mijn deur open voor als je komt kloppen. Nu is het tijd om te vertrekken…’ Al verstaan we het Corsu maar moeizaam, het pakt je altijd… Het schitterende, hooggestemde ‘Ún ti nè scurdà (Vergeet niet)‘ komt aan de beurt, zoals helaas niet een stel andere ‘classics’ (als ‘Isule‘, ‘Anu lasciatu‘ of ‘Rispondimi Ie’) De ode aan Corsica, zijn bergrivieren, zijn zon, bergen en mensen, ‘A Voce rivolta‘ vermeldden we al. Vorige maal liet GF ons kennismaken met Giuseppe, een elfjarige jongen (intussen, hoe raadt u het, twaalf) die hoog in de Corsicaanse bergen, in de buurt van Aleria, vastbesloten is het werk als boer en herder van zijn voorvaderen verder te zetten, niet uit koppigheid maar als een vrije keuze (want de jongen studeert intussen) We zien Giuseppe aan het werk op de boerderij. GF zingt ‘Si natu Paisanu (Als je als boer geboren bent)‘. Het lied maakt duidelijk dat we allen boeren zijn, in de beste betekenis van het woord, en dat dat besef de wereld verder zou helpen.

De laatste jaren, zegt GF, hebben in Zuid-Amerika naar schatting 255.000 wanhopige boeren zelfmoord gepleegd, opgejaagd door mensen die hun afkomst vergeten zijn. Ook daardoor is ‘Si natu Paisanu‘ zo’n krachtig statement. Maar het leven wacht niet: de muziek gaat over in een levendige quadrigliu dans, met de doedelzak in een glansrol. Antoine de Saint-Exupéry is nooit ver weg bij I Muvrini: de schrijver en luchtvaartpionier verdween aan het eind van WOII niet ver van Corsica, een mysterie dat lang onopgelost was. Maar da’s niet de reden waarom hij zo vaak opduikt. Voorheen citeerde GF graag uit ‘Terre des hommes‘ van de piloot, de passage van ‘Dans chaque homme il y a un Mozart assassiné‘. Ook nu drukt de edelman zijn stempel: Saint-Ex inspireerde titelsong ‘Imaginà‘ en gans aan het begin van het concert bracht men de misschien wel belangrijkste passage uit het kindersprookje ‘Le Petit Prince‘) (dat je pas als volwassene gans begrijpt… en dan nog), het ‘Apprivoise-moi (Tem me)’ dat de Vos uitlegt aan de Kleine Prins. De projectie van de vertaling, illustreerde de voordracht. Nog een grote naam is… Johann Sebastian Bach! Zijn oneindig mooie ‘Jesu bleibet meine Freude‘ krijgt een Corsicaanse tekst. Het is voor Alain Bernardini, die nooit iets zegt op toneel, weer een kans om zijn formidabele stemgeluid te demonstreren, met achter hem de al even ervaren derde stem (we vermoeden Stéphane Mangiantini)

Een derde grote komt zowaar uit ons land. Dicht tegen het einde aan brengt I Muvrini ‘Amsterdam‘ van Jacques Brel, voor wie GF een grenzeloze bewondering koestert. De groep heeft dit chanson in de vingers, wat ze al meermaals bewezen. In ‘Amsterdam‘ zingt GF enkele strofen in Corsu. Net voor ‘Bach’ had GF een tweetal liederen gezongen, terwijl hij zichzelf begeleidde op de piano. Het eerste bracht hij alleen, nadat hij het verhaal vertelde van een oude maar taaie en slimme ezel, die weet hoe men ‘uit de put klautert’ (‘Een Corsicaanse ezel… Maar het kan ook een Belgische geweest zijn!‘) Dit ‘Quelli chíún anu à nimu (‘Zij die alleen zijn op de wereld)‘ gaat in al zijn sobere en naakte eerlijkheid zozeer naar de harten dat een lang, een bijzonder lang applaus volgt. Het volgende ‘Fate (Maak dat…)‘ begint even sober maar groeit naar een hoogtepunt met een aan Mike Oldfield refererende slide gitaar solo van Mickey Meinert (die heel het optreden door vlotjes overschakelt van akoestisch naar elektrisch, van gitaar naar mandoline, mandola en zelfs sitar) Hij zorgt voor uitgelezen klankkleuren, zoals bassist (en arrangeur van de groep!) Cesar Anot instaat voor een dosis Afrika in de muziek.

De finale is een weerspiegeling van het hele concert ‘Inseme Si Po‘, tegenhanger van het ‘Yes we can‘ van Obama, terwijl de beelden ons met de neus drukken op de feiten van de moderne slavernij. GF besluit laconiek, recht in de roos: ‘Corsica is eigenlijk een stukje Amazonegebied‘ Hij bedoelt uiteraard dat we allemààl in hetzelfde schuitje zitten, we geraken er pas uit als we samen het idee van ‘yes we can‘ uitvoeren. Dan volgt het kinderlijke ‘Dai Dai‘, misschien een wat al te breed uitgemeten episch einde, maar de impact is geweldig. Spontaan veert de zaal recht en zingt, om de groep te bedanken, weerom die niet uit het hoofd te branden melodielijn van ‘A Voce rivoltà‘! De rappel gaat van start met een laatste streepje uitleg van Jean-François, het hele optreden door de ideale gastheer, met zijn sluwe doordenkers, zijn fijne humor (‘We zijn Corsicanen maar… bedankt dat u toch gekomen bent!‘), zijn indringende oproepen om na te denken over onze leefwereld, zijn ‘compassion‘ en grote hart(stocht): ‘In het boeddhisme betekent ‘meta’ ‘prendre soin’, ‘zorg dragen voor’… Wij moeten zorg dragen voor de wereld. Het volgende lied roept daartoe op met de meest eenvoudige woorden‘ ‘Qui s’inà l’umanità‘ volgt: Alain zingt vóór en vele kelen hernemen de zanglijn met de woorden die achtereenvolgens op de bordjes verschijnen: terra – vita – donna – omu – core – manu – qui s’inà l’umanità. Niemand heeft nog een vertaling nodig. Drie uur lang voelden ruim zevenhonderd mensen zich, samen met het zevenkoppig gezelschap, helemaal wereldburger.

Antoine Légat (29 11 12)

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s