Rebetiko’: een inleiding. (lezing over/inleiding tot de gelijknamige film in het Zuiderpershuis op de Waalse Kaai in Antwerpen, als onderdeel van de ‘Griekse Blend’, op zondag 13 mei 2012)

 

We gaan ervan uit dat zowat iedereen aanwezig in meer of mindere mate vertrouwd is met de ‘rebètika’, de verzamelnaam die men sinds de revival van de jaren zeventig hanteert om de nogal disparate, onderling verschillende muziekvormen toch enigszins te groeperen. Wie er echter niet eerder kennis mee maakte, krijgt via de film ‘Rebètiko‘ van Kostas Ferris uit 1983 een spoedcursus ‘rebetikologie‘. Over de filmische kwaliteiten van de prent van de in Egypte geboren Griekse cineast zullen we ons niet uitspreken, wegens geen competentie op dat vlak. Enkel dit. Ik herinner me een eerste visie van de film. Ik kon toen een lichte ontgoocheling niet onderdrukken, misschien aangewakkerd door al te hoge verwachtingen. De vertelling had volgens onze bescheiden mening een al te gestileerd karakter, de figuren zijn soms meer karikaturen, waardoor het ontzettend moeilijk werd om je in te leven in de karakters. In het script zit is er anders wel ‘drama’ genoeg! Maar u zal zich natuurlijk zelf een mening vormen en het was uiteraard de bewuste keuze van een zeer ervaren film- en documentairemaker, die heel goed wist waar hij mee bezig was. Het was zijn film en dus goed recht.

 

Misschien, en hier steek ik mijn nek uit, werd hij ook beïnvloed door het volgende. Ferris was zoals zovele Grieken het geduchte kolonelsregime ontvlucht en leefde hij zo’n zes jaar lang in ballingschap in Parijs, waar zich een echte Griekse kolonie had gevestigd, net als in London. Die cultureel hoogstaande Griekse enclave met een uniek karakter en met een gemeenschappelijk doel (niet vanzelfsprekend in kunstkringen) trok kunstenaars van overal aan, ook niet-Grieken. Het is bekend dat Ferris hier in contact kwam met collega’s als Werner Herzog en Volker Schlöndorff. Die laatste verfilmde de spraakmakende roman ‘Die Blechtrommel‘ van Günther Grass, film die in ’79 zowel de Gouden Palm in Cannes won (overigens samen met ‘Apocalypse Now‘) als de Oscar kreeg voor beste buitenlandse film, mijns inziens zeer terecht. Ik kan mis zijn maar ik meen toch in ‘Rebètiko‘ sporen te vinden van een poging tot een gelijkaardige esthetiek en het verlangen om via de toevoeging van magisch realisme de prent een extra kunstzinnige touch te geven. Nogmaals, het is maar een vermoeden dat ik niet bevestigd of ontkracht vond in de aangeboorde bronnen. Ik vond alvast geen interview met Ferris om dit te staven.

 

Ik sta niet alleen met mijn bedenkingen over ‘Rebètiko‘. Het belette niet dat de film in 1984 de ‘Zilveren Beer‘ won op het Internationale Festival van Berlijn (de ‘Berlinale‘), toch een prestigieuze beloning. Op het Film Festival van Thessaloníki van 1983 werd ‘Rebètiko‘ gekozen tot beste film en Sotiría Leonàrdou werd beste actrice voor haar uitbeelding van hoofdfiguur Marika, iets wat ze wel verdient voor haar prestatie als actrice en zangeres. Daar in Thessaloníki werd wel een lange versie vertoond, van ongeveer twee uur. Er waren ook nog prijzen in Valencia (’84) en Alexandrië (’85) En zoals dat wel vaker gebeurt met films die geen enthousiaste ontvangst kregen, denk aan ‘Casablanca‘, loontje komt soms toch nog om zijn boontje. De tijd is de scherprechter en wijst gaandeweg uit wat de werkelijke waarde en plaats is die zo’n project verdient.

 

Los van filmische bedenkingen kan je echter niet voorbij aan twee vaststellingen: eerstens, de film is een clevere opsomming van en verwijzing naar historische feiten en personen die essentieel zijn om de rebètika als sociaal en muzikaal verschijnsel te begrijpen en te plaatsen. Daar hebben uiteraard Ferris en ook actrice Sotiría Leonàrdou, die mee aan het script werkte, de hand in. Daar komen we straks nog op terug. Ten tweede, er is de fantastische muziek, op twee traditionele liederen na (als ‘paradosiakà‘, ‘traditionals‘ aangeduid), is die gans nieuw gecomponeerd door Stavros Xarhàkos. Het geheel werd zoals gewoonlijk door hem georchestreerd, gearrangeerd en gedirigeerd. Voeg daarbij de authentiek aandoende teksten, die goed inspelen op het verhaal en zijn achtergronden. Die zijn het werk van dichter en vertaler Nikos Gatsos (die zoveel fijn werk leverde voor Manos Hadjidhàkis) Er is één tekst van de cineast, het zeer bekende ‘Stou Thomà‘ (‘In de Zaak/Tent/Keet van Thomàs‘) Overigens zingt Xarhàkos (nou ja, zingen…) zelf het bezwerende ‘To Praktorío‘ (‘Het Busstation‘; kan ook een ‘reisagentschap/ticketbureau‘ zijn)

 

Deze filmmuziek is van diverse stijlen en fasen uit de rebètika een prachtige pastiche… als dat tenminste niet te oneerbiedig klinkt. Xarhàkos, Gatsos, Ferris, Leonàrdou en de andere zangers en muzikanten zijn erin geslaagd de ziel van de rebètika, van een verdrukt volk in erg moeilijke en voortdurend evoluerende tijden te vatten. Het is Xarhàkos’ veruit bekendste werk geworden, in binnen- en buitenland, en dat ondanks vele andere prestaties (meer dan veertig langspelers en meer dan 20 soundtracks) Die muziek vindt men gebundeld op de cd ‘Rebètiko‘ al moeten we meteen zeggen dat niet alles op de plaat staat. Het hasjlied ‘Erinàki‘ (in de film wordt die gezongen in oorlogstijd, een indicatie dat de censuur weggevallen was) en een instrumentale uitvoering van het openingsnummer ‘Mana Mou Ellàs‘ (‘Moedertje Griekenland‘) bij voorbeeld ontbreken, maar zoiets gebeurt wel vaker met soundtracks, o.a. om de eenheid van de cd niet te breken. Dat is wellicht ook de reden waarom de liederen niet chronologisch op de cd staan. Een langspeler is nu eenmaal een ander medium dan een langspeelfilm.

 

Rebètiko‘ is hoe dan ook uitgegroeid tot een cultfilm. Daar zijn meerdere redenen voor aan te geven. Er zijn de gewenning aan de filmstijl en de kracht die uitgaat van de muziek. We zouden dat willen vergelijken met wat er met een andere cultfilm gebeurd is, de science fiction prent ‘Blade Runner‘. We vermelden dit omdat Grieks componist Vangèlis Papathanassíou er de al even schitterende muziek voor pende. Ook daar duurde het even voor de ware kwaliteiten onderkend werden. Bij ‘Blade Runner‘ speelde vooral het feit dat een razend populair boek verfilmd werd (dat is niét zo bij ‘Rebètiko‘ natuurlijk), maar dan wel met vele veranderingen, wat de ‘fans’ op het verkeerde been zette. Vanaf het moment dat Vangelis de toelating had om zijn eigen versie op te nemen. Hoe omstreden de man ook is, het werd één van zijn meesterwerken. We vermelden dit omdat er een link is met Kostas Ferris. Het is een speling van het lot dat Ferris degene was die in tempore non suspecto, in 1971, het concept bedacht van ‘666‘, daar de teksten voor schreef en het boek uitbracht en naar verluidt zelfs mede de productie deed van dat rock oratorium. ‘666‘ werd ‘officieel’ uitgevoerd door Aphrodite’s Child, de formatie waar… de net vermelde Vangelis de grote man van was (Demis Roussos was enkel de zanger), maar die groep was gesplit tijdens de opnames, zodat Vangelis het ambitieuze project ‘alleen’ afwerkte. ‘666‘ werd een cultplaat, ondermeer doordat Iríni Papà (die we kennen als Irène Papas) een opgemerkte, maar omstreden bijdrage leverde (in bvb. Spanje werd de plaat zelfs gecensureerd!)

 

Niet onbelangrijk lijkt ons het feit dat de schaarste, dikwijls ongewild, tot het succes van iets kan leiden. We bedoelen: er zijn heel wat foto’s uit den ouden tijd (mooi verzameld in het epische werk van Ilias Petrópoulos, ‘Rebètika Tragoùdhia‘) maar zeer weinig bewegende beelden. Dan krijgt zo’n film als ‘Rebètiko‘ met zijn nauwkeurige reconstructie (kleren, decors, enz.) automatisch didactische waarde, tot in het onderwijs toe.

 

Bij ‘Rebètiko‘ komt nog het feit dat de film kindjes kreeg, en veel. Ferris maakte een documentaire serie, die intussen op acht DVD’s werd gezet (‘I Istoría tou Rebètikou‘, die de geschiedenis beschrijft vanaf Smyrna 1917 tot de ‘dood van de rebètika’ door Ferris geplaatst in circa 1955) Ik vond ook een 4 delige DVD reeks I Istoría tou RebètikouTragoudhiou‘, eens te meer op naam van Ferris. Er is tevens sprake van een serie die ongeveer gelijktijdig liep met het uitbrengen van de film en de film zelfs zo’n beetje de wind uit de zeilen en uit de zalen haalde. Dit moet ik allemaal nog uitsorteren. Maar van het volgende nakomelingschap hebben we wel informatie. Er werd uit ‘Rebètiko‘ een drie uurs miniserie uit gedistilleerd in 1985, die succes kende. Er kwam een theaterproductie ‘Rembetiko On Stage‘ in 1991, ook al een schot in de roos. Er was een ‘Opera Rembetika‘ in 1993 en een ‘Rembetiko. The Musical‘ in 2002. De details over die producties moeten we u schuldig blijven, maar we hebben wel de dubbel-cd die uit de theaterproductie ‘Amàn …Amín‘ (‘Amàn…Amen‘) van 1995 voortkwam, eens te meer een hebbeding. Daarop zingt o.a. Polly Pànou de panous van het dak. Ook Sotiría Leonàrdou doet weer mee, trouwens, en eens te meer deed Stavros Xarhàkos alles wat de muziek betreft. Er staan op die dubbelaar, naast het werk van de cd ‘Rebètiko‘, maar dan live gebracht, ook nog andere bekende songs van Yannis Papaïoànnou, Markos Vamvakàris, Dhimítris ‘Bayandèras’ Gongos, Spyros Peristèrisen vooral Vassílis Tsitsànis. Markos, ‘O Patriàrchis‘ (‘De Patriarch‘) en Tsitsànis (‘O Vàsilevs‘, ‘De Koning‘, woordspelend op zijn voornaam) zijn, zoals de meesten wel weten, twee van de belangrijkste namen in de rebètika (Noot: laten we daar beslist nog de top van de smyrnèïka aan toevoegen, Roza Eskenàzi!) Die productie ‘Amàn …Amín‘ was heel populair, doch blijkbaar vooral bedoeld voor binnenlandse consumptie… De Grieken hebben helaas wel vaker hun goeie kandidaat-exportproducten voor zichzelf gehouden… Helaas! Maar toch, en anders gezegd, er viel in Griekenland zelf aan de rebètika niet aan te ontsnappen dank zij ‘Rebètiko‘ en zijn offsprings, en dank zij Kostas Ferris, die zo’n beetje de Helleense Martin Scorcese speelde (die heeft iets gelijkaardigs uitgevreten met de blues).

 

Maar genoeg hierover. Het lijkt me interessant even te focussen op het verband tussen realiteit en fictie. Ik vertel hier geen nieuwe dingen, natuurlijk. De Nederlander Hero Hokwerda is een kenner van Griekenland en de Griekse muziek, heeft Griekse werken en songs vertaald en als ik me niet vergis is hij o.a. ook dichter. Hij trekt de vergelijking tussen de historische werkelijkheid en de verwerking daarvan in ‘Rebètiko‘ door. Je kan er dan ook niet naast kijken. Het blijkt dat de film een grote didactische waarde bezit. De hoofdfiguur heet Marika. Iedereen die iets met rebètika te stellen heeft, denkt dan meteen al aan Evangelia Atamian, Armeens Griekse, die we beter kennen onder haar artiestennaam Marika Ninou. De prent is op haar leven geboetseerd. De ‘echte’ Marika was geboren in Smyrna (nu Izmir) in 1918, moest zoals nog meer dan één miljoen (sommigen zeggen zelfs anderhalf miljoen… Niemand heeft ze geteld!) zogenaamde Grieken Klein-Azië verlaten na de evenementen die we straks nog kort beschrijven, bezocht de Armeense school, leerde mandoline spelen, maar al snel viel haar stem op, als ze zong in het Armeense koor van Kokkinjà, gehucht van Pireus: hooggestemd, krachtig, toonvast en met een emotionaliteit die meteen de gevoelige snaar raakte. Ze trouwde in 1939, kreeg een zoon in 1940, trouwde opnieuw in 1944 met de akrobaat Nikos Nikolaidis, wiens artiestennaam ‘Nino‘ was. Marika’s bijnaam ‘Ninou‘ moet begrepen worden als ‘van Nino‘.

 

Bij een optreden van het ‘Duo Nino‘ (toen haar zoon meedeed, werd het zelfs ‘Twee en een halve Nino‘) was een kennis van Manólis Chiótis aanwezig. Chiotis was de eerste grote bouzoukivirtuoos, innovator ook (de viersnarige bouzouki), songschrijver en een katalysator in de opbloeiende rebètikasien. Ze nam twee liedjes met hem op in 1948, een springplank voor ieder beginnnend zanger. Ze kwam dan terecht bij Stellàkis Perpiniàdis en ten slotte bij de grote der groten, Vasilis Tsitsànis voor optredens in de bekende club Tzimi O Chondros (Dikke Jimmy). Tsitsànis was in zijn topjaren en werd door de jonge Hadjidhàkis in 1949 geroemd als de ‘Bach van Griekenland‘, waar zijn voorganger in de tijd, Markos (de ‘Vamvakàris’ moet niet eens vermeld worden) de betiteling ‘Beethoven van Griekenland‘ opgespeld kreeg. In elk geval wist de jonge Manos daar de gevestigde opvattingen over Griekse muziek grondig dooreen te schudden! De minachting voor de muzikale expressie van de zelfkanters maakte plaats voor bewondering en fierheid over de eigen volksaard. Het was het juiste moment om ‘top’ te zijn!

 

Marika Ninou was slechts vrij korte tijd, een jaar of twee, de zangeres van Tsitsànis. In die tijd dat ze een tandem waren, tussen 1949 en 1951, groeiden Tsitsànis en Ninou tot de iconen van de plots, na de verwoestende oorlog én burgeroorlog, populair geworden rebètika, de periode aangeduid als die van de ‘archondorebètes‘, de ‘stinkend rijke (of: nobele) rebètes‘. Na een concerttrip naar Istanbul gingen ze uiteen. Zoals men weet, had Tsitsànis nog andere grote zangeressen onder zijn hoede als Sotiría Bellou en de al vermelde Polly Panou, en ook zangers als Pródromos Tsaousàkis. Zijn samenwerking met Stèlios Kazantzídhis is ook bekend. Marika Ninou van haar kant kreeg kanker, liet zich opereren, trok naar de States (1954) maar ze ging vlug achteruit, keerde weer, bleef zingen ondanks de pijn, maar overleed in februari 1957, amper 39 jaar oud. Er blijven 174 opnames over, op 119 daarvan zingt ze de eerste stem.

 

De Marika van de film is onmiskenbaar Ninou, maar er zijn verschillen, kleine, zoals de geboorte- en sterfdata die telkens één jaar verschillen, soms grotere. Wees gerust, we gaan hier niet alles uit de doeken doen. We zijn hier per slot van rekening voor de film! Zoals gezegd gaan we de historische context verduidelijken. Als Marika geboren wordt weerklinkt ‘Ta Pedjà tis Amynas‘, ‘De Kinderen van de ‘(Nationale) Verdediging’‘, verwijzing naar de aanhangers van Eleftèrios Venizèlos (geen familie van de huidige voorzitter van de PASOK, Evàngelos Venizèlos) Venizèlos gaf Hellas na de militaire revolutie van 1910 een nieuw elan. Na de succesvolle Balkanoorlogen, die landwinst opleverde tegenover Turken en Bulgaren (zo kwam o.a. Thessaloníki weer in Griekse handen), bracht hij ook Kreta, zijn vader(ei)land, weer onder Grieks bewind, na enkele woelige decennia (1913) Succes werkt als een lap op een rode stier, de red bull, en met weet: dat geeft vleugels, maar leidt soms tot overschatting.

 

Venizèlos, door in WOI de kant te kiezen van Fransen en Engelsen, trachtte de ‘Megali Idèa‘ (de ‘Grote Idee‘) uit te voeren, het herstel van de gebieden zoals die ‘Grieks’ heetten te zijn in de oudheid. Dat betekende ook Klein-Azië (Anatolië) zogenaamd ‘heroveren’ op de Turken. Het vermolmde Ottomaanse rijk leek een gewillig slachtoffer, maar dat was gerekend zonder Mustafa Kemal, later Atatürk. De Grieks-Turkse oorlog, begonnen in 1918, leidde in 1922 tot een ‘Megàli Katastrofí‘, toen het expeditieleger beslissend verslagen werd en de stad Smyrna in de vlammen opging. Dom, want de Grieken verloren alle voordelen die het Verdrag van Sèvres (1920) hen op een schoteltje geboden had. Je kan soms te véél willen. Toch bleven velen geloven in Venizèlos. De Venizelisten bleef nog tot diep in de jaren dertig bestaan. Venizèlos stierf in Parijs in 1936, maar hij bleef bij vele Grieken als een ‘goed politicus’ (oxymoron?) voortleven. De luchthaven in Athene is naar hem genoemd. En zoals er in Frankrijk wel in elke dorp een centrum, plein of straat genoemd is naar Le Maréchal Foch, heeft ook hij zijn talloze pleintjes…

 

Het Verdrag van Lausanne van 1923 voorkwam misschien wel een genocide. Een ‘etnische zuivering’ kan dat verdrag echter wel genoemd worden. Meer dan een miljoen ‘Grieken’ van de kusten van Klein-Azië, maar ook van de Pondos (de streek van de Zwarte Zee) werden zogenaamd ‘gerepatrieerd’, zeg maar verkast naar hun zogenaamde ‘vaderland’ Griekenland dat ze niet kenden (en naar elders), in ruil voor enkele honderdduizenden ‘Turken’ (vooral uit Thessaloníki en Macedonië) die in omgekeerde richting gingen. Slechts enkele localiteiten werden gespaard van zo’n ruil: Istamboel, Imbros, Tenedos… Maar de hamvraag was: wié mocht blijven en wié moest gaan?! Omdat noch de taal noch de gebruiken onderscheid konden maken tussen deze sterk verweven culturen, hanteerde men als maatstaf de godsdienst: Orthodox of Moslim. De hele operatie betekende voor het toen en zo al verpauperde Hellas een extra belasting die het slechts met moeite kon torsen. De import besloeg alle klassen van de maatschappij, even goed de chirurch als de schoenlapper, de notaris en de scharensliep. Een deel van de inwijkelingen kon zelfs niet of nauwelijks Grieks, zoals de bekende muzikant Yovàn Tsaoùs, een sleutelfiguur in de vroege opgenomen rebètika door zijn beheersing van snaarinstrumenten, die hij in Athene liet maken, maar die speciaal gestemd waren. Hij schreef een aantal Griekse liedjesteksten, maar het vermoeden lijkt dus gewettigd dat dat het werk was van zijn Griekssprekende vrouw.

 

Was deze ‘partnerruil’ economisch en menselijk een geweldig drama (l’histoire se répète…), waarvan de effecten zich laten raden, dan was het cultureel een zegen, want de lokale Griekse muzikanten werden plots gesecondeerd door de meer professionele gezelschappen uit Smyrna en elders. Dat waren betere muzikanten met een veel breder instrumentarium. Er waren zangeressen bij zoals Rita Abatzi. Met rekent gemakshalve ook de grote sefardisch-joodse Roza Eskenàzi hiertoe (zie al boven), al kwam ze uit Istamboel. Later woonde ze in het nog door Turkije bezette Thessaloníki en ten slotte belandde ze in Athene waar ze een loopbaan met vele ups en downs opbouwde, toch op commercieel vlak, want kwalitatief bleef ze zeer lang haast zonder concurrentie (189… – 1980) De meer verfijnde Klein-Aziatische stijl met hun vele ‘amanèdhes‘ (amànliederen uit de Cafe-amàn) wordt nu betiteld als ‘smyrnèïka‘. Die stijl was dus grondig verschillend van wat halfweg de jaren dertig (tussen 1933-1937) zou bloeien als de ‘Piraeusstijl‘, vooral gestoeld op bouzouki, gitaar en viool, rauw van zang (soms nasaal, maar dat was dan niet zelden het gevolg van het gebruik van the good stuff) en die rauwheid gold ook de rudimentaire speelwijze. Dit was een mannenwereld en die draaide rond het café/de keet/de tent (de Fransen zouden zeggen ‘la boite à musique‘), de bordelen, de ‘tekèdhes‘ of hasjkits, het chamam of Turkse badhuis, de fylakí of gevangenis (bekend is de gevreesde Yedí Koulè gevangenis in Thessaloníki), later ook de eilanden die vanaf de dictatuur van Metaxàs als gevangenis gebruikt werden, iets het kolonelsregime overnam (foltereiland Yàros, ook Oropos, de gemeente in Noord-Attica waar Theodhoràkis zat) en de Amerikanen afkeken voor Guantanamo, zo lijkt het wel. De songs handelen over drugs, de (n)argilèh ofte loulàs (waterpijp), het high zijn en ‘the morning after’, de meestal misgelopen liefde, de geneugten van het mangas/rebètis/kalo pedhí zijn en het zich afzetten tegen het establishment én de blijkbaar vele poseurs… Er hoorde een gedrgslijn en een dress code bij. Het prototype van mangas was Nikos ‘Crazy Nick’ Mathesis (die een interessante autobiografie naliet, met veel informatie over de rebètes)

 

Op een dramatisch moment aan het begin van de film hoor je het geweldige ‘Mana mou Ellàs‘ (‘Mijn Moeder Griekenland‘) Bij herbeluistering viel het me op dat 2012 niet zo verschillend is van 1922. Het refrein zegt: ‘De grote leugens heb je me met de moedermelk ingegeven, maar nu de rampen weer opduiken, draag je je oude gewaden. Nooit ween je, Moeder Hellas, wanneer je je kinderen als slaven verkoopt.‘ Die gelijkenis met de actualiteit konden Kostas Ferris en Nikos Gatsos dertig jaar geleden niet voorzien natuurlijk. Maar het is geen wonder dat dit in wezen eeuwige drama van Hellas de cd opent: het zet de toon voor het vervolg. Na het bekende ‘In de Tent van Thomàs‘ krijgen we een blik op de markt van Piraeus. Er is een demonstratie, die onderdrukt wordt. Het gaat er niet zachtzinnig aan toe! Het getoonde geweld verwijst natuurlijk naar de dictatuur van Ioànnis Metaxàs. Die maakte een einde aan de originele Pïraeusstijl, zegt men, en dat is inderdaad zo, maar hier is toch een misverstand: de censuur van Metaxàs verbood niet de rebètika of de bouzouki.

 

Er werd ‘enkel’ gevraagd aan de muzikanten om hun teksten voor te leggen. Eens te meer blijkt dat er geen revolutionairen of wereldverbeteraars te zoeken waren onder de rebètes, hoe stoer ze zich als manges ook voelden: massaal kuisten de songschrijvers zélf hun teksten uit. De enige songs die echt verboden werden, waren de oriëntale amanèdhes, de amàn-liederen. In de film wordt er trouwens even een link gelegd met die verwerping van deze ‘Toùrkika‘, van de oosterse component in het Griekendom. Wat de beruchte razzia’s betreft, waarbij instrumenten werden kapot geslagen, die waren er enkele tientallen jaren eerder al geweest, en beslist even erg: bekend is de figuur van commissaris DhimítriosBa(i)raktàris, rond de eeuwwisseling, de ‘commissaris Migrain’ van zijn tijd, zoals Mega Mindyfans weten, maar dan veel minder zachtzinnig (zoals Gail Holst al vertelde in de jaren zeventig in haar baanbrekende ‘Road To Rembètika‘, nog altijd een lezenswaardig boek) Hij was de schrik van de ‘wide boys‘, de ‘koutsavàkidhes‘ (één van de andere naam voor de manges) van Athene. Maar zelfs hij had zijn ‘goeie’ kant, want met de eerste Olympische Spelen van 1896 wist hij die koutsavàkidhes te overtuigen om als een soort burgerwacht te letten op gauwdieven. Dat werkte perfect!

 

Gaandeweg duiken in de film ‘Rebètiko‘ figuren op als Bàbis, duidelijk een alter ego van Tsitsànis. Er verschijnt ook een populaire zangeres met de naam Rosa (met ‘s’, maar een onmiskenbare link met Roza Eskenàzi) Er is ook een zekere ‘Matina‘: ik denk dat ze symbool staat voor het feit dat lieden als Tsitsànis al eens veranderden van zangeres, wat soms samenviel met emotionele mood swings. Dat gaf begrijpelijkerwijs spanningen. Jaloezie en liefdesverdriet zijn van alle tijden en buurten. Er vinden in de film ook een aantal liquidaties plaats, verwijzingen naar WOII, waar men collaborateurs met de Duitsers hard aanpakte (het was toen hard tegen hard), maar ook tijdens de burgeroorlog grepen nogal wat executies plaats. De film-Marika gaat al heel vroeg naar de States, vier jaar vroeger dan Ninou, in 1950, op zoek naar een beter lot. Dat verwijst ongetwijfeld naar de vele rebètika artiesten die welbepaald in die periode hun geluk gingen proberen in de States, waar een bloeiende rebètikasien was, sinds Marika Papagíka (weer een Marika!) er voor de oorlog goede sier had gemaakt met 232 opnames tussen 1918 en 1929.

 

Ferris maakt van die Amerikatrip gebruik om een paar Amerikaanse jazzmuzikanten ten tonele te voeren, waar Marika een bijzondere, eigenlijk enigszins bizarre reactie op heeft. Uiteraard wilde men nog eens de link leggen tussen blues (plus vroege jazz) en rebètika, een vergelijking die echter evenveel verschillen oplevert als gelijkenissen. Dat geldt trouwens ook voor de parallellen die al of niet te trekken zijn met fado, flamenco, tango… Marika’s terugkeer in 1956 en haar van Ninou zo verschillende dood hebben ook een niet mis te begrijpen symboolwaarde: in 1956 is de rebètiko, die naam waardig, immers al dood, opgeslokt door de veel breder opgevatte populaire liederen, die voortaan de naam ‘laïkà‘ (‘volkse muziek’) dragen. Sommige kenners plaatsen die ‘dood’ nog veel vroeger, zelfs al in 1952. Het zou ons te ver leiden daar op in te gaan, de redenen van het ‘verval’ op te sommen.

 

Marika’s filmbegrafenis doet uitdrukkelijk denken aan de teraardebestellingen van de groten uit de rebètika: Batis in 1967, Markos en Yannis Papaioànnou in 1972, Tsitsànis in 1983… Tienduizenden verdrongen zich bij die gelegenheid, er werd op zijn zuiders gejammerd en geweeklaagd, mensen bleven ‘ATHANATOS‘ (‘Onsterfelijk‘) roepen, er werd muziek gemaakt, muzikanten gooiden instrumenten in het graf. Nikos Papàzoglou was hier ooit nog te gast, auteur van een fantastisch concert op het podium achter mij. Vrienden herinnerden me eergisteren al aan dit onvergetelijke optreden. Nikos stierf in 2011 en toen zag je gelijkaardige scènes. Op YouTube staan diverse clips met fragmenten van de kydhía van de vereerde Nikos in Thessaloníki, de mensen, waaronder vele muzikanten, die ‘athànathos‘ roepen en ‘Kanís edhó dhen tragoudhà…‘ (‘Niemand zingt hier…‘) aanheffen. Ik denk dat er hier veel mensen zitten die hem heel hard missen…

 

Laten we het nog eens samenvatten. ‘Rebètiko’ pinpoint de belangrijkste etappes van de rebètika:

-de achterbuurten van de grote steden en havens in Hellas die het hart vormen van de hele beweging

-de ramp van 1922-3, de ‘megàli katastrofí

-de Klein-Aziatische ‘smyrnèïka‘ die naast de rebètika komen en er zoniet mee versmelten, dan toch hun invloed erop uitoefenen en er finaal door geëclipseerd worden

-de vooroorlogse (lees ‘voor-Metaxàs’) ‘Pireusstijl

-de repressie (hier toegeschreven aan Metaxàs, maar die vanaf het prille begin gold)

-de oorlogs- en burgeroorlogsjaren met zijn armoede, ellende en scherpe interne onenigheid en scheuringen, maar ook met de terugkeer van de hasjliederen

-de ‘rebètika tis katochís‘, ‘van onder de bezetting‘ komen niet echt aan bod – ze vormen dan ook een buitenbeentje in het geheel

-de naoorlogse succesjaren van de ‘Archondorebètes‘, zij die in Rolls-Royce kwamen zingen over armoede en gebroken harten en dan weer, de zakken vol al te vloeibaar geld, naar hun ‘optrekje’ sjeesden

-de exodos van vele minder succesvolle rebètes naar Amerika

-de overgang (verloedering of verwatering) van de rebètika naar de laïkà (wat overigens heel wat rebètes de bouzouki aan de wilgen deed hangen… tot aan de revival)

-vanzelfsprekend is er in ‘Rebètiko‘ geen plaats voor de revival vanaf plusminus 1970…

Da’s een hele Griekse boterh… pasta!

 

Nog iets over Kostas Ferris zelf:

-geboren in Kaïro in 1935

-van Grieks-Cypriotische en Libanese komaf

-cosmopolitisch opgevoed met klemtoon op het Griekse

-sinds 1957 woonachtig in Hellas

-directie-assistent in meer dan 60 films bij cineasten als Michael Kakoyànnis en Nikos Koundoùros

-eerste kortfilm in 1961

-meteen plaatst men Ferris naast die andere belofte, de helaas in januari jammerlijk verongelukte Theo Angelópoulos, wiens films wel een gans andere, uniforme sfeer ademen, ondersteept door de briljante muziek van Elèni Karaïndhrou

-1967-1973: verbanning in Parijs weg van de kolonels

-ontwikkelt na zijn terugkeer in 1973 een niet-aflatende activiteit op diverse gebieden van de film, de kunst en van wat we de ‘media’ zullen noemen, tot het schrijven van kritieken en… zingen toe! Maar dat gaat allemaal ons boekje te buiten!

 

Daarstraks ging het over de kleine maar uiterst militante Griekse vakbond ‘ΠΑΜΕ‘. Ik zou er nu nog iets aan toe willen voegen: ‘Πάμε, Πεδιά!

Ik wens u allen een fijne vertoning!

 

Antoine Légat (9-12 05 12; update 14 05 12)

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s