Katerina TSIRIDOU & KOMPANIA in De Villa van de N9 te Eeklo op vrijdag 4 mei 2012: ‘De bruisende levenskracht die dit rebètikaconcert uitstraalde, won het ruimschoots van elk doemdenken: we hebben de N9 zelden zo uit de bol weten gaan…’

Het kwam onvermijdelijk ter sprake: hoe is het gesteld met de Griekse muzieksien in deze voor Griekenland zo barre tijden? Het antwoord hadden we zelf kunnen bedenken: het gaat heel slecht met de Helleense rootsmuziek, waar de rebètiko (*) een heel groot onderdeel van is. En er was nog doemdenken die vrijdag 4 mei, want ook boven de Belgische folk- en bluesclubs, en alles wat met roots te maken heeft en niet tot de mainstream behoort, want het is duidelijk de bedoeling dat het ‘boeltje uitgekuist wordt’. Daarvoor wordt bovendien de oudste truc aller tijden uitgehaald: speel de ene tegen de andere uit en ze kunnen zich niet verenigen in een gemeenschappelijke strijd. De tijd van Julius Caesar keert weer via het ‘Verdeel en heers‘! Het ziet ernaar uit dat vele van die clubs een jaar van nu niet meer zullen bestaan. Zelfs de blijkbaar heel zeldzame verenigingen die een gunstig advies krijgen, zijn niet zeker van subsidies, want er komt een ranglijst. Sta je niet gans bovenaan dan is de kans niet onbestaande dat je toch niks ontvangt. Ook hier wordt dus het ‘Divide et impera‘ uitgespeeld.

 

In Nederland is het amper beter, zo vernamen van de mensen van Palio-Paréa, de Nederlandse rebètikogroep die zelf op non actief staat maar deze concerttoer doorheen Nederland en België logistiek ondersteunde. Het ergste is niet dat men je geld ontzegt om actief, creatief en zo mogelijk visionair cultuur te bedrijven, stellen deze mensen, maar wel de attitude van de zogenaamd deskundige beoordelaars: wat je doet, wordt beschouwd als van nul en generlei waarde, beslist niet als cultuur. Erger nog: het is alsof je een besmettelijke ziekte hebt. Als onze nationale media Michael Kiwanuka nu verkopen als de ‘man die de soulmuziek weer tot leven wekt‘ (ja, en Lady gaga is een reggae artieste, zeker?!), dan beseft men hoe de onkunde regeert en er vanuit die hoek geen deskundige en overtuigde steun te verwachten valt. ‘Ignorance is bliss‘ zeggen de Engelsen daar spottend over. Met die mentaliteit zijn er nog op ijsbergen gelopen. Wordt ongetwijfeld vervolgd, maar het wordt hoog tijd dat iedereen zich nu realiseert hoe ernstig de situatie is en dat de krachten gebundeld worden.

 

Als een club die als eerste acts van wereldklasse als C.W. Stoneking, Carolina Chocolate Drops en Chatham County Line brengt, jaren vóór men van die lieden nog maar de naam heeft vernomen in ‘Brussel’, bedreigd wordt in zijn werking, zit het grondig fout met het cultuurbeleid in dit landje. Voeg daar trouwens nog maar twee grote namen aan toe, in hun vakgebied helemaal aan de top: op vrijdag Katerina Tsiridou en op zaterdag Jeff Lang. (detail: zowel Tsiridou als Lang hebben met archeoloog van de wereldmuziek en gedoodverfd snarenwonder Bob Brozman gespeeld, en is Bob hier in de N9 toch wel elke twee jaar te horen, zeker?) Van hun eerste schuchtere stappen in de Benelux (al is het zo dat beiden hier al wel eens op een blauwe maandag waren) zetten ze er één in De Villa van de N9 te Eeklo in wat gerust een memorabel weekend mag heten.

 

Katerina Tsiridou (fonetisch preciezer ‘Tsirídhou’ gespeld) is in Griekenland een alom gerespecteerde rebètikazangeres, die vaak zelfs op TV haar opwachting maakt. Ze was hier al in ons land samen met één van de grote kanonnen uit de rebètika sinds enkele decennia, Agàthonas Iakovídhis (Agàthonas volstaat voor de liefhebber!), concert dat we mochten beleven en waar we de beste herinneringen aan overhouden. De piepjonge Tsiridou stond toen al meer dan haar vrouwtje. Geweldige stem en technische beheersing, dat is door de jaren heen alleen maar verbeterd, maar ze blijkt ook zeer goed overweg te kunnen met de baghlamàs (het kleine broertje van de bouzouki) en de zilia (de ‘vingerbelletjes’) Ze is overigens ook geschoold in piano en gitaar, doch die kennis kwam hier niet te pas.

 

Wie dacht dat die vrijdag 4 maart in treurnis werd doorgebracht omwille van het Zwaard van Damokles dat boven aller hoofden hangt, heeft het mis. De bruisende levenskracht die het concert uitstraalde, won het ruimschoots van elk doemdenken: we hebben de N9 zelden zo uit de bol weten gaan. Daar waren goeie redenen voor. We kennen nog een aantal uitstekende solo-artiesten die de oude rebètika in ere houden, maar geregeld knijpt het schoentje in de omkadering en begeleiding. Niet dat er per se mindere muzikanten in die kompaníes zitten, wel dat het samenspel te wensen overlaat, dat het als los zand (niet) aaneenhangt. Dit gezelschap rond Tsiridou is een ander paar mouwen: niet alleen bezit de groep drie volwaardige zangstemmen (die ook samen weten te klinken), maar bovendien wordt er als één lichaam gemusiceerd in volledige symbiose.

 

Het blijkt dat deze mensen ook hechte vrienden zijn. Al hebben ze allen diverse muzikale verplichtingen en treden ze dus op in andere combinaties, toch staan ze erop enkele keren in de week met elkaar te spelen om deze ‘feel’ te behouden… Ze delen lief en leed, helaas ook leed. Kort geleden, op 8 maart, stierf violist Ector Kosmas schielijk, amper 44, vrouw en kinderen achterlatend. Het heeft de groep getekend, maar ook de Atheense scene, want Kosmas was een spilfiguur, een katalysator, een wandelende encyclopedie van de vroege rebètika en een bron van goede luim. Kosmas stond ook op de eerste rij bij de betogingen in Athene, hij die omdat hij zich het lot van de Grieken aantrok, terwijl hij van Melbourne afkomstig was, dan wel van Griekse grootouders… Maar nogmaals, van drama was er tijdens het concert niets te merken, temeer daar er flink wat mensen waren opgedaagd, niet vanzelfsprekend in de N9. Daaronder zelfs vele Grieken: die krijg je niet zo makkelijk op de been, maar het moet zijn dat Katerina Tsiridou’s naam en faam ook hier al is doorgedrongen.

 

Meteen vlogen Tsiridou en haar manvolk erin met een klassieke instrumental, in serviko ritme, om dan over te gaan naar ‘Ouzo‘, ode aan de Griekse anijsdrank, waarin Sotíris Papatrayànnis (die ook baghlamas bespeelde) zijn zangtalent meteen kon tentoonspreiden. Hij zou onder andere ook de titelsong zingen van zijn cd ‘Romantza‘. Deze uitermate langoereuze song van pionier (en niet enkel in de rebètika) Kostas Roùkounas (1903-1984) sloot het eerste deel af. Sotiris nam ook één van de standards van de rebètika onder handen tijdens de kolkende finale van het optreden, ‘Pende Manges ston Perèa‘ (‘Vijf toffe kerels in Piraeus‘), van de hand van Yovàn Tsaoùs, eerste grote instrumentalist in de rebètika, maar tevens een enigmatische figuur. De volgende om het voortouw te nemen was Dimitris Kranidas (fonetisch correcter Dhimítris Kranídhas), die de bouzouki bespeelde (vanzelfsprekend een ‘trichordo‘! (**)) en later ook de outi (de oed): hij zong in de ‘benepen’ stijl waarbij de luchtwegen in snelle ritmische opvolging lichtjes dichtgeknepen worden.

 

Nikos Protopàpas speelde akoestische gitaar, die in de rebètika vooral een begeleidende functie heeft en een soort basso continuo geeft aan de solisten. In de uit de dhimotikà (volksliederen) afkomstige ‘Barbayannakàkis‘, nog zo’n alombekend liedje, zorgt die gitaar voor de bourdontoon die de zoemtoon uit de Orthodoxe muziek mimeert. Soms zorgde Nikos, Katerina’s echtgenoot, ook voor een vierde stem, maar verder hield hij zich volledig op de achtergrond. Protopàpas zagen we overigens ook al met Agàthonas op diens Belgische concert in 2001. Op accordeon Yoannis Kalafatèlis (we durven niet zeggen ‘de vervanger van Kosmas’) die met zijn grote ervaring constant voor fraaie accenten zorgde.

 

Zodra Katerina solo zingt, begrijp je waarom ze zo’n reputatie heeft opgebouwd… en waarom ze zo goede sier maakte bij de bijzonder veeleisende Agàthonas! Die is ook te horen op haar eerste eigen cd, het heerlijke ‘Kismet‘ (‘Noodlot‘) uit 2009. Die staat vol klassiek werk van Vasilis Tsitsànis, Apóstolos Kaldaras, Markos Vamvakàris, Stella Haskil, Stelios Keromítis en vele anderen, 17 nummers in totaal. Katerina zong bij groten uit de rebètika Babis Tsertos en Babis Goles, accordeoniste Lela Papadopoùlou, Stèlios Vamvakàris (bouzoukispelende zoon van Markos, auteur van een plaat met bluesman Louisiana Red! Ze begon haar loopbaan Stelios), bouzoukivirtuoos Iordànis Tsomídhis, en ga zo maar door. Het is echter niet correct haar enkel te zien als zangeres van rebètika en smyrnèïka: ze heeft ook haar sporen verdiend in de volksmuziek (dhimotikà) met o.a. de Thracische nachtegaal Chronis Aïdonídhis (de koning van de trage kathistikó) en de grootmeester van de oed, Nikos Saragoùdhas. In het eerste deel zong Katerina ondermeer een prachtig ‘Misirlou‘ (‘Egyptisch Meisje‘, prachtsong van Tetos Dhimitriàdhis, origineel door hem opgenomen in 1927 – clip op YouTube!)

 

Uit ervaring weten we dat een tweede deel bij zo’n kompanies niet zelden aan kracht inboet om pas in de finale weer op te veren. Niet zo bij dit vijftal. Of het nu Katerina was die ‘Dhimitroùla‘ trok of verzoeknummer ‘Kègome Kègome‘ (‘Ik verzeng‘), of het Dimitris was die zijn tanden zette in ‘Pino kè metho‘ (‘Ik drink en word dronken‘), het werd allemaal even helder, zuiver en krachtig gebracht. Onze buur, een Griek die blijkbaar toch niet met volle goesting naar het concert gekomen was, werd enthousiaster met de minuut, gaf vrijuit commentaar, sprong op om een dansje te doen en beklom ten slotte zelfs het podium. Het concert met in totaal 24 liederen eindigde met ‘O Boufetzís‘ (‘De Buffethouder‘), één van de songs die de roem uitmaken van de ‘godfather‘ van de Piraeusstijl, Yorgos Batis.

 

Maar uiteraard liet men deze mensen niet zomaar gaan. Sotiris kondigde het ‘second national anthem of Greece‘ aan. Dan weet eenieder dat het gaat om ‘Syneffiasmèni Kyriakí‘, ‘Bewolkte Zondag‘, dat Tsitsànis schreef tijdens de oorlog om zijn treurnis over de Duitse bezetting te bezingen. Na de oorlog maakte Stèlios Kazanthzídhis, misschien wel de grootste rebètika- en laïkàzanger ooit, het beroemd en het lied groeide uit tot de geijkte finale van zowat elk Grieks concert. Katerina liet nog eens horen hoe het gezongen moet worden. Het werd ook nu door heel wat aanwezigen luid meegezongen. De lachtàra, de weemoed, droop eraf. Maar de tristesse geeft in Hellas immer aanleiding tot een vreugdevolle opstoot en het gezelschap eindigde met het uitbundige en lichtjes ironische ‘Ímaste Alània‘ (‘We zijn Uitschot’) Iets zegt ons dat we deze mensen hier, in België én in Nederland, nog vaker zullen weerzien. Maar u hoeft niet te wachten tot een volgende toer. Op woensdag 9 mei is Katerina Tsiridou te horen in CC Het Bolwerk in Vilvoorde en op vrijdag 11 mei in het Antwerpse Zuiderpershuis ( www.zuiderpershuis.be ), telkens om 20 u. 30. U kan er eens een andere zijde van Griekenland leren kennen, eentje die je nooit meer loslaat. Bij deze zijn die concerten dan ook warm aanbevolen! OBA!

 

Antoine Légat (08 05 12; correcties 12 05 12)

 

P.S. Met dank aan Luc & Lieve van www.skopos.be en Margot & Loek van Palio-Paréa.

 

(*) of het meervoud rebètika, dat we soms ook als enkelvoud bezigen, dus ‘rebètiko IS…’ en ‘rebètika IS/ZIJN…’ De benaming die het ten slotte haalde van een hele reeks andere termen. Ze omvat de Griekse stedelijke muziek die vooroorlogs in de zelfkant bloeide en die beïnvloed werd door de toestroom van vluchtelingen uit Klein-Azië; In hun slipstream kwamen ook de beter geschoolde muzikanten, zangers én zangeressen mee (de oosters getinte smyrnèïka stijl: Rosa Eskenàzi, Rita Abadzí) Toch bloeide van 1933 tot de censuur van 1937 de rauwe, aan mannen voorbehouden ‘Piraeusstijl‘, o.i.v. de eerste kompanía (meervoud: kompaníes), het eerste kwartet van Yorgos Bàtis en Markos Vamvakàris. Het was de periode van de echte zelfkanter, de rebètis (of mangas of kaló pedhí) Na de oorlog en de bloedige burgeroorlog werden de rebètika plots salonfähig en dan ook uitgekuist van hun achterbuurttrekjes (periode van de archondoberebètes) en de toppers de allergrootste, Vasilis Tsitsànis, topzangeres Marika Ninou, de eerste bouzoukiwizzard Manólis Chiotis, Yannis Papaïoànnou, Sotiría Bellou, enzovoort; bloei: 1948-1952) maar ze werden ook snel werd opgeslokt (gerecupereerd) door de laïkà, de ‘popmuziek’ van de fifties. Rond 1970 kwam de revival op gang en sindsdien hebben de rebètika de plaats die ze verdienen. Die renaissance duurt nog altijd voort al zijn er rebètika in alle maten, gewichten en gradaties van authenticiteit. Naast en deels zelfs voor de Griekse rebètika waren er ook… Amerikaanse, die een heel eigen leven leidden (o.a. Marika Papajíka) De film ‘Rebètiko‘ van Kostas Ferris (1983) geeft een goed sfeerbeeld van de rebètes via een op Marika Ninou geboetseerde heldin. De schitterende, nieuwgeschreven muziek is van Stavros Xarhàkos op tekesten van Nikos Gatsos. (**) de rebètes bespeelden bouzoukis met drie rijen van twee snaren (‘trichordo‘) Zodra de rebètika de mainstyream bereikten bleek dit een te beperkt bereik om ook de hits van Europa (en van de Indische films: Bollywood!) te spelen Chiotis voerde dan ook de ‘tetràchordo‘ in, met vier rijen snaren, het instrument van de grote virtuozen als Yorgos Zambètas, Lakis ‘Zorba‘ Karnèzis en Kostas Papadópoulos. Het werd echter bon ton bij de revivalisten om terug te keren naar de meer ‘authentieke’ driesnarige.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s