‘Ashore’ – June TABOR (met Huw WARREN, Andy CUTTING & Mark EMERSON) in de Turbinezaal van De Centrale te Gent op donderdag 3 mei 2012: ‘de goed gevulde Turbinezaal was met dit ‘Ashore’ programma getuige van een wel heel bijzondere performance…’

2011 was een productief jaar voor June Tabor, icoon van de Britse folk, bij uitbreiding één van de meest getalenteerde en professioneel ingestelde zangeressen van het noordelijk halfrond (en niet alleen het noordelijk) We gaan even voorbij aan de ruim vijf decennia overspannende loopbaan van Tabor: die is elders goed gedocumenteerd en we mogen ervan uitgaan dat de gemiddelde folkliefhebber haar wel ergens kan plaatsen. ‘I’m extremely old‘, grapt ze in De Centrale als ‘excuus’ omdat ze een vrij brede selectie cd’s te koop aanbood. Daaronder ook ‘Ragged Kingdom‘, het prachtige samengaan met de Oysterband, eindelijk een opvolger voor de historische ‘Freedom And Rain‘ (1989) Op deze ‘Ragged Kingdom‘ (2011) o.a. het prachtige duet ‘Son David‘ en de beste versie van ‘Love Will Tear Us Apart‘ sinds het origineel van Joy Division, voor altijd gelinkt aan de tragische figuur van Ian Curtis, die zich zeer jong zelfmoordde en zo de legende inging, tussen Nick Drake en Kurt Cobain in.

 

In 2011 bracht Tabor ook ‘Ashore‘ uit, een collectie liederen -anomieme traditionals naast hedendaagse singer-songwriting- die de relatie beschrijven van de mens met de zee. Die mens moet je dan wel begrijpen als de Brit: zelfs wie in het binnenland woont, is er maximum een 150 kilometer van de eerstvolgende kust verwijderd en uiteraard zijn de Britten bekend als zeevaarders en wereldveroveraars. Het British Empire mag dan een vergane glorie zijn, de invloed die de zee uitoefende op landbouwers even goed als op zeelui is onmiskenbaar. Er zijn ook de eilanden, van de Channel Islands (vijf w.o. Jersey en Guernsey) tot de Orkneys (Orcaden) en de Shetland eilanden. Er zijn de strategische punten waar het rijk ooit haar eersterangspositie kracht bij zetten, als Gibraltar en Aqaba. Er waren ook de vele zeeoorlogen waarbij vooral de Napoleontische tot de verbeelding spraken en waarvan de meest recente de Falklandoorlog van 1982 is. Dat alles vindt men gereflecteerd in de gigantische en zeer verscheiden liederschat.

 

Een groot deel van de selectie op ‘Ashore‘ heeft June Tabor al eerder gezongen en op LP/cd gezet. Het is de bundeling van songs, de spaarzame maar o zo trefzekere uitvoering en de begeleidende commentaar die deze cd zo bijzonder maken. Het is in haar loopbaan niets minder dan een mijlpaal, daar zijn de kritieken over heel de wereld het blijkbaar eens. Het gerucht doet trouwens de ronde dat Tabor de cd’s die ze de beste vindt een titel geeft die begint met een ‘A’, maar we hebben haar die bewering nog niet durven voorleggen. Het valt inderdaad wel op dat veel cd titels met ‘A…’ beginnen, maar we zien niet echt een oorzakelijk verband met de kwaliteit en haar antwoord zou wel eens even nietszeggend als de vraag kunnen zijn… Omdat June de mensen meebracht die ook de cd zo knap inkleuren (op contrabassist Tim Harries na), stond het al bijna vooraf vast dat het een bijzonder optreden zou worden, temeer daar Tabor, perfectioniste als ze is, meestal de verwachtingen ruimschoots overtreft.

 

Zo was het ook. De Turbinezaal van De Centrale was op donderdag 3 mei in het duister gehuld toen Tabor het podium betrad. Ze zet meteen ‘Finisterre‘ in dat violist van de Oysterband Ian Telfer schreef voor de eerste cd van June met de groep, en dat ook ‘Ashore‘ opent. Deze ballad zet de toon voor dit concert, vaardig, waardig, verstild, intens. Andy Cutting zet op diatonisch accordeon de nodige accenten. Tabors zegging dwingt respect af: ‘Santander, the sky is falling / The tale we told each other has an end / Santander, do you hear me calling / You that never lost a friend…’ Meteen daarop wordt duidelijk dat ze niet alleen uit ‘Ashore‘ zal putten: het traditionele ‘I Will Put My Ship In Order‘ werd door zeer velen gecoverd en ook Tabor maakte er ooit een versie van (op ‘A Quiet Eye‘, 1999) Het is de eerste, maar niet de laatste maal dat ze de moeilijke verhouding zeeman-vrouw belicht. In een schier vlekkeloos Frans zingt ze ‘Le vingt-cinquième d’octobre‘, traditional die op de Kanaaleilanden bekend was. Hoewel die altijd trouw waren aan de Britse kroon, is de zeeman in het verhaal blijkbaar lid van de Franse vloot die Gibraltar aanviel. Maar, zoals June aangeeft, het heeft geen belang aan welke kant hij strijdt: als de ‘contre-maître‘ dodelijk gewond raakt, gaan zijn gedachten uitsluitend uit naar zijn lief: ‘Le seul regret que j’ai t’ au monde / C’est de quitter ma chère blonde‘, het lot van menig soldaat en matroos. Zoals dat wel vaker het geval is, wordt de droefheid van het lied gecompenseerd door de vrolijke melodie.

 

Meteen daarop vertolkt June ‘Shipbuilding‘ van Elvis Costello, dertig jaar geleden gescrheven voor en bekend gemaakt door Robert Wyatt, in de nasleep van het bedroevende Falklandconflict. ‘Shipbuilding‘ handelt niet over de vele doden in het overzeese gevecht tussen Britten en Argentijnen, wel over de modale Brit, die weer (oorlogs)schepen mag bouwen en zo, ongewild, de kost verdient met het leed van anderen: ‘A new winter coat and shoes for the wife / And a bicycle on the boy’s birthday‘. Maar men moet zwijgen of anders zwaait er wat: ‘Somebody said that someone got filled in / For saying that people get killed in / The results of our shipbuilding…’ De ballad legt de tragiek van de kleine man in de oorlog bloot. Het had echter anders gekund: ‘With all the will in the world / Diving for dear life / While we could be diving for pearls‘ Voor een stuk herhaalt en hertaalt June voortdurend de vrij lijvige commentaar die het boekje bij de cd geeft, maar het zou Tabor niet zijn als ze daar op toneel nog andere dingen aan toevoegt. Het bewijst dat ze grondige research heeft gedaan naar de achtergronden van elk lied.

 

Zo geeft ze meer kadering bij het liedboek ‘Dancing Master‘ van John Playford. In de vierde editie uit 1670 staat ‘Jamaica‘, dat de overwinning van de Engelse vloot beschrijft over de Spaanse, wat leidde tot de verovering van Jamaica. Andy Cutting en violist Mark Emerson brengen het instrumentaal. Niet alleen zijn Junes begeleiders uitmuntende musici, ze zijn ook de bescheidenheid zelve: alles staat in dienst van de zangeres en geen muzikant die een noot te veel speelt. Elk arrangement is uitgekiend, maar gelukkig slagen deze musici erin dit zo te brengen alsof het de eerste maal is dat ze het spelen, fris en levendig. Intrigerend is ‘The Great Selkie Of Sule Skerry (Child 113)‘: zeehonden zijn uietraard alom bekend, maar dit verhaal voert selkies ten tonele, zeehonden die, eens op het land, een menselijke gedaante aannemen. Eén zo’n selkie verwekt een kind bij een vrouw. Later komt hij dat kind ophalen. De hele geschiedenis is ingekapseld in magie en mysterie en, zo raadt men allicht, heeft een dramatische teneur.

 

Na de fraaie wals ‘The Poor Little Dutch Boy‘ (over het jongetje dat met zijn duim in de dijk een ramp voorkwam) mag ook pianist Huw Warren weer opkomen om prachtige patronen te weven onder ‘The Grey Funnel Line‘. Tabor legt uit dat de titel verwijst naar de schepen van de Royal Navy die in ‘gun-metal grey’ geschilderd zijn. Auteur Cyril Tawney schreef het om aan te geven dat hij de navy zou verlaten omdat het niet echt zijn ding was. June nam het al eens op samen met Maddy Prior op hun gemeenschappelijke ‘Silly Sisters‘ plaat (1976; de tweede plaat samen zou er pas in 1988 komen), maar op ‘Ashore‘ overtreft ze zich in de uitvoering. In De Centrale is het een onvervalste climax als slot van het eerste deel.

 

Met Cyril Tawney (1930-2005), boeiende singer-songwriter die ook het traditionele lied bestudeerde en promootte, gaat het voort in het tweede deel: in 1959 schreef hij ‘The Oggie Man‘, maar hij nam het pas later op. Het is misschien wel zijn bekendste lied: een armzalige verkoper van pasteitjes aan zeelui wordt door de vooruitgang als het ware opgepeuzeld. Het is een lied van een oneindige droefenis, een aanklacht tegen massificatie en een pleidooi voor het behoud van het waardevolle en kleinschalige. ‘Riding Down To Portsmouth‘ kent men in de vertolking van John Kirkpatrick, dat hij in Brass Monkey (met Martin Carthy) zong. Tabor betoogt nogmaals dat het tussen zeelui en de vrouwen nooit wat geworden is. Ze zingt haar eigen ‘gypsy version‘ en Cutting en Emerson doen er ‘I’ll Go And Enlist For A Sailor‘ bovenop, oorspronkelijk een song over een kleermaker die uit liefdesverdriet bij de marine gaat. De melodie was zo populair dat het een klassieker werd bij de Morris dansers. Een stukje a capella laat nog eens horen welke uitzonderlijke, stemvaste zangeres June Tabor is.

 

Het volgende lied kan men gerust klasseren als een hoogtepunt: ‘Sudden Waves‘ van Les Barker. Tabor zette het op ‘Angel Tiger‘ (1992), maar ze had ‘m gerust mogen hernemen op ‘Ashore‘. Iets luchtiger gaat het eraan toe op ‘Le petit navire‘… Tot men doorheeft dat het één van de vele songs is die… kannibalisme bij schipbreukelingen beschrijft. De jongste van drie zeelui krijgt het bedenkelijke voorrecht te dienen als maaltijd voor de uitgehongerde ‘collega’s’. Maar het is een Frans lied en dus is enige culinaire finesse niet weg: ‘On le mangea à la sauce blanche / Avec des salsifis pas cuits…‘ Beleefd zijn ze ook al: ‘Ils eurent la délicatesse… / De mettre sa part de côté…‘ Opnieuw, ongeveer halfweg de tweede set, een intermezzo: Huw Warren speelt ‘Sheep‘ dat hij pende in opdracht voor het Welsh Jazz Festival. Het stuk was niet echt datgene wat de opdrachtgevers voor ogen hadden, want de schapen die Huw muzikaal beschrijft, hebben echt wel een serieuze slag van de molen. Er zitten nogal wat zwarte toetsen, we bedoelen, schapen tussen. Een dronken Nederlander stapte ooit op Warren af en zei lakoniek: ‘Deze schapen zijn psychotisch!

 

We moesten denken aan ‘Le génie des Alpages‘, Franse stripreeks van F’Murr die boze en oerdomme schapen ten tonele voert in de meest absurde en surrealistische situaties, begeleid door een herdershond die zich bezighoudt met het bouwen van volstrekt nutteloze robots en een herder die alle clichés van het (Franse) herderschap in zich verenigt. Maar we laten deze gedachte maar weer varen want weer ernst met ‘Winter Comes In‘, waarin lokale dichter Jack Renwick de overgang naar de donkere dagen van de winter op de Shetlands beschrijft, een beschrijving vol dromerige melancholie. Mark Emerson laat daar ‘Violin Voe‘ op volgen, een walsstructuur van een ongekende schoonheid. Ergens in het concert, maar we vergaten te noteren waar, horen we ‘The Brean Lament‘, weer zo’n fascinerend stuk volkscultuur. Nadat een schip vergaan was, werden de zeelui niet zelden begraven met de voeten aan de rand van het water. Parlando voegt Tabor er de nodige verklaring aan toe (zoals ook op de cd), dat zeemeeuwen soms drenkelingen aanvielen. Dit werd verklaard door het geloof dat de meeuwen eigenlijk de zielen van verdronken zeelieden waren die niet konden verdragen dat een schipbreukeling een ramp overleefde.

 

Het concert nadert zijn einde. ‘Sir Patrick Spens‘ is een ‘Childs ballad‘, een wijd verbreide ballad uit Schotland, verzameld door Francis James Child in de negentiende eeuw. Het werd zeer vaak gecoverd, o.a. door Ewan McColl (1956), Fairport Convention op ‘Liege And Lief‘ en Martin & Eliza Carthy. Tabor zette het in 2003 op ‘An Echo Of Hooves‘. Zoals wel meer eindigt Sir Patrick Spens op de bodem van de zee, in opdracht van de Engelse koning. Voor de encore duikt June Tabor in de schatkist van de sea shanties, de ritmische liederen waarop zeelui hun repetitieve labeur leverden. De gelijkenis met slavenliederen is opvallend, zo opvallend dat ‘Shallow Brown‘ in oorsprong mogelijk zo’n slavenlied geweest is. De belangrijke onderzoeker naar de Britse folklore Cecil Sharp (1859-1924) noteerde het en zo kwam het terecht in Stan Hugills ‘Shanties From The Seven Seas‘. Ook van ‘Shallow Brown‘ zijn er tientallen versies (Coope, Boyes & Simpson; Pete Bellamy; Waterson-Carthy…) Het is een passend coda, een ode aan de gewone zeeman, wiens harde leven en toewijding aan zijn taak onbeschreven bleef in de grote gechiedenisboeken.

 

Een concert van June Tabor en haar trouwe en zeer bekwame begeleiders is keer op keer een evenement. Maar de goed gevulde Turbinezaal was met dit ‘Ashore‘ programma getuige van een wel heel bijzondere performance. Dat deze vrouw de eenvoud zelve is gebleven, bewijst het feit dat ze na het concert iedereen die haar aansprak vriendelijk bejegende en antwoord gaf op de vele vragen. In alle opzicht een Grote Dame, deze June Tabor. (09 05 12)

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s