24e BRUGGES FESTIVAL sluit met Fotis IONATOS en AFRICAPELLA

 

Slotavond 24e BRUGGES FESTIVAL met Fotis IONATOS en AFRICAPELLA in de Brugse Stadsschouwburg op zaterdag 13 november 2010.

 

 

Om technische redenen werden de voorstellingen op de slotavond van Brugges Festival omgewisseld, maar dat bleek ook om andere redenen een uitstekende oplossing: zo kwam de meer intieme en per definitie statische rebètika vóór de geestdriftige Afrikaanse samenzang met zijn hoge showgehalte en kreeg deze vierentwintigste editie een apotheose, die de aanwezigen nog lang zal heugen. Want de staande ovatie die Africapella kreeg, was meer dan verdiend. In de annalen van het festival zal dit optreden ongetwijfeld een ereplaats krijgen.

 

Photis (wij verkiezen eigenlijk de schrijfwijze Fotis) Ionatos is de broer van Angélique Ionàtos, die op deze planken ook al uitblonk (Brugges Festival 1995) Ooit, in de seventies, traden ze samen op, maar zus verhuisde naar Parijs om van daaruit een grootste loopbaan op te bouwen. Photis bleef in België, tegenwoordig in Luik wonen en bleef optreden, meer in de schaduw dan, met een gemengd repertoire, vooral werk van de Griekse meesters van het kunstlied. De laatste jaren trad hij vaak op met de liederen die men nu beschouwt als het hart en de ziel van Griekenland, maar die een eeuw terug enkel toebehoorden bij de zelfkanters, de lieden die in de grote, verpauperde stedelijke centra de cafés, hasjhuizen, bordelen en… gevangenissen bevolkten, gehaat door de hogere standen die ze zelf ook verafschuwden, maar dan zonder protest tegen het sociale onrecht. Men gaf die de verzamelnaam ‘re(m)bètika’ (enkelvoud: ‘re(m)bètiko’)

 

Die kansarmen maakten muziek op alles wat ze onder handen kregen, maar het meest typerende instrument was de bouzouki, een luit met dunne lange hals met een vermoedelijke oriëntaalse afkomst. Ze produceert typerende hoge tonen dank zij drie rijen (in de nadagen vier rijen) van twee snaren. Omdat de door de burgerij gecontroleerde politie in die tijd die instrumenten graag aan diggelen sloeg, ontstond een kleinere, gemakkelijk weg te moffelen pocketversie ervan, de baghlamàs, met een nog scherpere toon. De rebètes zelf ontwikkelden, naast een eigen taaltje en typerende dansen (waaronder de zeïbèkiko, de dans-met-een-tel-teveel), een kleurrijke dress en gedragscode, gaandeweg geïnspireerd op de Amerikaanse gangsters.

 

In 1922 kreeg die muziek na een dwaze, door de Grieken tegen Mustapha Kemal Atatürk verloren oorlog, een boost door de toevloed van anderhalf miljoen verkaste Grieken (lees: Orthodoxen, want ze spreken soms enkel maar Turks!) van alle standen vanuit vooral Klein-Azië (in ruil voor een half miljoen zgn. ‘Turken’) Daaronder ook professionele musici (smyrnèïka stijl) In 1933 ontstond uit die hele mengelmoes de eerste kompanía, het eerste gezelschap, waartoe ook Markos Vamvakàris (‘Markos’ volstaat) behoorde, dat een ruige, maar meeslepende vorm van rebètika speelde, die we nu kennen als de ‘Piraeusstijl’. Al in 1937 maakte de censuur een einde aan die eerste bloei, die pas hernam na de Griekse burgeroorlog in 1948. De rebètika werden nu plots bon ton, mede dank zij de grootste der rebètes Vasilis Tsitsànis, maar dat was ook het begin van het einde van de ‘echte’ rebètika, die langzaam werden opgelost in de van vele, vooral westerse walletjes etende laïkà (populaire liederen van wisselende kwaliteit) Pas na het kolonelsregime kwam een revival die in vele vormen bloeide en nog bloeit, en ook de andere Griekse muziekvormen doordrong.

 

Aan deze heerlijke exotische en sterk oosters gerichte muziek (geen toonladders, maar toonschalen of maqams) ontleende de vzw Rembetika haar naam (de transcriptie zonder de ‘m’ is fonetisch juister, maar de ‘m’ staat wel neergeschreven in het Griekse woord!) Zaterdag was het dus hét moment om eer te bewijzen, van de vzw aan de muziek en omgekeerd! Photis had die opdracht goed begrepen, want het concert van zijn kleine kompanía bood een nagenoeg volledig overzicht van wat de Piraeusstijl van in het begin tot ‘nu’ heeft voortgebracht, althans wat je in één uur tijd kan proppen. Photis is zeker niet de grootste vertolker van het genre, maar hij is meer dan bekwaam om de diverse stijlkenmerken van het genre op een passende manier aan de man te brengen, hierbij geholpen door de uitstekende Stelios Manousàkis op de meer ‘authentieke’ trichordo, de ‘driesnarige’ bouzouki (en een keer ook op baghlamàs) en Nicolas Kondàlis op baghlamàs en de aanverwante tsourà. Beiden stonden Photis sporadisch ook vocaal bij, met die typische nasale, net niet valse klanken (de rebètes snoven cocaïne!) Stelios speelde af en toe een gesmaakte ‘taxími’, een ritmisch vrije, toonschaal verkennen de introductie, waarop de bouzoukispeler de toonschaal van het te spelen lied verkent en zijn vaardigheid kan etaleren.

 

Er was plaats voor de oude klassiekers als het door iedere Griek gekende ‘Oli Rebètes tou Dounjà (Alle Rebètes van de Wereld)’ van Vamvakàris, maar ook voor lange tijd ‘vergeten’ werk als ‘Saltadoros (Bespringer van Duitse Voedselcamions)’, in de oorlogsjaren gepend door de hoogst merkwaardige Michàlis Jenítsaris. Elke Helleen is vertrouwd met ‘Kanís edhó dhen tragoudhà (Niemand zingt hier)’, bekend van Nikos Papàzoglou (die dit hier ooit op deze Bühne bracht met zijn baghlamàs en zijn vertrouwde rode sjaaltje) en met de Griekse monsterhit ‘Zeïmbèkiko tis Evdokia’ van Manos Loïzos. Deze instrumental oogstte ook zaterdag heel wat succes. Uiteenlopende figuren als Kostis en Tsitsànis passeerden de revue, evenals twee songs uit ‘Rebètiko’, de archetypische film van Kostas Ferris. Die muziek van Stavros Xarhàkos mag dan een pastiche op de stijl zijn, de liederen zijn zo geslaagd dat ze tot het standaardrepertoire zijn gaan behoren, zoals bisnummer ‘Stou Thoma (In de Taverne van Thomas)’ ten voeten uit toonde. Een concert om duimen en vingers af te likken.

 

Maar wat dan gezegd van Africapella, zonder twijfel de revelatie van dit Brugges Festival? Liefhebbers van a capella zang zijn sinds groepen als The Flying Pickets en Voice Mail verwend geworden, de laatste decennia, maar de zes Zuid-Afrikaanse jongelingen voegen daar nog een dimensie aan toe, namelijk de ziel, de soul van Soweto, afkorting voor de South Western Townships, die de zwarte buitenwijk, stadsdeel van Johannesburg aanduidt, zo’n eeuw geleden ontstaan ten gevolge van de gehate politiek der blanken. Het mag dan een buurt van armelui zijn, enigszins te vergelijken met de situatie der Griekse rebètes, maar ook hier ontstonden muzikale vormen van een ongemene rijkdom, gaande van volksmuziek tot jazz, gekenmerkt door smeuïge, aanstekelijke ritmes, zonnige, levensblije klankkleuren en ongemeen fraai stemmenwerk.

 

Reeds bij het opkomen was het duidelijk dat Africapella gensters zou slaan: leuke klanken en ritmiek vielen alras in de plooi en ontvouwden zich tot ‘Mbube (Wimoweh)’, de song die wij beter kennen als ‘The Lion Sleeps Tonight’, een niet onverwachte openingszet. Deze evergreen ging echter al snel over in een verzetslied tegen uitbuiting, dat aan Gil Scott-Heron deed denken, met jazztoetsen die dan weer uitmonden in een Braziliaanse tropicalismo stijl. Zo slaagde het zestal erin om in één vloeiende beweging een staalkaart te bieden van zijn vocale kunnen. Met elk nieuw nummer viel er achter wat nieuws te ontdekken. Alles wat de mens met de stembanden kan presteren, bleek mogelijk voor deze rubberen strotten: vocalises, scatting, close harmony, zingen in allerlei soulvolle stijlen (het ‘duetje’ van ‘I need money’ versus ‘I like to move it’ was pure klasse) maar Africapella blinkt vooral uit in het nabootsen van allerlei instrumenten, zoals trompet, mondharmoncica, allerhande percussie (de water drum vonden we leuk!), en zelfs het scratchen met vinylplaten. De humorvolle manier waarop een groepslid het publiek aan het zingen zette, verdient zeker een vermelding.

 

Een drietal songs belichtten het ‘oude’ Zuid-Afrika: een gospel (‘Meet Me At The River’), een lied van Miriam Makeba, waarin Nelson Mandela en Steve Biko hoorbaar een rol speelden, en ‘Thula Mama (Ween niet, Moeder)’ met knappe jazz akkoorden. Maar dan was het tijd voor een meer hedendaagse benadering, zoals een groepslid aankondigde, al bleek dat muzikaal geen enorme aardverschuiving. Een anti-razzia lied ‘Kamleza/Hurry Up’ (‘Haast je, de politie is hier, ze nemen alles mee’) en een magistraal huwelijksaanzoek, leidden via het beat boxen naar ‘a song you all know’. Dat bleek dan ‘Remember The Time’ van Michael Jackson. Het volgende moment bracht een zoveelste hoogtepunt: Frederik Sioen, die Africapella ‘ontdekte’ tijdens één van zijn vele reizen naar Zuid-Afrika, kwam op en het zevental vertolkte de eerste helft van de nog steeds sublieme en actuele Stevie Wonder song ‘Livin’ For The City’. Sioen moest hierbij niet onderdoen voor zijn vrienden: ze vuurden mekaar aan tot ongekende hoogten. Dat kon gerust het eindpunt geweest zijn. Maar nog was dit niet de afsluiter.

 

De baszanger van het gezelschap kwam naar voren en bracht, uiteraard steeds onder begeleiding, een briljant ‘Don’t Worry, Be Happy’. Bobby McFerrin zou zijn tekst echter niet gans herkend hebben, want waar de huisbaas de zanger een proces moest aandoen, luidde het plots: ‘In Belgium you have no government’. De frontman was overigens niet de enige uit het gezelschap die snedig en grappig uit de hoek kwam en tegelijk het sociale engagement van de band in de verf zette. Na een grillig lied dat het verzet en de daarbij horende chaos op magistrale wijze verklankte, nog maar eens een eigen compositie van de groep, was het tijd voor afsluiter ‘The Journey’ waarin één zanger gelegenheidsverzen improviseerde, een relaas van deze trip naar het verre België. Een stormachtig applaus sloot het concert af, maar het kon niet anders of méér dan één bis zou volgen.


Het voor ons mooiste moment brak aan: de hele groep kwam vooraan op het podium staan zonder versterking (die overigens het hele concert lang uitmuntend was) en bracht met één voorzanger het zielsmooie (wellicht Zulu) anthem ‘Elatatwa, Elatatwa’, met fluwelen precisie en een subtiel spel met dynamiek, en vooral met een warm hart. Kippenvel, een hele legbatterij. Kan men bij leven en welzijn dichter bij de hemel komen? Oh jawel: wie toen het woord ‘vuvuzela’ had gepreveld, was wellicht ter plekke gelyncht. Weer achter de micro’s zong Africapella met ostentatieve trots het volkslied van Zuid-Afrika, ‘Nkosi Sikelel’ iAfrica’, meteen gevolgd door een al even fier ‘Freedom in South Africa’. Mogen we hierbij een Zululans breken en vragen dat men dit sextet heel snel weer naar hier haalt?

 

 

Antoine Légat (14 11 10)

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Muziek. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s