Het vorig artikel herschreven maar toegespitst op Iain MATTHEWS

 

Iain MATTHEWS & Egbert DERIX in ’t Ey te Belsele op zondag 13 juni 2010

 

 

Het weekend van de reuzen heeft volledig gegeven wat ervan verwacht mocht worden. Nee, we hebben het niet over het zwaar tegenvallende voetbal en ook niet over de politieke ontwikkelingen. Voor ons (en voor nog een paar zonderlingen) slaat het op de drie reuzen onder de singer-songwriters die we op vrijdag en zondag aan het werk zagen, met op zaterdag nog een schnabbel. Op 11 juni werd het werkjaar van Toogenblik in Haren bij Brussel afgerond met een op de laatste minuut geboekt dubbelconcert. Eerst Mark Olson, met Gary Louris lange jaren de sterkhouder van The Jayhawks, formatie bekend om zijn majestueuze en melodierijke alt.country songs en prachtige close harmonies. Mark verliet de groep in 1995 voor een sololoopbaan en allerlei samenwerkingsverbanden. Zo heeft hij een eigen band, The Creekdippers, maar was hier enkel met Noorse backing zangeres en begeleidster Ingunn Ringvold (Afrikaanse percussie, harmonium) Dat werd weer een zalig dwalen doorheen oud (Jayhawks classics als ‘Wichita’, ‘Clouds’, ‘Falling Star’, ‘Over My Shoulder’) en nieuw (de cd ‘The Salvation Blues’) De man zingt nog immer als de ‘Humming Bird’ uit het Creekdippers bisnummer! Zo had Toogenblik nog eens een ‘superster’ op bezoek in wat op dat ogenblik het allerlaatste concert kon zijn in deze club met een traditie van vele tientallen jaren (eerst nog als Tsleutelgat)

 

Tweede man op de affiche van vrijdag was Michael Weston King. De voormalige leider van The Good Sons bouwt een al even indrukwekkend oeuvre op als Olson en dat liet hij, voor de derde maal al in Haren, enthousiast en uitgebreid horen. De kern van zijn optreden werd gevormd door de protestsongs van zijn komende cd ‘I Didn’t Raise My Boy To Be A Soldier’ een mengeling van zelfgepende anti-oorlogsliederen en die van bekende (Phil Ochs, Roosevelt Sykes) en schier onbekende oorsprong (zoals het titellied, naar een gedicht uit 1915 van ene Alfred Bryan) Deze prachtige cd komt uit in augustus. Maar het hele concert was beklijvend. Kan ook niet anders met zo’n uitgebreid repertoire, waar hij de parels zomaar uit op te vissen heeft! We werden onder anderen zwaar geraakt door ‘Lay Me Down’, ode die hij schreef aan zijn overleden vriend en road makker Townes Van Zandt en door ‘I Fall Behind’, dat zo van Bruce Springsteen kon geweest zijn. Hij eindigde met ‘No More Songs’ van Phil Ochs, niet van de vernoemde cd, maar een song waarmee hij vaak concerten afsluit, wat sommigen zo’n slecht voorteken vonden voor Toogenblik, dat MWK daar veel later in de nacht nog ‘A Song For’ van Townes aan toevoegde, op vraag van een paar late (of was het vroege?) vogels. Je mag immers het lot niet tarten. Al hoorden we dat ‘laatste’ lied niet meer wegens lang na sluitingstijd, dan was dit toch één van onze mooiste muzikale avonden in lang… Elders in deze sectie van Rootstime vindt u overigens van dit dubbelconcert uitgebreide en bijzonder geestdriftige verslaggeving. En intussen weten we dat Toogenblik nog minstens volgend seizoen blijft bestaan!

 

Zaterdag laat zagen we in Arscene (Hansbeke) nog een stukje, helaas maar dat, van To Noisy Fish, zoals de naam het als het ware aangeeft, een free jazz formatie ontstaan uit de ritmesectie van Peter Vermeersch’ Flat Earth Society. Wat ze brachten in die 20 minuten improvisatie belooft. Wissel op de toekomst, maar uiteraard mijlenver van de rootsmuziek…

 

Terwijl overal stemmetjes geteld en opgeteld werden, zaten zo’n veertig fanaten (iets minder dan voor Olson-King) zondagnamiddag in ’t Ey in Belsele, onze geliefde folkclub, voor de langverwachte komst van Iain Matthews & Egbert Derix. Eindelijk in ons land, zij het voor maar één concertje. Sinds mensenheugenis timmert de Brit (die lange tijd in de States woonde, maar nu in Nederland vertoeft) aan de weg, al van voor de dagen van Fairport Convention. Zijn ontmoeting met de Nederlandse jazzband Searing Quartet en vooral met pianist Egbert Derix bleek het startpunt van een samenwerking die nog lange niet aan haar eind lijkt. De cd van singer-songwriter en orkest resulteerde in het schitterende ‘Joy Mining’, een cd waarop de titelgevende song niet te vinden is, maar wel de twaalf songs waarvoor Matthews de tekst schreef en Derix de passende muziek bedacht. In duo brachten pianist en zanger-gitarist dan ‘Afterwords’ uit, een cd plus DVD met een aantal songs uit ‘Joy Mining’ live, gekoppeld aan oudere liedjes, plus een paar goed gekozen songs van anderen. ‘Joy Mining’, niet op de cd met die naam, opent dan wel ‘Afterwords’. We mochten over die twee cd’s al uitgebreid schrijven in andere media.

 

Het samengaan van een singer-songwriter op akoestische gitaar en een pianist is geenszins een primeur, maar het is zeldzaam genoeg om als een verfrissende aanpak aan te voelen. Matthews treft als vakman. Ook na bijna een halve eeuw zingt hij als een zoetgevooisde nachtegaal, wat erop wijst dat hij zichzelf al die tijd heel goed verzorgd heeft. Anderzijds, door de leeftijd zijn die gouden stem en prachtige techniek ook nog eens ‘gerijpt’. De songs, zowel die van hemzelf als die van anderen, kiest hij zorgvuldig uit voor deze dubbele set en zijn uiteraard, doordat hij kan putten uit een enorm repertoire, van duizelingwekkend niveau. De duiding en de anekdotiek die hij ze voor of na uitvoering meegeeft, bezorgt ze nog meer diepgang. Maar dan is er de piano van Derix, die het geheel die extra dimensie geeft. De titel ‘Jef Neve van Nederland’ mag dan een boutade zijn, het geeft aan welke schitterende patronen Egbert neerlegt om die songs heen. Af en toe gaat hij loos in de nummers en dat is dan steevast genieten (‘The Rat And The Snake’, ‘Joy Mining’, ‘Timing’, ‘God’s Empty Chair’, ‘Lamb In Armour’)

 

Matthews ging van start met een verrassende song: het stuwende ‘Man In The Station’ van John Martyn, lied dat hij op ‘Stealin’ Home’ zette, in 1978 toen een loopbaan in het betere commerciële circuit nog haalbaar leek (die plaat bevatte ook ‘Gimme An Inch Girl’, Matthews’ gooi naar een nieuwe wereldhit na ‘Woodstock’ als Matthews Southern Comfort) Meteen ook een nieuwe song, want een nieuwe plaat met Derix is al onderweg (Matthews trouw aan zijn hoge productieritme!) en het nieuwe materiaal wordt nu al live uitgetest en/of gerodeerd: ‘When Buddah Dials Your Number’ (‘Ik weet ook niet waar die titel en dat idee vandaan kwamen…’) beet de spits af, maar we hoorden later nog het magistrale ‘Gone Is Gone’ (‘Die titel kwam me toegewaaid op het afscheidsfeest van een collega van mijn vrouw’), een nieuwe parel aan de kroon. Veel songs die ook op ‘Afterwords’ staan te blinken: ‘St. Theresa’s Ghost’, ‘Waves’, ‘Something Mighty’, ‘Funk And Fire’, na de pauze ’Joy Mining’, ‘Timing’, dat briljante ‘Lamb In Armour’, een waar hoogtepunt, niet enkel door de funky pianolijnen, maar ook door de zegging van Iain.

 

Er was ook nog ‘Randolph Scott’, de ode aan de grootste aller cowboys-van-het-witte-scherm, groter dan Gene Autry, Roy Rogers en The Cisko Kid (Pancho), in de visie van Matthews toch, die in zijn jeugd western films verslond. Scott is echter méér voor hem: het is de figuur waarop hij in gedachten altijd kan terugvallen om alles weer op een rijtje te zetten in zijn leven. Dat heeft hij, na zoveel jaar, perfect weten te verwoorden, zij het door de iets of wat gespeelde ernst natuurlijk vol relativering. We kregen ook nog twee songs uit ‘Skeleton Keys’ (1993), één van Matthews’ allerbeste albums: ‘Back Of The Bus’ was het enige bisnummer, al even smeuïg als de opener en ook al in de ‘transportsector’: geen toeval, vermoedelijk! Het andere was ‘God’s Empty Chair’, waarvan hij de idee overnam van een Jack Kerouac road boek, die het dan wel had over de geniale jazz pianist George Shearing. Matthews kent in zijn geval Miles Davis (gestorven in 1991) de rol van opperwezen toe, maar de song is wel degelijk… country en geen jazz. Heel mooi hoe Egbert begint en eindigt met een citaat uit één van Miles’ bekendste platen, meerbepaald Rodrigo’s ‘Concierto d’Aranjuez’ dat op ‘Sketches Of Spain’ staat.

 

De tweede set eindigde met een verzoekjes, maar hij zou dit hoe dan ook gespeeld hebben te horen aan ‘Afterwords’, dat ook met deze song eindigt. De versie van ‘Woodstock’, gepend door Joni Mitchell, want daar gaat het natuurlijk over, kreeg hetzelfde, erg ongewone arrangement zoals op de plaat, vertraagd, bijna spooky. Iain liet niet na te melden dat hij, veertig jaar na de eerste platen met Matthews Southern Comfort, binnenkort een nieuwe cd uitbrengt onder die groepsnaam, ‘Kinda New’. Hij gelooft dat hij er eindelijk in geslaagd is MSC te laten klinken zoals hij het altijd al voor oren had. Het typeert de eeuwige zoeker in Matthews, altijd in de weer maar nooit volkomen tevreden, een noeste werker die geen oorkussen van de duivel duldt. Maar je kan niet onder deze vaststelling uit: de formule met het Searing Quartet en Egbert Derix is de artistiek strafste van heel zijn loopbaan, zonder zwakke momenten en op dit ogenblik explosief creatief. Nu de man uit Lancashire al een poos in Zuid-Nederland woont, is het een mysterie waarom er niet méér concerten zijn met deze singer-songwriter op de top van zijn kunnen als centrale figuur.

 

 

Antoine Légat (17 06 10)

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Muziek. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s