WHAT’S IN CEVICHE? – Part III: Jan Wauters.

 
Nooit de behoefte gevoeld om mijn ‘belevenissen’ aan ‘het papier’ toe te vertrouwen. Nooit vond ik ze merkwaardig, spectaculair of kleurrijk genoeg om ze die eer te geven. De eigen prestaties waren zo mogelijk nog minder interessant dan wat me overkwam. De heel zeldzame keren dat er wel ‘wereldschokkende’ feiten in mijn buurt geschiedden, heb ik ze wel driftig neergepend: de Griekenlandreizen van 1993 en 1995 heb ik van uitgebreide verslaggeving voorzien, evenals mijn belevenissen in 1999, die uitmondden in de dichtbundel ‘Naus. Waarom danst mijn hart nog zo…?’. Those were the days, maar veel waren het er niet.

 

Mijn opvatting hierover veranderde niet met het lezen van andermans memoires, die me soms met plaatsvervangende schaamte vervulden, toch die van bepaalde andermansen. Het heeft immers geen zin bergen waardevol papier, dus bomen, te vullen met waardeloze of tweederangs informatie. Vele van die biografieën hebben toch maar een ranzig-rotte geur van geldgewin (al mag Romeins keizer Vespasianus dan nog zijn zoon Titus verkocht hebben dat ‘pecunia non olet’) Mijn opvatting werd evenmin gewijzigd door de inderdaad af en toe relatief boeiende ontmoetingen die ik had door mijn werk in de muziekpers. Die werden toch al gegoten in concertverslagen of interviews. Een zeldzame keer werd het in een anekdote verwerkt: er was toch geen onderling verband tussen die verhalen, behalve dan ondergetekende zelf, en die was dus de moeite niet.

 

Maar af en toe bekruipt me toch de zachte dwang om iets te vertellen uit een grijs verleden, vooral als iemand voorgoed verdwijnt en er dus iets onherroepelijks voorbij is, vooral ook omdat we zelf vermoeden dat ons einde toch niet heel ver weg meer kan zijn. We kenden dat gevoel bij Kevin Coyne, bij Hugo Claus. We hebben dat ook met Jan Wauters. Geboren in 1939, overleden in 2010 lezen we overal en zo zal dat ook wel zijn. Maar Jan behoorde tot het rijtje dat je het eeuwige voetballeven zou willen geven, zoals Rik De Saedeleer, Wilfried Van Moer en Luc Nilis, bij voorbeeld, en met terugwerkende kracht ook de magiciens en professeurs als Guy Thijs en Raymond Goethals. Jan verdiende bovendien, live vanop de motor in de Tour de France, ook het eeuwige wielerleven.

 

In 1974 legde ik eerder toevallig mijn oor te luisteren bij de Sportmarathon op zondagnamiddag. Naast heroïsche sportwedstrijden die erin verslagen werden, liet Jan Wauters, in de beste traditie van zijn voorloper Piet Thijs, die door Jan zo mateloos bewonderd werd, de luisteraar aan het woord over de connectie tussen sport en maatschappij, iets van die strekking. Wat me een interessant uitgangspunt leek, werd al snel verbrod door de commentaren van de luisteraars. Niet het stuntelige van de uitdrukking stoorde me, wel de inhoud, als je dat nog inhoud mag noemen. Ik hoorde de meest groteske onbenulligheden, gemeenplaatsen, veralgemeningen, racistische uitspraken (lees nu de ‘reacties’ op artikels op nieuwssites en je merkt dat er nog niet veel veranderd is…)

 

Het was hallucinant! Ik begon nota te nemen en dat verwerkte ik meteen daarna tot een brief, wijzend op de fouten en vergissingen, vooroordelen en denkfouten, en deed meteen een aantal positieve en hopelijk constructieve voorstellen. Dat enige exemplaar dat ik enkel later nog even terugzag op Jans bureau, zond ik naar de sportredactie, denkend dat ik daar nooit meer iets zou van vernemen. Maar Jan vroeg me dus langs te komen op de redactie in het omroepgebouw aan het Flageyplein. Ik legde uit dat ik in mijn voorlaatste jaar aan de universiteit van Leuven studeerde. Klassieke, jawel, iets wat je nog tegen een Germanist mocht zeggen. Jan gaf me zowaar de kans bij de radio te beginnen, ongeveer op hetzelfde monument, ik bedoel, moment dat Guy Mortier me vroeg voor Humo.

 

Het ging plots hard. Ik mocht een reportage voor de dagelijkse rubriek van kwart voor zes maken, ‘Wat is er van de Sport?’ over… onderwaterhockey. Een prof van het Sportkot te Leuven had die sport gelanceerd. Ik volgde de Grote Prijs van Monaco Formule I vanuit de studio, in het jaar dat Niki Lauda zich met Ferrari een eerste maal aanbod als kandidaat wereldkampioen (wat hij ook drie maal zou worden) Jan had me zelfs al gevraagd of ik geen interesse had in verslaggeving bij… motorcross wedstrijden, al wisten ze dat ik daar niet zo meteen in gespecialiseerd was. Ik herinner me nog dat het me weinig zei (al heb ik het motorcross altijd gevolgd) en dat ik me nog niet naar Limburg zag verhuizen. Formule I volgde ik al vele jaren op de voet.

 

Ondertussen vertaalde ik voor Humo wat stukken uit de Rolling Stone, de Melody Maker, de New Musical Express. Enkele van die stukken zijn ook verschenen, andere bleven in de pijplijn. George Harrison, de Eagles, Little Feat, dat herinner ik me nog. Ook die invalbeurt had ik te danken aan een lange brief die integraal in Uitlaat verscheen, eentje waarin ik een fictieve LP liet maken door Belgische artiesten gesteund door het kruim van de internationale studiomuzikanten. Die kennis maakte indruk op de redactie. De BRT en Humo, een gouden toekomst leek te wenken. Maar…Dat is zonder de duivel in mij gerekend. Ik was zelf behoorlijk ontevreden over mijn prestaties, vooral op radiogebied, en toen ik het ook in de studies van dat jaar lastig kreeg, liet ik in beide instanties niet meer van me horen.

 

Niemand vertelde me wat Carlos De Veene, één van de ervaren radiomensen in dienst van Jan Wauters, me jaren later, toen ik ‘diep in het onderwijs’ zat, wel uitlegde: alle begin aan de radio is moeilijk, niemand hoort zijn eigen stem graag en het is heus wel mogelijk om mettertijd de verbale vlotheid te verwerven waar de betere radiolui voor bekend staan… Maar je moet volhouden. Dat was een onthutsend telefonisch gesprek: ,,We vroegen ons af waarom je ineens verdwenen was…’’ Ik weet niet of men me ooit probeerde te contacteren, wat in die tijd nogal moeilijk was… We hadden thuis al geen telefoon. Maar ik was er toch niet ongemerkt gepasseerd, zoveel was duidelijk. Eerder had ik al voetbal (daar had ik perspectieven…Misschien ooit eerste klasse?) en tennis (helaas te laat aan begonnen om nog hoge toppen te scheren) laten vallen, maar dat was om te gaan studeren en dat bleek al bij al een verstandige keus. Maar in het geval van de BRT was het gewoon stom. Toen ik afgestudeerd was, hield de muziek me vanzelf af van verdere sportverslaggeving. Iemand die ongeveer met mij begonnen was, had het intussen gemaakt in de branche, zijn naam is Guy Polspoel (bij Humo was dat Kamagurka, overigens)

 

Maar waar dit feitelijk om gaat: Jan Wauters was altijd al een god in mijn ogen en zou dat ook blijven, om de redenen die je in alle kranten kon lezen bij zijn overlijden. Jan Wauters was iemand die een diep inzicht had in alle facetten van de sport, met oog voor de mens in de sporter, die sport met veel voor relativiteit steeds wist te kaderen in de brede maatschappelijke context, met nuchtere kijk op de uitwassen van de sport, die een ongelofelijk verzorgd en rijk taalgebruik had, niet alleen via de pen, maar ook in de micro, improviserend, ter plekke dollend met het Nederlands en het sportgegeven. Je moest geen beelden hebben om de voetbal- of wielerwedstrijd om die toch voor ogen te hebben. Zo iemand verdient de titel ‘Journalist’ en dat is veel en véél meer dan verslaggever, het niveau dat we zelf af en toe enigszins bereiken.

 

Met Jan heb ik nog één keer telefonisch contact gehad. Einde jaren tachtig, begin jaren negentig meende ik eindelijk voldoende rijpheid te bezitten om me toch nog eens te wagen aan bij voorbeeld, waarom niet, sportverslaggeving. Vaag herinnerde hij zich de feiten van vijftien jaar tevoren en stelde me voor een kans te geven bij voetbalverslaggeving. Maar er werd geen afspraak gemaakt. De muziekverslaggeving voor de krant De Standaard werd steeds belangrijker en uiteindelijk nam die al mijn vrije tijd in beslag. Het leek me wijs Jan niet te storen met de melding dat ik weer een andere richting uitging.

 

Na het lezen van dit stuk zit u misschien met een vraag. Ik beantwoord ze bewust niet, omdat ik zelf het antwoord niet weet. U moet ze me bij gelegenheid maar stellen. Wie weet kan ik u dan iets zinnigs vertellen.

 

Ik had u verwittigd dat het eigen verhaal maar schamel zou zijn…Mensen als Jan Wauters daarentegen, die zijn uitermate dun gezaaid. ’t Is maar dat u dat weet…

 

 

Antoine Légat (6 juni 2010, 66 jaar na D-Day)

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Nieuws en politiek. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s