deel 3

 

HORATIUS Oden I, 20: ode aan de wijn, maar nog meer aan de vriendschap.

Horatius is de meester van de doorwrochte miniaturen, zoveel wist je al. Het is verdraaid moeilijk daar één gedicht uit te lichten, maar dit pareltje is hier alvast helemaal op zijn plaats. Het gedicht begint met een drievoudige belediging aan het adres van vriend en beschermheer Maecenas… Zo lijkt dat toch! Bij Horatius zal Romes nummer twee maar heel gewone wijn krijgen (en niet die topwijntjes vanuit diens voorraadkamers) De bekers zijn ook al niet veel zaaks en kijk eens, Hor heeft die wijn zelf gebotteld. Dat is alvast een stuk goedkoper! Maar dan blijkt dat Horatius die wijn op kruiken trok op het exacte moment dat Maecenas na een jarenlange levensbedreigende ziekte voor het eerst weer in het openbaar kwam. Plots heeft het geen belang meer dat zijn wijn geen grand cru classé is: de vriendschap is dat wél! Dat belet goeie ouwe Quintus (Horatius Flaccus) niet om in de laatste strofe een succulente opsomming te geven van de allerbeste Romeinse wijnen in een omgekeerde volgorde van productie, een waar huzarenstuk! Nogmaals nog zo’n twintig oden kwamen in aanmerking voor deze reclamespot…

PETRONIUS, Satyricon, passim.

Niet bepaald wat je belletrie noemt, maar misschien wel het geschikte werk om de alledaagse Romein in zijn reilen en zeilen te leren kennen. Hoewel! Het wordt alras duidelijk uit de verspreide fragmenten die ons overgeleverd werden (dat is op zich al een mirakel, gezien de ,,gewaagde” inhoud) dat het de kringen (krengen?) rond de keizer zijn die op de korrel worden genomen, onder het mom van achterbuurtfiguren, die hun rol met verdacht veel overtuiging en Schwung spelen. Is het vanuit literair oogpunt geen meesterwerk, dan nog kan het je niet ontgaan dat Petronius een merkwaardig man moet geweest zijn. Wat enerzijds beschijft hij al die lelijke en afzichtelijke personen en situaties met onmiskenbare kennis van zaken, maar anderzijds slaagt hij erin het hele zootje te bekijken a.h.w. vanop een heuveltje, ver van de strijd om het behoud en het gewriemel voor de beste postjes. Het is dan ook zeer verleidelijk te denken dat het gaat om C. (=Gaius) Petronius Arbiter, de arbiter elegantiae van keizer Nero, de man die de mode van de dag dicteerde aan het keizerlijk hof, totdat ook hij ten slachtoffer viel aan de paranoia van de keizer, die geruggensteund door jaloerse hovelingen, overtuigd raakte dat ook Petronius complotteerde. In elk geval werd zijn ,,zelfmoord” geboetseerd op die van Cato de Jongere, die de ganse nacht filosoferend ’s morgens de hand aan zichzelf sloeg. In plaats van te filosoferen, feestte Petronius. De verdere details besparen we je. Maar niet het chronologisch laatste van de bewaarde fragmenten… Te lezen op een nuchtere maag!

Wie het boek kent, kan ook ten volle de verfilming ervan door Federico Fellini ,,begrijpen” en smaken: alle dichterlijke vrijheid ten spijt, is FF’s ,,Satyricon” een uitmuntend sfeerbeeld van een bewogen periode uit de wereldgeschiedenis…

PLATO, Apologeia, passim.

De pièce de résistance hielden we vanzelfsprekend voor het laatst. Wie vat beter de hele oudheid in haar essentie samen dan Sokrates? Al heeft die dan in Homeros een geduchte concurrent. Wie weet dat beter te formuleren dan Plato, de dichter-filosoof? Al heeft die dan een geduchte tegenstander in Aristoteles. De Apologie van Sokrates, zijn verdedigingsrede voor het Atheense gerechtshof, wordt geregeerd door een ijzeren logica: hij trekt gewoon de conclusies door die de wetten opleggen, al weet hij donders goed dat het hele proces enkel de bedoeling had de ,,lastige horzel” Sokrates uit Athene te verwijderen. Zo wordt dit ten langen leste het proces van de demokratie en herleidt Sokrates zijn aanklagers tot een stelletje onbenullen. De poëtische vlucht die deze (drievoudige) rede aanneemt verheft Sokrates van zijn kant ver boven het aardse gedoe. Sokrates zal zijn veroordeling tot het drinken van de gifbeker als goed Atheens burger lijdzaam en trouw aan de wetten ondergaan: de boodschap moge hard aangekomen zijn! De zogenaamde ,,verdedigingsrede” wordt op die wijze een ode aan de eerlijkheid, aan de consequentie en aan het leven zelf.

We zagen Julien Schoenaerts, ja, weer hij, enkele malen in de rol van Sokrates…Al was het geen rol. Schoenaerts WAS Sokrates, even goed in 1974 toen de toen nog vitale ,,acteur” de monoloog voor het eerst bracht in Leuven, als op het einde van zijn leven, toen de dood al aan hem vrat.

Geteld hebben we het niet, maar je hebt nu zo’n tiental lillende, laaiende lappen levende Latijns-Griekse literatuur in je maag gesplitst gekregen.

Nog zijn we niet tevreden. We zouden je graag ,,vakoverschrijdend” andere literaire hoogstandjes willen aanprijzen, werken die je op je huidige leeftijd wel eens ter hand zou mogen nemen. We dachten aan Le Petit Prince van Antoine de Saint-Exupéry, aan Le Grand Meaulnes van Alain-Fournier, aan Xanthippe van Paul Lebeau, maar ook aan zwaardere stuff als Maus van Art Spiegelman, La Nausée van Jean-Paul Sartre of Die Blechtrommel van Günther Grass. Ook op de poëzie van pakweg Leonard Nolens, Hugo Claus, Anton Van Wilderode, Herman De Coninck, Charles Baudelaire, Fernando Pessoa, Pablo Neruda en Odysseas Elytis zouden we je en passant willen wijzen.

Maar via die laatste Griekse dichterlijke reus komen we om af te ronden uit bij Konstantin Kavàfis, een Griek die nooit Griekenland zag, een man die niet voor zijn geaardheid mocht uitkomen en ons slechts een klein poëtisch oeuvre gunde. In het gedicht Ithaka beschrijft hij waar het om te doen is in dit ondermaanse: niet ,,Ithaka” is van belang, wel de wonderlijke reis ernaar toe.

Het leven is eeuwig afscheid nemen. De tijd om te gaan is nu. Welaan dan: om te trekken, trek!

Oedipus in Kolofon

We laafden ons aan vele bronnen van allerlei aard. Naast een hele reeks internetsites, zoals www.humanbeing.demon.nl of www.koxkollum.nl/vertalingen, waren dat van die ouderwetse dingen, je weet wel, van dat papier met drukinkt erop, netjes ingebonden. Boeken, juist, ja. We geven hier de titels:

Paul CLAES, Sappho. Liederen van Lesbos. Gedichten, Kritak, Leuven, 1985.

Patrick DE RYNCK, Op de Snaren van Apollo. Acht eeuwen Latijnse Poëzie. Samengesteld en ingeleid door –, Ambo, Baarn, 1993.

Xavier DE WIN, Plato Verzameld Werk/Eerste Deel, DNB/Ambo, A’pen/A’dam, 1980.

EURIPIDES-Johan BOONEN, De Trojaanse Vrouwen, Garant, Leuven, 1996.

HOMEROS-Frans VAN OLDENBURG-ERMKE, Ilias & Odyssea, Kempische Boekhandel, Retie, 1959.

Patrick LATEUR, Muze, zeg me… Bloemlezing Griekse Literatuur, Davidsfonds/Clauwaert, Leuven 1993.

A.D. LEEMAN, Petronius. Schelmen en Tafelschuimers. Een satirische Zedenroman uit de Tijd van Keizer Nero, Phoenix Klassieke Pockets, W. De Haan/StandaardBoekhandel, Hilversum/A’pen, 1966.

Henrik SCHOLTE, Scholte’s Griekenland, Allert de Lange, A’dam, 1976.

Dr. M. A. SCHWARTZ, Vertellingen uit Hellas en Rome, I: Epos, Brieven, De Lichtere Muze, Fabels, Elsevier, A’dam, Brussel, 1965.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Poëzie, maar dan van een duizelingwekkend niveau. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s