Het kasteel uit ,,Le Grand Meaulnes” werd niét afgebroken. Het werd in de lucht gezogen en duizenden kilometers verder neergezet. Ik heb het zelf gezien!

 

Le Grand Meaulnes van ALAIN-FOURNIER.

 

 

Le Grand Meaulnes nog eens ter hand genomen, dat boek dat ons al sinds ons zeventiende achtervolgt, al meer dan een halve eeuw dus. We hebben het eindelijk eens uitgelezen zoals het hoort bij een meesterwerk. Het was de roman die de jonge schrijver Alain-Fournier, schrijversnaam van Henri-Alban Fournier, uitbracht in 1913, het enige grote wapenfeit voor hij als poulu in La Grande Guerre op 22 september 1914 niet terugkomt van missie, zoveelste overweldigende bewijs van de futiliteit van oorlog. Hij won er ei zo na de Prix Goncourt mee, maar het heeft niet mogen zijn.. Niets heeft mogen zijn.

 

Het was duidelijk het boek dat hij in zich had. En dat ik in mij had. Makkelijk zat: zo hoefde ik het niet meer te schrijven. Je kan je zo vlot verplaatsen in alle hoofdrolspelers van het werk: verteller François Seurel, zijn boezemvriend Augustin Meaulnes, de lange tijd zo mysterieuze en onvindbare Yvonne de Galais, haar ook al on(be)grijpbare broer Frantz de Galais, het al even enigmatische ,,kasteel’’ waar het feest plaatsgrijpt, dat Les Sablonnières heet, maar dat vóór Meaulnes het weervond, afgebroken was.

 

Nooit had ik de moed het boek uit te lezen, wellicht uit angst dat het slot me zou tegenvallen. Het einde van het boek beleefde ik enkel via film. Le Grand Meaulnes werd immers verfilmd, op het moment dat ik er op school in de lessen Frans mee geconfronteerd werd. Hoofdrolspeelster was Brigitte Fossey, die we al kenden als het kleine meisje met de kruisen in het prachtige Jeux Interdits. Film en muziek waren kaskrakers geweest. Fossey was een stiekem lief in die tijd, want ze was uitgegroeid tot een stijlvolle jongedame, geknipt voor de rol van ranke Yvonne de Galais. Ik herinner me nog een foto van Brigitte in de Paris Match, toen ze ,,anoniem’’ in Parijs woonde, enkele jaren voor de film, die voor haar als actrice een doorbraak bracht. Ze moet toen een jaar of vijftien geweest zijn…en al bloedmooi. Men schat licht de indruk die dat alles naliet op de ontvankelijke geest van een zeventienjarige, naar liefde hunkerende jongeman! Het einde van Le Grand Meaulnes liet daar, zo bleek dank zij de film, gelukkig alles van heel. Het leven niet.

 

Het kasteel, beste lezer, werd niét afgebroken. Het werd in de lucht gezogen en duizenden kilometers verder neergezet. Ik heb het zelf gezien, en de ,,kleine’’ helft van de wereldbevolking kan dit controleren.

 

Ik begrijp het! U wenst een verklaring…Toen ik 1997, dus twee maal twintig jaar later, in een hotel in Perèa, afgehuurd door één der twee universitaire centra van Thessaloniki, een maand vervolmaking Ellinikà (Modern Grieks) volgde, helaas op een moment dat ik behoorlijk in de knoop zat met mijn emotioneel leven, kregen vrijwilligers, enkel de heren dus, de kans om het fameuze diavatírio te pakken te krijgen om de Athos Republiek te bezoeken. Men weet het immers: de monnikenrepubliek is enkel voor mannen toegankelijk, al zijn er al enkele tijd stevige onderhandelingen om minstens een deel van de republiek open te stellen voor vrouwen…Misschien enkel kwestie van er een theologische mouw aan te passen en te wijzen op de ontegensprekelijke voordelen voor iedereen? Niemand wenst immers de kloosters zelf te betreden als dat zo gewenst is door de monniken.

 

Maar da’s een discussie die buiten ons om gaat…Normaal duurt het zes maanden om zo’n diavatírio, toelating voor vier dagen, te pakken te krijgen. In elk geval besloot ik, samen met Fransman Olivier Biagi en Canadees Ben Garstadt de raad te volgen van iemand die daar al geweest was: doorvaren tot Santa Anna in het zuiden, dan opklimmen tegen de Heilige Berg, en dan rechts aanhouden, de berg om, en zo tot Mejisti Lavra, het oudste van de twintig kloosters. We begonnen de klim ’s middags, maar vonden de oostelijke omtrek niet. We kwamen een oude monnik tegen die zei koufos te zijn en inderdaad, de man was stokdoof. Toen hij begreep wat we wilden wees hij naar boven riep wel twintigmaal ,,Apàno, apàno, apàno!’’, ,,Naar boven’’…Het zouden vele apàno’s worden…

 

Zo hebben we die klim maar aangevat (we konden niet terug: geen boot meer), eindeloze klim die het uiterste vergde van onze krachten. Op een gegeven ogenblik zaten we in de regen…Dat was dus een wolk (een gat in de muur heet raam, nietwaar, Bram?)! Volgens de kaart zaten toen tegen de 1200 m vooraleer het weer vlak werd. ,,Vlak’’ is een relatief begrip, als je weg bezaaid is met keien en stenen, die precies daar liggen waar je je voeten wil zetten: het was volstrekt onmogelijk om snelheid te maken. Ik had de kaart en hield ze angstvallig vast, maar op de vele vragen van Ben en Olivier antwoordde ik, Grote Smurf, telkens dat het niet zo ver meer kon zijn. De kaart loog niet. Het was nog heel ver…

 

We wandelden dwars door de route heen van de everzwijnen. We stapten ongewild én ongestraft tussen een ,,ever baby’’ (ever big?) en zijn/haar ma. Als het dier gechargeerd had! Want zo’n ever is geen gezever…

 

Plots, het werd al laat en de zon neigde naar het westen, was de weg…weg: een heel bos was onderuit geschoven en had het pad (enige teken van leven toen we uit de wouden kwamen) meegesleurd en de lege plak gevuld met gigantische lucifers van sparrenhout. Iemand was hier al geweest en er lagen stammen dwars om de toevallige poassant aan de andere kant te helpen. Maar hoe lang was dat geleden?! Er zat niets anders op dan over de bomen heen te ,,wandelen’’, één voor één. Als de boel begon te schuiven, kwam je in duizend stukjes beneden aan…Het begon al flink te donkeren toen we héél in de verte het verlossende klooster zagen (nooit gedacht dat ik in een klooster verlossing zou vinden…) We waren de uitputting nabij, maar dat eind vloog voorbij.

 

De maaltijd! We kregen in een donkere kelderruimte een maal geserveerd, met gezouten olijven, de onvermijdelijke bonen in tomatensaus, het zelfgemaakte brood en de ongefilterde wijn. Het was het lekkerste laatste avondmaal van heel mijn leven. Maar voor we toetastten, keken we mekaar een poos in de ogen…en begonnen toen te lachen, de bevrijd(en)de lach van mensen die een onverkwikkelijke nacht in de buitenlucht en de jungle in de ogen hadden gekeken. De volgende morgen stonden we klaar om met de Land-Rover naar hoofdplaats Karyes te rijden. De bestuurder was een monnik die duidelijk geen onderscheid maakte tussen het ondermaanse en het hiernamaals, te zien aan de manier waarop hij zijn FI bolide langsheen klippen en ravijnen mende…en zonder traction control. De zon zien oprijzen in het belvedère van het klooster terwijl de zee 80 m onder je tegen de rotsen aanschurft, was zo’n orgie van kleuren (en geuren) dat het me inspireerde tot de belofte waarvan sprake in het onderstaande gedicht dat we zoveel jaren later aan de PC toevertrouwden.

 

Die middag in Karyes aangekomen, voltrok zich het mirakel. Olivier ging waar wij hem eigenlijk niet wilden volgen. We botsten aan het eind van de weg, in de diepte, op het verlaten Russische klooster, dat daar stond in zijn vergane glorie, nog goed bewaard ondanks de kapotte ramen en dank zij het klimaat. Ooit, zo’n tachtig jaar tevoren, herbergde het zo’n vijftienhonderd monniken. Ik herkende het meteen: dit was Les Sablonnières. Het deed zelfs niets om dat te verbergen! Onze verkenningstocht bracht ons ook naar de bijhorende kerk…Daar werden we ontvangen door een monnik, die dit ,,beroepsmatig‘’ deed. We begrepen snel waarom er een portier van doen was. Hij nodigde ons uit. Eens binnen stonden we stomverbaasd: de kerk bleek perfect onderhouden met schitterende iconen en andere cultusvoorwerpen, in Russisch Orthodoxe stijl…,,Het klooster is des mensen, maar de kerk is van God: die mogen we niet laten verkommeren!’’ Ainsi soit-il.

 

We beleefden nog andere ,,avonturen’’ in de Athosrepubliek, maar we wilden focussen op Le Grand Meaulnes.

 

,,Et c’est ainsi qu’il quitta, refermant soigneusement la porte, ce mystérieux endroit qu’il ne devait sans doute jamais revroir.’’ (Le Grand Meaulnes, Première Partie, Chapitre XVI)

 

(AL, 28 03 08)

 

 

Ons gedicht uit de bundel Leugens (Lies):

 

 

Liefst

——-

 

Graag had ik je graag gezien.

 

Graag had ik je

achterovergedrukt,

je ontdaan van al je kleren,

allemaal, en je gevuld met de

pulserende stromen van mijn liefde

tot je om genade schreeuwde

die ik je dan gaf,

zelf kapot van mijn volle overgave.

 

Het liefst van al

zou ik je bij me hebben,

altijd en overal,

om te zien

en te ruiken

wat ik hoor

wat jij voelt

als we samen zijn.

 

Het liefst van al,

wakker worden naast jou,

met jou kijken

naar de zonsopgang

in de belvedère van het

Mejisti Lavra klooster

op de Heilige Berg,

wat ik mezelf beloofde:

daar ooit te staan

met de vrouw van mijn hart,

degene met wie ik het liefst,

in eenvoud en nederigheid,

brood en wijn deelde,

en alles deelde

wat het leven ons zou geven.

 

Het liefst van al,

want je bent me

het liefst van al.

 

(06-07 01 06)

 

Soundtrack: A Case Of You (Joni Mitchell / Cristina Branco:

,,Just before our love got lost you said

‘I am as constant as a northern star’

 and I said ‘Constantly in the darkness, where’s that at?

If you want me I’ll be in the bar.’ ‘’

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Boeken. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s