Met Ensemble Dilrubâ deed één van de allerbeste formaties op het vlak van Turkse (Ottomaanse) klassieke en Soefi muziek ons land aan

 

ENSEMBLE DILRUBÂ in de Turbinezaal van De Centrale, Kraankinderstraat 2 te Gent op zondag 17 februari 2008.

 

Het ging haast onopgemerkt voorbij maar met Ensemble Dilrubâ deed één van de allerbeste formaties op het vlak van Turkse (Ottomaanse) klassieke en Soefi muziek ons land aan, in een samenwerking tussen Kardelen vzw en De Centrale. We stelden vroeger al dat concerten op zondagnamiddag (in dit geval 16 uur) een zegen voor de mensheid zijn. Je kan er op die dag toch rustig naartoe leven en het is vroeg genoeg gedaan om rustig te acclimatiseren voor die vreselijke maandag om de hoek. De Centrale heeft zich op het vlak van wereldmuziek concerten, horizon en cultuur verbredende cursussen en mondiale bewustzijn in het algemeen opgeworpen als the place to be, en dat niet alleen voor de Gentenaar.

 

Nogal wat sponsors dienden zich aan voor dit concert wat erop wijst dat de Turkse gemeenschap in ons land het belang van dit optreden onderkende…en dat het wellicht geen financiële vanzelfsprekendheid is om zo’n ,,grote’’ groep naar ons land te brengen. Door omstandigheden buiten onze wil misten we de eerste minuten van het concert, maar het zal ons oordeel wel niet hebben gewijzigd: wat we te horen kregen was van een nauwelijks voor te stellen kunde en, zover we dàt kunnen beoordelen, getuigend van een diepgaande kennis van zaken.

 

Ensemble Dilrubâ heeft bovendien een Belgische connectie: oudspeler Hilmi Kaçar groeide op in ons land. Hij studeerde zelfs in Gent. Gefascineerd door de muziek aan het Ottomaanse hof (13e tot late 19e eeuw, met bloeiperiode in 16e en 17e eeuw) trok hij naar Parijs om te studeren bij musicoloog Kudsi Erguner, die we, nog voor zijn Real World (Peter Gabriel) periode, ooit interviewden i.v.m. een project rond ,,Vrouwen in het Serail’’, toen hij met amateur zangeressen de échte haremmuziek bracht. Kaçar studeerde oud in Gent maar trok verder naar  Istanbul om zich te vervolmaken. Dat deed hij zelfs bij de autoriteit, tanburspeler en leraar Necdet Yasar (zie Wikipedia!) Istanbul blijkt nog immer het centrum van de klassiek Turkse muziek. Daar ontstaan trouwens nog steeds de belangijkste formaties.

 

Aan de Yildiz Universiteit ontmoette Kaçar de kemençe– en tanburspeler en lesgever Özel Özel (kemençe is de Turkse viool; de tanbur of tambur = verzamelnaam diverse langnekluiten met frets) Deze als een Parijse schilder uitziende briljante instrumentalist was ooit lid van het Ensemble Necdet Yasar. Blikvanger van Dilrubâ is ongetwijfeld M. Ali Turan, klassiek zanger uit Istanbul. Hij moet één der allerbeste zangstemmen zijn in het genre, een klasse apart. Virtuoos buiten categorie is ongetwijfeld ook kanunspeler Savas Özkök, lid van het Istanbul Oriental Ensemble. Voor de gelegenheid liet het viertal zich bijstaan door de Antwerpse percussionist Serkan Tayyar.

 

Ottomaanse muziek entte zich op de Perzische en Byzantijnse muziekvormen, maar in de 17e eeuw werden daar Turkse folkloristische elementen (Anatolië) ingeschoven en stilaan verminderden de Perzische invloeden. De fasil of klassieke suite kwam in die periode tot bloei. Zo’n fasil werd het deel voor de pauze van dit concert in de Turbinezaal van De Centrale. Bekende componisten van de 19e eeuw als Zekâi Dede Efendi, en post-Ottomaanse van de 20e eeuw als Rakim Elkutlu en mevrouw Sevim Şengül, leverden delen van deze fasil in de maqams Bayâti, Uşak en verderop nog andere (een maqam is een systeem van melodische patronen met een reeks specifieke muzikale regels en met een vaste toonaard, waarbij de onderlinge relaties van de noten en de melodische progressie, opgaand-neergaand, een belangrijke rol spelen; de hele muzikale theorie rust op de maqam, die dus geen gewone ,,toonaarden’’ zijn; er zijn er ruim honderd en ze dragen namen zoals de Indische raga’s)

 

De fasil opent altijd met een instrumentale prelude (peşrev) Daarin kan de componist zijn kennis, maqambeheersing en vaardigheid etaleren, wat voor de uitvoerders ook geldt in de niet-metrische instrumentale improvisaties (taksim) Na de prelude volgt de beste, een klassiek gedicht in vier lijnen, en andere vocale vormen, aan elkaar gebonden door taksims, uitlopend op een instrumentaal sluitstuk (saz semâ’î) De verwestering van de 19e eeuw beïnvloedden deze structuren in de zin dat men steeds meer interesse kreeg voor de lichtere liedjes (şarki) Zoals dit concert bewees hoefde dat niet altijd een achteruitgang te betekenen. Een zevental şarkis in niet altijd vanzelfsprekende ritmes als 9/4, 10/8, 9/8 en 6/4 volgde, onderbroken door een taksim die de overgang van de ene maqam naar de andere inluidde.

 

De suite eindigde met twee hoogstaande composities van de ultieme componist in klassieke stijl, Tanburi Cemil Bey. Temidden de verloedering van de Ottomaanse muziek bracht Bey de peşrev en de saz samâ’î tot een laatste bloei. Men zegt soms dat die vormen voor hem waren wat de fuga’s voor J. S. Bach betekenden. Bach en Bey waren beide grote uitvoerders. In het geval van de Turk kunnen we dat nog steeds horen, want er bestaan opnames van hem die getuigen van zijn beheersing van de tanbur, zijn compositorisch kunnen en improvisatietechniek (hij stierf in 1916) We geven grif toe dat we zeer zwaar onder de indruk waren van deze fasil, veel meer dan van het vervolg.

 

Het tweede deel bestond uit 22 religieuze hymnes, behorend tot de muzikale verworvenheden van de Mevlevî-orde in het Sufi mysticisme. Mevlevî componisten bezochten het hof in Istanbul en de loge Mevlevîhâne in de Galatawijk werd het belangrijkste centrum van muziekopleiding in de 17e eeuw. De diverse loges in het Ottomaanse rijk werden als het ware conservatoria. De hymnes zijn op zich wel mooi, maar de structuren herhalen zich voortdurend, waardoor ze een zekere eentonigheid vertonen, toch vergeleken met het oneindige reliëf en de voortdurende afwisseling van een fasil. Uiteraard is de inhoud van deze lofzangen voor de gelovige een belangrijk gegeven en het is ook haast vanzelfsprekend dat de uitvoering van de hymnen door het Ensemble Dilrubâ van dezelfde duizelingwekkende kwaliteit was als het eerste deel.

 

Antoine Légat (14 03 08)

 

PS Met dank aan de verhelderende nota’s van Hilmi Kaçar.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Muziek. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s