Steve Wynn is een rocker pur sang. Is ie altijd geweest, zal ie altijd zijn. Ook in een vrijwel akoestische setting is dat zo…

 

Steve Wynn met Robert Lloyd en Erik Van Loo, akoestisch in de Kleine Zaal van de Arenberg Schouwburg, hartje Antwerpen, op zondag 2 maart 2008.

 

Steve Wynn is een rocker pur sang. Is ie altijd geweest, zal ie altijd zijn. Ook in een vrijwel akoestische setting is dat zo, zoals deze niet ontoepasselijk genoemde Paisley Dreams Tour 2008 (ook European Acoustic Tour) Maar weinigen zullen gedacht hebben dat Wynn hiermee zou gaan lopen, want wat blijft er van rocksongs over als de dB’s en de rollende, donderende ritmes weg zijn? Da’s dan pech voor de criticasters want als je de teksten goed kan verstaan, blijkt plots dat Steve over boeiende dingen schrijft. Zo is dat wanneer de songs vertrekken vanuit de dagdagelijks opgebouwde levenservaring en dus worteling hebben in de eigen cultuur, de eigen persoonlijkheid, de gebeurtenissen in de wereld en de reflectie over de dingen des levens.

 

Voeg daarbij dat de knusse Kleine Zaal van de Arenberg Schouwburg (van A’pen herinnert Steve zich vooral de ter ziele gegane Pacific) een ideaal kader is: met zijn allen zaten we haast op zijn schoot. Dat die ,,wij’’ bijna uitsluitend bestond uit fans, kennissen, vrienden en wat men kenners noemt kenners, enfin een gewillig publiek, is ook een niet te versmaden plus.

 

En toch, Wynn had het zich makkelijk kunnen maken door een set greatest hits af te haspelen, een grote sing-a-long jamboree. Maar dan ken je de man niet. In de eerste plaats wil hij zichzelf amuseren, door creatief wakker te blijven. Daarvoor moet je af en toe eens achterom kijken om een stand van zaken te maken, alles te herschikken en desgevallend een nieuw kleurtje te geven, een nieuwe invalshoek te bedenken. Hij bracht daarom een waaier van soms minder bekend, maar niet minder boeiend werk, dat zijn hele loopbaan overspande. Het deed een beetje denken aan de round-up van Visitation Rights waarop hij veertien selecte songs inzong met enkel Chris Cacavas op grand piano (2005)

 

Daarbij keek hij gewoontegetrouw niet op een nummer min of meer. We telden er achttien, maar daar kwamen nog…zeven bissen bij. Het schonk hem ook de gelegenheid er songs in te schuiven die hij met band niet kàn brengen, om allerlei redenen, en daarom live nooit speelt. Ten slotte bood het hem de kans om de komende cd in duo met Chris Eckman van de Walkabouts voor te stellen.

 

Voor zo’n kleine setting heb je natuurlijk een verfijnd begeleider nodig. Die had hij in de vorm van Robert Lloyd, ouwe kompaan die je ook weervindt op Fluorescent (’94) De man speelt een aardig stukje mandocello (of mandoline als u wil) en ook aan het klavier blinkt Lloyd uit. Hij speelt piano zoals hij daar op podium staat: uiterst sober, maar helder en klaar, alles op precies de juiste plaats, geen nootje te veel, geen solo moment opeisend. Enkel als Steve hem bleef plagen reageerde hij met een gortdroge opmerking (als Wynn zei: ,,Great to play that song, hey?’’, antwoordde hij haast binnensmonds: ,,You wrote it’’) of een paar aanslagen op de keyboards waarbij hij wonderwel bekende tekenfilm figuren, de Marx Brothers of ander Hollywood gespuis evoceerde. Halfweg de set kwam Nederlander Erik Van Loo het duo extra kleur en fond geven op de contrabas. Erik draait al lang mee met de Blue Guitars (we zagen hem zelfs nog Joe Henry begeleiden eind ’92 in de Falstaff in Brussel) Erik was ook stand-in toen The Miracle 3 op Eurotoer zonder bassist zaten. Dat deed hij zo goed dat hij sindsdien zijn vaste stek heeft in de band van Steve Wynn.

 

Na een paar songs was het duidelijk dat het concert ruim twintig jaar zou overspannen: eerst Tears Won’t Help, opener van eerste solo cd Kerosene Man (’90), dan Daddy’s Girl uit de Dream Syndicate (DS) tijd, in de hoogdagen van de Paisley Underground, en One By One van de eerste Gutterball plaat, om bij Southern California Line uit te komen van Here Comes The Miracles (2001), die haar naam gaf aan zijn begeleiders. Elke song kreeg een streepje uitleg, maar in het begin stak Steve er vooral vaart in, om later wat breedvoerig te worden. Out Of The Grey was een uitstekende keuze uit het DS repertoire. Lloyd ging tekeer op zijn kleine instrument waarna Steve silly vergelijkingen trok : ,,Dat was net Marshall Tucker of  ‘Free Bird’ van Lynnyrd Skynnyrd, enfin, één derde ervan.’’ Een stiller Layer By Layer (uit Fluorescent) vervolgt. In de naakte versie van Something To Remember Me By (uit Kerosene Man) kwamen de bitterheid en de wraakgevoelens van de song, geschreven na het enigszins roemloze einde van DS, helemaal tot hun recht. Voor de eerste en enige keer nam Lloyd de elektrische gitaar ter hand (Wynn blijft heel de set trouw aan zijn akoestische) Dat gaf aan Crawling Misanthropic Blues (uit Here Come The Miracles) net dat tikkeltje vettige punk/bluesrock gevoel, perfecte inleiding voor één van de songs die voor altijd met DS verbonden zijn, Boston. Het valt toch op hoe in het beste werk van die band (van Wynns hand…) telkens vervreemding centraal stond. Dat geldt ook voor het volgende Tell Me When It’s Over, maar ook voor dat toppunt van aliënatie Merritville, dat in de bissen opduikt.

 

Dan was het tijd voor een handvol songs uit de cd met Chris Eckman, Crossing Dragon Bridge. Dat een artiest enthousiast is over de laatste cd die hij maakte, is maar normaal, maar zijn geestdrift sloeg al snel over op het publiek, want de songs raakten meer dan één gevoelige snaar: Love Me Anyway is geïnspireerd op de prent The Piano Teacher. Punching Holes In The Sky heeft op cd naar verluidt acht strijkers: Lloyd op keys en Van Loo op zijn gestreken bas gaven daar slechts een impressie van, maar de deun is zo sterk en Wynns vertolking was zo pakkend, dat de song voor een first ongewoon veel applaus meekreeg. Het was zowat het hoogtepunt van dit concert.

 

Wait ‘til You Get To Know Me moest een song worden geschreven met een weirde vriend van hem…maar uiteindelijk gaat die song over die tot ,,Joe’’ gedoopte freak. Het betekende een vrolijker intermezzo, en dat bleek nodig, want het daaropvolgende Manhattan Fault Line is geen geschiedenis om vrolijk van te worden, al is de situatie potsierlijk genoeg: toen Wynn in ’94 verhuisde naar New York na de grote beving in LA, vernam hij dat zijn flat pal boven de grootste breuklijn staat van de hele East Coast! Niet dat het hem veel doet: ,,I’m not afraid of earthquakes’’. Dat is zo als je ze zelf veroorzaakt!

 

Wild Mercury komt uit de recente Tick…Tick…Tick (2005) Een tweede hoogtepunt werd het somber, broeierige The Deep End, waarbij Steve verklapte dat hij in het huwelijk treedt met zijn fenomenale drummer en levensgezellin Linda Pitmon. ,,Het soort song dat ontstaat uit ruzies…Dan wil ik wel elke dag ruzie maken!’’ Dat heet dan liefde voor muziek, Steve? De set piekt met Days Of Wine And Roses (DS, dus…vervreemdend!) en Amphetamine (uit Static Transmission, 2003) Die laatste, bijna woeste song komt voor in een nieuwe film waar een jongeman zegt: ,,It’s a song by Steve Wynn…We’re gonna do it better!’’ Steve is echter wàt blij met de aandacht die de song hem in eigen land geeft en gooide zich in de song na een welgemeend ,,WE are going to do it better!!!’’

 

De eerste drie encores werden in trio gebracht: het vreemde Wired (uit Tick…), de bijna gospel There Will Come A Day (uit Here Come…) en The Medicine Show (van Live At Raji’s van DS) vromen een mooie waaier e n het concert mocht hier gerust eindigen. Maar de publieksreactie en het feit dat het bij Steve altijd wel kriebelt (als het kriebelt, moet je spélen) maken dat hij terugkomt voor een kampvuurronde, alleen met de gitaar. Ons kon hij geen groter plezier doen dan die song te spelen die hij anders nooit kan spelen omwille van het arrangement (op Sweetness And Light is dat met een tingel-tangel piano): If My Life Was An Open Book is wat ons betreft het derde hoogtepunt van een intussen al onverwoestbare avond (maar dat is dan wel zéér persoonlijk…) Merritville slaat dan toe in al zijn dreiging: ,,There’s a game they play in summertime, there’s agame they play when it’s hot outside, and I wonder why they left me here in Merritville…’’ Brrr…

 

Hierna komen er verzoekjes: That’s Why I Wear Black (hij was niet zeker dat hij de tekst nog kende van die song uit Fluorescent, maar dat gaat wonderwel: dat heb je met goed geschreven lyrics) en Bruises (uit Tick…) besluiten de avond…die wel nog wordt verder gezet in de foyer, want terwijl Erik de platenstand openhoudt (altijd wat interessants en nieuws te vinden bij een muzikale duizendpoot als Wynn, live cd’s, tour cd’s, cd’s in samenwerking of horend bij een of ander project, enzovoort; de prijzen zijn zéér schappelijk), staan Steve en Robert de tientallen fans te woord. Dat heeft wellicht nog een hele poos geduurd, want ook daar trekt de man tijd voor uit.

 

Niet alleen muzikaal is Steve Wynn dus een lichtend voorbeeld. De dagen van de massa bijeenkomsten met Dream Syndicate lijken voorbij (net als vriend Chuck Prophet ook niet meteen heimwee meer heeft naar Green On Red) Dat is een bewuste keuze: ,,Ik zie Europa liever per trein met lap top en gitaar bij de hand dan in een dure limousine betaald door de platenfirma’’, zei hij toen we hem voor het eerst aan de tand voelde ten tijde van Fluorescent, in de oude Cactus Club in Brugge (nog in ‘94) Het heeft van Steve Wynn een vrij man gemaakt.

 

Antoine Légat (04 03 08)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Muziek. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s